Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5865

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
06/1390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Bevoegdheidsincident; beroep op immuniteit door Europese Octrooi Organisatie. Ambtenarengerecht biedt aan artikel 6 EVRM gelijkwaardige bescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/281
JAR 2007, 281

Uitspraak

Uitspraak: 28 september 2007

Rolnummer: 06/1390

Zaak- en rolnummer rechtbank: 555094 RL EXPL 06-1802

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Werknemer],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

EUROPESE OCTROOI ORGANISATIE,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: EOO,

procureur: mr. M. Ynzonides.

Het geding

Bij exploot van 20 oktober 2006 (met producties) is [werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 augustus 2006 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gewezen tussen partijen. In het exploot heeft [werknemer] zes grieven aangevoerd, die hij bij conclusie van eis in appel heeft gehandhaafd. EOO heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Partijen hebben hun standpunten op 24 augustus 2007 doen bepleiten. [werknemer] door mrs. L. Zegveld en M.J.G. Uiterwaal, advocaten te Amsterdam en EOO door mr. G.R. den Dekker, advocaat te 's-Gravenhage. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. [werknemer] heeft tevens een akte overlegging producties genomen. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 2. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [werknemer] is, laatstelijk in de functie van patentonderzoeker, werkzaam geweest voor het Europees Octrooibureau. Het Europees Octrooibureau is een orgaan van de EOO, is gevestigd in (onder andere) Rijswijk – van waaruit [werknemer] zijn werkzaamheden verrichtte – en heeft een hoofdkantoor in München (Duitsland). Op de EOO zijn onder andere van toepassing de bepalingen van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1974 (hierna: het Verdrag) en het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie van 5 oktober 1973 (hierna: PPI).

2.2 Op de arbeidsovereenkomst van [werknemer] zijn van toepassing de Service Regulations for Permanent Employees (verder: het Ambtenarenreglement). Het Ambtenarenreglement voorziet onder meer in een arbeidsongeschiktheidsregeling in de vorm van een invaliditeitspensioen. Op grond van artikel 13 van het Verdrag kan (voormalig) personeel van de EOO, in geval van geschillen met de EOO, deze voorleggen aan het Ambtenarengerecht van de Internationale Arbeidsorganisatie (verder: het Ambtenarengerecht). Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de belanghebbende alle rechtsmiddelen heeft uitgeput die hem ter beschikking staan krachtens het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of zoals die uit de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.

2.3 Op 1 februari 1998 is [werknemer] wegens RSI-klachten uitgevallen voor zijn werk. Sinds 24 mei 2002 is hij vanwege die klachten volledig en blijvend arbeidsongeschikt. In verband met die arbeidsongeschiktheid is de arbeidsrelatie beëindigd. [werknemer] heeft van EOO een financiële genoegdoening ontvangen van € 254.082,18. [werknemer] ontvangt tevens een invaliditeitspensioen.

2.4 Bij brief van zijn gemachtigde van 28 oktober 2003 heeft [werknemer] het Europees Octrooibureau aansprakelijk gesteld voor zijn (immateriële) schade verband houdende met zijn RSI-klachten.

2.5 Directeur ad interim van het hoofdkantoor van het Europees Octrooibureau te München, heeft bij brief van 13 januari 2004 aan de gemachtigde van [werknemer] medegedeeld dat de Service Regulations en de "Pension Scheme Regulations" van het Europees Octrooibureau in het geval van [werknemer] correct zijn toegepast en heeft voorts gewezen op de in genoemde regelingen opgenomen mogelijkheid van beroep bij het Administrative Tribunal van de Internationale Arbeidsorganisatie (het Ambtenarengerecht) nadat interne beroepsmogelijkheden zijn uitgeput.

2.6 Hierna is nog enige correspondentie gevolgd, waarbij EOO aansprakelijkheid heeft afgewezen en de zaak in behandeling heeft gegeven bij de Intern Appeal Committee (verder: het Beroepscomité).

