Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5863

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
2200053307
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

promis-bewijsmotivering; mishandeling bewezen, verdachte niet strafbaar, ovar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000533-07

Parketnummer: 12-708260-06

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van

29 januari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1951,

[adres],

waarbij verdachte – kort weergegeven – ter zake van mishandeling is veroordeeld tot een geldboete van

EUR 220,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 september 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, subsidiair dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Vaststaande feiten

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het strafdossier – staat naar het oordeel van het hof het volgende vast.

- Verdachte bevond zich op 4 augustus 2006 in een vakantiewoning te Burgh-Haamstede, alwaar aangeefster, haar schoonzus [A], langskwam om te praten met de echtgenoot van verdachte over de erfenis van hun vader1;

- Verdachte zat tijdens dat gesprek op de bank, terwijl aangeefster aan de eettafel zat met haar broer, de echtgenoot van verdachte2;

- Aangeefster is vervolgens naar verdachte gegaan3;

- Verdachte heeft aangeefster vastgepakt en haar aan haar hoofdharen getrokken4;

- Aangeefster heeft ten gevolge van dit voorval pijn ondervonden5;

- Burgh-Haamstede ligt in de gemeente Schouwen-Duiveland6.

Verweer met betrekking tot vrijspraak

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte aangeefster alleen bij haar haren heeft vastgehouden en niet aan haar haren heeft getrokken, zodat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt betrokken dat verdachte opzettelijk mishandelend aan de haren van aangeefster heeft getrokken, waardoor zij, aangeefster, pijn heeft ondervonden. De verdachte heeft aangeefster derhalve mishandeld, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt omtrent het vorenstaande dat verdachte zelf - blijkens bovenvermelde vaststaande feiten – heeft verklaard dat zij aangeefster aan haar haren heeft getrokken. Het hof verwerpt het verweer derhalve.

Bewezenverklaring

Het hof acht, op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bovenvermelde gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe is primair aangevoerd dat er in de onderhavige zaak sprake is van noodweer, nu aangeefster verdachte onverwacht aanviel, verdachte geen kant op kon en zij zich derhalve genoodzaakt zag zich tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te verweren.

Subsidiair bepleit de raadsvrouw dat, indien verdachte aangeefster te lang bij haar haren heeft vastgehouden, er op voormelde gronden sprake is van noodweerexces.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt betrokken dat er in de onderhavige zaak geen sprake was van noodweer, omdat de verdachte, toen eenmaal duidelijk was dat aangeefster niets meer kon doen, de haren van aangeefster vast bleef houden en er aldus geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Nu de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, dient tevens het beroep op noodweerexces te worden verworpen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is – voor zover thans van belang – het volgende gebleken.

Verdachte bevond zich zittend op de bank, terwijl aangeefster met verdachtes echtgenoot in gesprek was, zittende aan de eettafel.

Aangeefster stond op enig moment op, ging naar verdachte toe en begon op verdachte in te slaan. Om zich te verdedigen heeft verdachte – nog zittend op de bank - aangeefster vastgepakt teneinde haar te doen ophouden.

Op enig moment heeft verdachte aangeefster vastgepakt bij haar haren, waardoor aangeefster ophield met het slaan van verdachte. Verdachte bleef aangeefster aan haar haren vasthouden uit angst om opnieuw geslagen te worden door aangeefster.

De geschetste gang van zaken blijkt uit de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Dat ook aangeefster zich niet onbetuigd heeft gelaten leidt het hof af uit de bij de politie afgelegde verklaring van de echtgenoot van aangeefster, [naam echtgenoot aangeefster] die heeft verklaard gezien te hebben dat ook zijn echtgenote met haar handen naar verdachte greep.

Naar het oordeel van het hof is, gelet op de hierboven vermelde vaststaande feiten, bewezen dat de verdachte zich in een situatie bevond, waarin de verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke gewelddadige aanranding door aangeefster geboden was. Verdachte heeft echter de door haar gehanteerde verdedigingswijze disproportioneel in de vastgestelde situatie toegepast, door langer aan de haren van aangeefster te trekken dan nodig was.

Naar het oordeel van het hof is echter aannemelijk dat deze overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging van de verdachte die door het jegens haar door aangeefster toegepaste geweld is veroorzaakt. Aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld uit angst dat het reeds tegen haar gepleegde geweld zou voortduren, dat zij er niet tegen opgewassen was en dat zij er niet aan kon ontkomen. Het hof heeft met name in zijn overweging betrokken dat verdachte op haar vakantieadres is aangevallen op een moment dat zij zich – zittend op een bank – moeilijk kon verweren. Het beroep op noodweerexces zal derhalve worden toegewezen.

De verdachte is naar het oordeel van het hof niet strafbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde en ontslaat deze van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. M.F.L.M. van der Grinten, in bijzijn van de griffier mr. I. Appel.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 oktober 2007.

Mrs. W.P.C.M. Bruinsma en M.F.L.M. van der Grinten zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Zie de pagina met dossierpaginanummer 42 van het door M.H.W. Kuijpers, hoofdagent van de politie Zeeland, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 5 augustus 2006.

2 Zie noot 1.

3 Zie de pagina met dossierpaginanummer 23 van het door D.C.E. Moerman, rechercheur A van de politie Zeeland, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 5 augustus 2006.

4 Zie noot 1.

5 Zie noot 3.

6 Zie de pagina met dossierpaginanummer 7 van het door J. Eertink, brigadier van de politie Zeeland, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 6 augustus 2006.