Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5685

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
2200258507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk een hoeveelheid van 119 gram heroïne en een hoeveelheid van 70 gram cocaïne aanwezig gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002585-07

Parketnummer(s): 09-535648-06

Datum uitspraak: 20 september 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 1 mei 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 september 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het onrechtmatig verkregen materiaal van het bewijs moet worden uitgesloten.

De raadsman heeft in dit verband het volgende aangevoerd.

Blijkens de uitdraai uit het meldingssysteem van de instantie Meld Misdaad Anoniem (proces-verbaal pagina 8) is op 28 oktober 2006 aldaar een anonieme melding binnengekomen inhoudende dat in het huis van [naam verdachte fonetisch] op de [adres B] 120 stuks uzi’s zouden liggen en dat op die datum een deal zou plaatsvinden.

Op basis van deze melding is de politie binnengetreden in de woning van de verdachte [verdachte] op de [adres verdachte] om te zoeken naar genoemde wapens (proces-verbaal pagina 10).

Blijkens de uitdraai uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [woonplaats verdachte], zoals vermeld op pagina 53 van het proces-verbaal, woonde er op 28 oktober 2006 op het adres [adres B] een persoon genaamd [pers[persoon B]]

De naam [naam verdachte fonetisch] komt volgens de raadsman niet overeen met de naam van de verdachte, die bovendien niet op nummer twintig woonde. Daarom waren er volgens de raadsman onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig om het binnentreden bij de verdachte op [adres verdachte] te rechtvaardigen.

Een en ander leidt volgens de raadsman primair tot de conclusie dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte dient te zijn of er sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Naar het oordeel van het hof komt [naam verdachte fonetisch] zoals fonetisch vermeld in de uitdraai van meerbedoeld meldinggsysteem qua klank zeer wel overeen met de naam van de verdachte, terwijl bovendien op het adres Jozefstraat nummer 20 een persoon genaamd [persoon B] – een naam die qua klank juist geenszins overeenstemt met de naam van de verdachte, die op [adres verdachte] woont - woonachtig bleek te zijn. Mede gelet op de aard van de informatie waren er naar het oordeel van het hof voldoende feiten en omstandigheden aanwezig voor een redelijke verdenking en acht het hof het binnentreden bij de verdachte op [adres verdachte] rechtmatig.

Derhalve kan niet worden gezegd dat door het handelen van de politie sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals hiervoor bedoeld.

Het bovenstaande brengt tevens mee, dat er geen gronden zijn voor bewijsuitsluiting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het opzet van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 30 op 31 oktober 2006 in de slaapkamer in het pand aan de [adres verdachte], waar de in de bewezenverklaring genoemde heroïne en cocaïne werd aangetroffen, heeft verbleven. Het hof heeft, gelet op de verklaring van de verdachte terzake en de verklaring van zijn moeder (dossierpagina 31), geen aanwijzingen gevonden om te veronderstellen dat behalve de verdachte ook anderen gebruik maakten van die slaapkamer.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 22) werden in deze kamer naast de genoemde harddrugs tevens mesjes aangetroffen met sporen van wit poeder op het lemmet, alsmede zakjes – kennelijk bestemd om deze drugs in te verpakken - en een grote hoeveelheid geld.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het feit dat de verdachte geen redelijke verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van de aangetroffen goederen en het aangetroffen geld, kan het naar ’s hofs oordeel niet anders zijn dan dat de aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen aan de verdachte toebehoorden en dat de verdachte dus wist van de aanwezigheid van de heroïne en cocaïne.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft opzettelijk een hoeveelheid van 119 gram heroïne en een hoeveelheid van 70 gram cocaïne aanwezig gehad. Het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen begunstigt de productie en de verspreiding ervan, hetgeen leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 augustus 2007, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van het inbeslaggenomene zal beslissen overeenkomstig het vonnis van de eerste rechter.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten. Het hof acht aannemelijk geworden dat dit geldbedrag van € 880,=, dat tezamen met de in de bewezenverklaring genoemde verdovende middelen in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen aan hem toebehoort en - nu niet is gebleken van inkomsten uit een andere (legale) bron - en een indicatie vormt dat verdachte verdovende middelen verhandelde.

Het hof heeft rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder 2 tot en met 10 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen naar het oordeel van het hof te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: het geldbedrag vermeld onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen vermeld onder 2 tot en met 10 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. A.G. Korvinus, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 september 2007.