2.7 Bij inleidende dagvaarding van 13 januari 2006 heeft [werknemer] de EOO gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage en een verklaring voor recht gevorderd dat de EOO jegens [werknemer] aansprakelijk is voor de door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden. [werknemer] heeft primair aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat EOO haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW jegens hem heeft geschonden. Subsidiair baseert hij zijn vordering op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

2.8 EOO heeft zich op haar immuniteit beroepen en geconcludeerd tot onbevoegdheid van de rechtbank.

2.9 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank verklaard dat de Nederlandse rechter in deze geen rechtsmacht heeft en [werknemer] veroordeeld in de kosten.

2.10 Op 30 april 2007 oordeelde het Beroepscomité unaniem dat het beroep van [werknemer] moet worden afgewezen.

3.1 De grieven leggen het bevoegdheidsincident in volle omvang aan het oordeel van het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2 Het gaat in dit geding om de vraag of het EOO zich in deze terecht beroept op een uitzondering op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter die uit het volkenrecht voortvloeit, te weten het privilege van immuniteit van jurisdictie en tenuitvoerlegging op het grondgebied van Nederland van een internationale publiekrechtelijke rechtspersoon. Nederland is op grond van het volkenrecht gehouden de immuniteit van internationale publiekrechtelijke rechtspersonen te respecteren. Dit vereiste is expliciet neergelegd in artikel 13a van de Wet Algemene Bepalingen.

3.3 EOO beroept zich in dit verband op artikel 8 van het Verdrag en artikel 3 van het bijbehorende PPI, dat blijkens artikel 164 van het Verdrag daarvan een wezenlijk bestanddeel vormt. Op grond van artikel 3, lid 1 van het PPI geniet EOO binnen de beperkingen van haar officiële werkzaamheden immuniteit van jurisdictie, behoudens een aantal daar genoemde uitzonderingen. Onder officiële werkzaamheden moeten blijkens het vierde lid van genoemd artikel die werkzaamheden worden verstaan die strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van de taken van EOO zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag. EOO wijst er op dat in de jurisprudentie van andere lidstaten de immuniteit van jurisdictie in arbeidsgeschillen verschillende malen is bevestigd. [werknemer] betwist dat deze zaak het officiële functioneren van EOO raakt, omdat het hierin gaat om een voormalig werknemer, en bovendien de schade geen verband houdt met de inhoud van het werk, de opgedragen taken of de arbeidsvoorwaarden, maar met de arbeidsomstandigheden.

3.4 Het hof overweegt als volgt.

Tot de geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van de internationale organisatie, behoren naar vaste jurisprudentie in elk geval die arbeidsgeschillen welke kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst werkzaamheden verrichten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van haar taak. Het hof is van oordeel dat het feit dat de vordering van [werknemer] is gestoeld op een aansprakelijkheid van de EOO die voortvloeit uit de voormalige dienstbetrekking tussen haar en [werknemer], voldoende is voor een terecht beroep op immuniteit van de EOO. [werknemer] droeg immers in zijn functie van patentonderzoeker onmiskenbaar bij aan de vervulling van de taken van de EEO, overeenkomstig HR 20 december 1985, NJ 1986,438..

Artikel 20 van het PPI, dat samenwerking van het EOO met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten (waaronder de arbeidsinspectie) voorschrijft, kan hieraan niet afdoen, omdat in deze bepaling niet is te lezen dat bij niet-naleving van deze bepaling de immuniteit dient te worden opgeheven.

3.5 Dit betekent dat aan de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak in beginsel geen rechtsmacht toekomt. Op dit beginsel dient een uitzondering te worden gemaakt indien [werknemer] door de eerbiediging van de hier aan de orde zijnde immuniteit de toegang tot een procedure die een aan artikel 6 EVRM gelijkwaardige bescherming biedt, wordt onthouden.

3.6 Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van het Verdrag kan [werknemer] zijn geschil met de EOO voorleggen aan het Ambtenarengerecht. Dit beroep is slechts ontvankelijk nadat de interne beroepsprocedure (zie rechtsoverweging 2.2) is doorlopen.

