Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5754

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
R07/559
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op Hoge Raad 20 april 2007 (LJN AZ7625) en Hof Amsterdam 30 mei 2006 (LJN AY7967). geding na verwijzing door Hoge Raad. beënidiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei". toerekenbare tekortkomingen inspanningsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 oktober 2007

Rekestnummer: R07/559

Rekestnummer rechtbank: 02/453 R

Rekestnummer hof Amsterdam: 06/0417

Rekestnummer Hoge Raad: R06/069HR

HET GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE,

tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[SCHULDENARES],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [schuldenares],

procureur: mr. V.K.S. Budhu Lall.

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 maart 2006 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [schuldenares] beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 mei 2006 in het door [schuldenares] ingestelde hoger beroep dit vonnis bekrachtigd. Tegen het arrest van het hof heeft [schuldenares] beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 20 april 2007 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof 's-Gravenhage.

Bij brief van 20 april 2007, ingekomen ter griffie van het hof op 23 april 2007, heeft de griffier van de Hoge Raad een grosse van het arrest van 20 april 2007 met relevante stukken uit de procedure in cassatie aan het hof gezonden.

Op verzoek van de griffier van het hof heeft de bewindvoerder, G.J. van Rossen van Modus Vivendi B.V., het hof per fax van 3 oktober 2007 kopieën toegezonden van zijn aan het Amsterdamse hof gerichte brief met bijlagen van 5 april 2006.

Bij faxbericht van 5 oktober 2007 heeft de procureur van [schuldenares] het hof notities ten behoeve van de mondelinge behandeling gezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007, waarbij [schuldenares] is verschenen, vergezeld van de tolk [tolk] en bijgestaan door haar procureur, alsmede de bewindvoerder.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het vonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat [schuldenares] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen - met name de inlichtingenplicht en de inspanningsplicht - niet naar behoren is nagekomen, dat die tekortkomingen haar toe te rekenen zijn en niet buiten beschouwing kunnen blijven en dat die tekortkomingen zodanig ernstig zijn dat beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei gerechtvaardigd is.

2. Het Amsterdamse hof heeft in zijn arrest van 30 mei 2006 geoordeeld dat - wat er ook zij van de problemen die [schuldenares] ondervindt met de Nederlandse taal en een gebrek aan werkervaring - zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de van haar te verwachten actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Voorts heeft het hof geoordeeld dat [schuldenares] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar inspannings- en informatieverplichting, waarbij niet gebleken is van omstandigheden waardoor die tekortkomingen haar niet kunnen worden verweten, terwijl het hof evenmin van oordeel is dat de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn. Vervolgens heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3. Tegen voormeld arrest heeft [schuldenares] vier cassatiemiddelen ingesteld. In zijn arrest van 20 april 2007 heeft de Hoge Raad (naar aanleiding van middel II) geoordeeld dat door [schuldenares] terecht is geklaagd dat het Amsterdamse hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Noch uit de brief van de bewindvoerder van 5 april 2006 zelf, noch uit het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door het hof op 28 april 2006, noch uit het arrest van het hof, valt af te leiden dat de bewindvoerder kopieën van zijn verslag met bijlagen heeft toegezonden aan verzoekster of haar raadsman, of dat [schuldenares] ter zitting van het hof gelegenheid heeft gekregen van dat verslag kennis te nemen en daarop te reageren. Daarom is aannemelijk dat [schuldenares] het verslag niet kende en geen gelegenheid heeft gekregen haar standpunt ten aanzien daarvan aan het hof kenbaar te maken. De overige cassatiemiddelen zijn door de Hoge Raad niet behandeld. Vervolgens heeft de Hoge Raad de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

4. De raadsvrouw van [schuldenares] heeft in haar notitie ten behoeve van de mondelinge behandeling verwezen naar de in cassatie aangevoerde middelen en daarbij betoogd dat de door de Hoge Raad inhoudelijk niet beoordeelde middelen bij de nieuwe feitelijke beoordeling in dit hoger beroep aan de orde kunnen komen.

5. Ter zitting van het hof hebben [schuldenares] en de bewindvoerder hun standpunten toegelicht, waarbij onder meer nog het volgende is aangevoerd.