3.7 Naar de mening van [werknemer] biedt de procedure bij het Beroepscomité en het Ambtenarengerecht niet een aan artikel 6 EVRM gelijkwaardige bescherming. [werknemer] heeft daartoe onder meer gesteld dat het Beroepscomité bij de feitenvaststelling een onjuist beoordelingskader hanteert waarbij zij de EOO bevoordeelt en het Ambtenarengerecht niet zelf de feiten vaststelt, maar de feitenvaststelling van het - evident niet onafhankelijke - Beroepscomité overneemt tenzij sprake is van een "manifest error". Verder staat het Ambtenarengerecht geen mondelinge behandeling toe.

3.8 Het hof overweegt als volgt.

Blijkens het Statute of the Administrative Tribunal of the International Labour Organization (verder: het Statuut) is het Ambtenarengerecht een van de EOO onafhankelijke organisatie met volledige jurisdictie. Het Statuut en de Rules of the Administrative Tribunal of the International Labour Organisation (verder: de Regeling) voorzien in een procedure die voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [werknemer] heeft ook niet gesteld dat, en zo ja op welke punt, dit niet het geval is. De bezwaren van [werknemer] betreffen – zo begrijpt het hof – dan ook niet het Statuut of de Regeling (de theorie), maar de wijze waarop het Ambtenarengerecht feitelijk functioneert (de praktijk).

3.9 Zo heeft [werknemer] aangevoerd dat het Ambtenarengerecht weliswaar gerechtigd is tot het doen van feitenonderzoek (artikel 11 van de Regeling), maar dat het Ambtenarengerecht feitelijk geen gebruik maakt van deze mogelijkheid. Naar de mening van [werknemer] blijkt uit de uitspraak van 30 januari 2002 nr. 2114 van het Ambtenarengerecht dat het Ambtenarengerecht zichzelf slechts beperkt bevoegd acht de vaststelling van de feiten te herbeoordelen.

3.10 Het hof deelt deze conclusie niet en wijst er daarbij op dat [werknemer] over het hoofd lijkt te zien dat de overwegingen van het Ambtenarengerecht in de door hem genoemde uitspraak zagen op een specifieke situatie, te weten een berisping. Het Ambtenarengerecht overwoog immers: "When the measure takes the form of a reprimand, the Tribunal will exercise a limited power of review. It will not interfere 'unless the measure was taken without authority, or violates a rule of form or procedure, or is based on an error of fact or of law, or if essential facts have not been taken into consideration, or it is tainted with abuse of authority, or if a clearly mistaken conclusion has been drawn from the facts' ". Uit diverse andere uitspraken blijkt dat het Ambtenarengerecht in voorkomende gevallen zelf onderzoek doet en zich zo nodig door een deskundige laat adviseren.

Ook de omstandigheid dat het Ambtenarengerecht in zaken die zich daarvoor lenen (omdat de feiten niet zijn bestreden), de feiten overneemt die door het Beroepscomité zijn vastgesteld, leidt niet tot de conclusie dat het Ambtenarengerecht feitelijk niet als onafhankelijk of niet als onpartijdig kan worden aangemerkt.

Voor het onderhavige geval betekent dit dat geenszins op voorhand vaststaat dat het Ambtenarengerecht geen zelfstandig onderzoek zal doen naar het oorzakelijk verband tussen de arbeidsomstandigheden en de arbeidsongeschiktheid van [werknemer].

3.11 [werknemer] heeft voorts gesteld dat het Ambtenarengerecht niet voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM, omdat het partijen het recht op een mondelinge behandeling stelselmatig ontzegt. Weliswaar volgt uit artikel V van het Statuut dat het Ambtenarengerecht wel de mogelijkheid van een mondelinge behandeling kent, maar dit is theorie. In de praktijk heeft het Ambtenarengerecht sinds 1982 slechts één maal tot een mondelinge behandeling besloten, aldus [werknemer].

3.12 Het hof overweegt als volgt.

Het EOO heeft er terecht op gewezen dat het EOO geen partij is bij het EVRM, zodat geen sprake is van directe gebondenheid aan artikel 6 EVRM. Vereist is slechts dat sprake is van een vergelijkbare rechtsbescherming, hetgeen een minder vergaande toets impliceert. Het EOO heeft er voorts terecht op gewezen dat het uit artikel 6 EVRM volgende recht op een (openbare) hoorzitting niet absoluut is. Op dit recht kan een uitzondering worden gemaakt, bijvoorbeeld als de schriftelijke processtukken de rechter in staat stellen een oordeel te geven over de aan hem voorgelegde zaak. Daarbij speelt ook de voorafgaande interne beroepsprocedure een rol. [werknemer] heeft weliswaar gesteld dat het Ambtenarengerecht verzoeken om een hoorzitting pleegt af te wijzen, maar hij heeft niet gesteld (laat staan onderbouwd) dat het hierbij ging om gemotiveerde verzoeken om een hoorzitting in zaken waarin een hoorzitting wel geïndiceerd was. Ook anderszins is dit niet gebleken. Op deze grond kan naar het oordeel van het hof niet worden geoordeeld dat de procedure voor het Ambtenarengerecht geen aan artikel 6 EVRM vergelijkbare bescherming biedt. Bovendien staat op voorhand niet vast dat [werknemer] – indien hij daarom gemotiveerd verzoekt – niet door het Ambtenarengerecht zal worden gehoord.

3.13 [werknemer] heeft tot slot gesteld dat de eis van vergelijkbare bescherming meebrengt het Ambtenarengerecht is gehouden te toetsen of de interne beroepsprocedure voldoet aan artikel 6 EVRM. Nu vaststaat dat het Ambtenarengerecht deze toets nalaat, is er naar zijn mening geen sprake van een gelijkwaardige procedure.

3.14 Het hof volgt ook hier [werknemer] niet. Artikel 6 EVRM noopt immers niet tot meer dan één rechterlijke instantie met volledige jurisdictie binnen een rechtsgang. Nu het Ambtenarengerecht zelf gelet op het vorenstaande een onafhankelijke en onpartijdige rechter is, die bovendien toetst aan de fundamentele mensenrechten, is aan artikel 6 EVRM voldaan. Dat het Ambtenarengerecht niet rechtstreeks toetst aan artikel 6 EVRM, omdat internationale organisaties daarbij geen partij zijn, doet hieraan niet af.

3.15 Dat de door het Ambtenarengerecht geboden rechtsbescherming slechts illusoir is, is gelet op het vorenstaande niet gebleken. [werknemer] kan daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat van hem niet kan worden geëist dat hij de voor hem openstaande procedure bij het Ambtenarengerecht eerst doorloopt.

3.16 [werknemer] heeft niet ontkend dat de procedure bij het Beroepscomité en het Ambtenarengerecht toegankelijk en laagdrempelig is. Voor zover hij meent dat deze toch geen effectieve rechtsbescherming biedt vanwege de gesteld te lange duur van de rechtsgang overweegt het hof, dat een klacht over "undue delay" er niet zonder meer toe leidt dat niet meer van een effectieve rechtsgang kan worden gesproken. Thans valt niet in te zien dat met een procedure voor het Ambtenarengerecht zoveel tijd gemoeid zal zijn dat het [werknemer] aan een effectieve rechtsbescherming ontbreekt.

3.17 De slotsom moet dan ook zijn dat er voor [werknemer] een effectieve rechtsgang open staat, dan wel heeft open gestaan. EOO heeft dan ook terecht een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [werknemer] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kostenveroordeling zal, zoals door EOO gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 3 augustus 2006 door de rechtbank 's Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt [werknemer] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van EEO begroot op € 2.930,- (waarvan € 248, - voor griffierecht en € 2.682,- voor salaris procureur);

- verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.J. van der Ven en J.W. van Rijkom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2007 in bijzijn van de griffier.