De raadsvrouw van [schuldenares] heeft het hof verzocht haar notitie voor de mondelinge behandeling als ingevoegd te beschouwen. Volgens [schuldenares] is het verslag van de bewindvoerder van 5 april 2006 tegenstrijdig met hetgeen de bewindvoerder ter zitting van het Amsterdamse hof naar voren heeft gebracht. Met name in verband met het feit dat de schuldsaneringsregeling van de echtgenoot van [schuldenares] wel werd beëindigd met een schone lei heeft de bewindvoerder toen gezegd: "samen uit, samen thuis", waaruit [schuldenares] heeft afgeleid dat de bewindvoerder het hof alsnog heeft geadviseerd ook haar de schone lei te verlenen.

In reactie hierop heeft de bewindvoerder - kort samengevat - toegelicht dat hij met zijn opmerking "samen uit, samen thuis" bedoeld heeft dat naar zijn mening op basis van zijn eindverslag aan de rechtbank ook de schuldsaneringsregeling van de echtgenoot van [schuldenares] beëindigd had moeten worden zonder toekenning van de schone lei. Voorts heeft de bewindvoerder benadrukt dat [schuldenares] op de hoogte moet zijn geweest van haar sollicitatieplicht omdat zij bij verschillende gelegenheden - reeds bij de behandeling van het toelatingsverzoek bij de rechtbank, bij het huisbezoek van de bewindvoerder en nadien herhaaldelijk in brieven - is gewezen op haar sollicitatie- en informatieplicht.

6. Het hof stelt voorop dat de regel van artikel 424 Rv er in beginsel aan in de weg staat dat na verwijzing door de Hoge Raad de rechtsstrijd kan worden uitbreid door nieuwe feiten te stellen en/of een nieuwe grondslag te geven aan de vordering die in feitelijke aanleg was ingesteld. Na verwijzing heeft het hof de zaak te beoordelen in de stand van het hoger beroep, zodat de in cassatieberoep aan de orde gestelde middelen - voor zover deze nieuwe feitelijke grieven en bezwaren aanvoeren - slechts beoordeeld kunnen worden met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. Niettemin zal het hof (ten overvloede) enige overwegingen wijden aan de overige aangevoerde middelen.

7.1. De kern van de zaak na verwijzing is dat het Amsterdamse hof [schuldenares] niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het verslag van de bewindvoerder, dat mogelijk mede bepalend is geweest voor het bestreden oordeel van dat hof. De bewindvoerder heeft in zijn brief (met bijlagen) van 5 april 2006 naar aanleiding van de door [schuldenares] aangevoerde gronden gemotiveerd toegelicht waarom de rechtbank naar zijn mening op de juiste gronden vonnis heeft gewezen. De bewindvoerder is daarbij uitgebreid ingegaan op het herhaaldelijk bij [schuldenares] onder de aandacht gebrachte belang van het verwerven van inkomsten ten behoeve van de schuldeisers, de noodzakelijke inspanningen om betaald werk te vinden en aantoonbaar te solliciteren - zonodig met behulp van haar schoolgaande kinderen en in combinatie met het zoeken naar kinderopvang - en de bewindvoerder te informeren over haar activiteiten.

7.2. In haar cassatieverzoek en na verwijzing door de Hoge Raad heeft [schuldenares] benadrukt dat haar, gezien haar geringe opleiding, het taalprobleem en de zorg voor haar jonge kind (mede gelet op het ontbreken van de mogelijkheden van kinderopvang op tijden waarop werk in de tuinbouw of in de schoonmaak kan worden verricht), alsmede de omstandigheid dat uitzendbureaus geen bewijzen van inschrijving geven, niet kan worden verweten dat zij geen sollicitatiebewijzen heeft overgelegd. Voorts heeft zij aangevoerd dat moeders met jonge kinderen door de sociale dienst worden vrijgesteld van de sollicitatieplicht en dat die omstandigheid moet worden meegewogen bij de beoordeling van de toerekenbare tekortkoming in het kader van artikel 354 Fw.

7.3. Bij de beoordeling van deze klacht stelt het hof voorop dat van de schuldenaar, die tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten, mag worden verlangd dat hij zich tot het uiterste inspant om - door het verwerven van inkomsten via een volledige baan - af te dragen aan de boedel om zijn schuldeisers zo veel mogelijk te voldoen. Als de schuldenaar geen werk heeft en niet arbeidsongeschikt is, dient hij zich tot het uiterste in te spannen om betaald werk te vinden. Hij dient voorts de bewindvoerder, gevraagd en ongevraagd, op de hoogte te houden van zijn sollicitatieactiviteiten. Deze inspanningsplicht is een van de kernverplichtingen in de schuldsaneringsregeling. Niet nakoming daarvan kan leiden tot tussentijdse beëindiging van de regeling of beëindiging van de regeling zonder toekenning van de schone lei.

7.4. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het beeld naar voren dat [schuldenares] haar activiteiten ten aanzien van haar inspanningsplicht op zijn beloop gelaten heeft en ook niet de moeite heeft genomen de bewindvoerder in te lichten over de door haar ondervonden problemen om betaald werk te vinden, dit ondanks het feit dat de bewindvoerder bij herhaling heeft verzocht om informatie over haar sollicitatieactiviteiten. Pas achteraf heeft [schuldenares] argumenten aangevoerd voor haar geringe activiteiten ten aanzien van de hiervoor bedoelde inspanningsplicht.

7.5. Het hof oordeelt dat de door [schuldenares] achteraf aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen om haar tekortkomingen met betrekking tot het niet nakomen van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet toerekenbaar te achten of deze vanwege hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing te laten, alleen al vanwege het feit dat de tekortkomingen betrekking hebben op de meest elementaire verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Daarbij wordt overwogen dat de zorg voor haar jonge kind (en de inwonende kinderen uit het eerdere huwelijk van haar echtgenoot) haar niet ontslaat van haar inspanningsplicht. De verwijzing naar een mogelijke vrijstelling van de sollicitatieplicht voor moeders met jonge kinderen in het kader van de WWB is niet van belang, omdat de Wsnp een ander stelsel bevat, waarbij de nadruk ligt op het verkrijgen van inkomsten ten behoeve van de schuldeisers. Niet is gebleken dat [schuldenares] een verzoek aan de rechter-commissaris heeft gedaan om haar geheel of ten dele van die plicht vrij te stellen. Deze klacht kan derhalve niet leiden tot een andere afweging in het kader van artikel 354 Fw.

8. [schuldenares] heeft (in cassatiemiddel I) voorts betoogd dat door haar tekortkomingen de boedel niet is benadeeld. Op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal mr. F.F. Langemeijer (punten 20 tot en met 24) voor het arrest van de Hoge Raad dient deze klacht te worden verworpen. Het hof voegt daaraan nog toe dat door het (nagenoeg volledig) nalaten van actief solliciteren - met het excuus van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, haar gebrek aan opleiding en werkervaring en de zorg voor haar kinderen - [schuldenares] haar kansen op de arbeidsmarkt niet, althans onvoldoende heeft benut. Niet uitgesloten moet worden geacht dat [schuldenares] bij een voldoende actief zoeken naar betaald werk dat ook gevonden zou kunnen hebben en zodoende had kunnen bijdragen aan een tegemoetkoming voor de schuldeisers. Het moet er voor worden gehouden dat de boedel wel is benadeeld.

9. In middel III heeft [schuldenares] gesteld dat de bewindvoerder ter zitting van het Amsterdamse hof een wezenlijk ander standpunt heeft ingenomen dan in zijn verslag, hetgeen voor het hof reden had moeten zijn voor een nadere motivering.

Ter zitting bij dit hof is gebleken dat de bewindvoerder het Amsterdamse hof geenszins - in afwijking van zijn eerdere schriftelijke advies - heeft geadviseerd [schuldenares] alsnog de schone lei te verlenen. Ook blijkens het proces-verbaal van de zitting op 28 april 2006 heeft de bewindvoerder bevestigd dat hij het hof een negatief advies geeft. Dat hij daarbij enkele nuanceringen heeft gegeven, doet daar niet aan af.

9. Voor zover [schuldenares] met middel IV heeft willen betogen dat de schulden, waarvoor toelating tot de schuldsaneringsregeling werd verzocht, grotendeels zijn ontstaan voordat zij met haar echtgenoot in het huwelijk trad, is het hof van oordeel dat [schuldenares] door haar verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling heeft aanvaard dat zij zou moeten voldoen aan de zware verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Dat de schulden voor een groot deel zijn ontstaan tijdens het eerdere huwelijk van haar echtgenoot, vormt voor [schuldenares] geen rechtvaardiging om de verplichtingen die uit de schuldsanering voortvloeien te negeren. Het hof ziet daarin dan ook geen aanleiding om de ernstige tekortkomingen bij het naleven van de inspanningsplicht buiten beschouwing te laten.

10. Er zijn voorts onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat beëindiging van de schuldsaneringsregeling met toekenning van de schone lei niettemin gerechtvaardigd is.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 maart 2006 dient te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 maart 2006.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H.P.Ch. van Dijk en A.J. Berends, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2007 in aanwezigheid van de griffier.