Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB4930

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
C04/1622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroepsziekte, asbestose,

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/179
NJF 2007, 507

Uitspraak

Uitspraak: 31 augustus 2007

Rolnummer: 04/1622

Rolnummer rechtbank: 03-2251

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

1. [DE ECHTGENOTE],

wonende te [woonplaats],

2. [DOCHTER 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [X],

3. [Dochter 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [Y],

appellanten,

hierna te noemen: [de erven],

procureur: mr. J.M.M. Brouwer,

tegen

KONINKLIJKE SCHELDE GROEP B.V.,

gevestigd te Vlissingen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De Schelde,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 16 augustus 2004 zijn [de erven] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 mei 2004 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen tussen partijen. [de erven] hebben bij memorie van grieven tevens vermeerdering van eis (met producties) vijf grieven aangevoerd, die door De Schelde bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [de erven] zijn respectievelijk de weduwe en de dochters van [de overledene], geboren op 16 februari 1936 en overleden op 12 februari 1994 (verder te noemen: [de overledene]).

2.2 [de overledene] is van 1951 tot 1954 en van 1958 tot 1961 als constructiewerker in loondienst geweest bij De Schelde. Hij verrichtte werkzaamheden aan boord van schepen.

2.3 In de zomer van 1993 kreeg [de overledene] buikklachten. Na een punctie op 21 september 1993 in het ziekenhuis Walcheren werd de diagnose mesothelioom gesteld. Van deze ziekte is slechts één oorzaak bekend: het inademen van asbeststof. Aan de gevolgen van deze ziekte is [de overledene] op 57 jarige leeftijd overleden.

2.4 Op 14 januari 1994, dus kort voor zijn overlijden, heeft [de overledene] De Schelde aansprakelijk doen stellen voor zijn schade voortvloeiend uit de blootstelling aan asbest. De verzekeraar van De Schelde, Royal Nederland, heeft hierop geantwoord dat het resultaat van twee lopende procedures moest worden afgewacht. Bij brief van 10 december 1996 is namens [de erven] gerappelleerd, waarop Royal Nederland bij brief van 13 december 1996 aan [de erven] heeft bericht dat zij de claim niet in behandeling kan nemen, omdat de vordering tot schadevergoeding is verjaard.

2.5 Bij brief van 22 mei 1997 heeft de gemachtigde van [de erven] aan De Schelde doen verzoeken te bevorderen dat de claim alsnog in behandeling wordt genomen. Royal Nederland heeft hierop bij brief van 3 juli 1997 laten weten dat zij haar beroep op verjaring handhaaft.

2.6 Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 in de zaak van de erven Van Hese/De Schelde (NJ 2000/430) heeft de gemachtigde van [de erven] bij brief van 29 augustus 2000 aan Royal Nederland geschreven dat het beroep op verjaring niet langer houdbaar is. Royal Nederland (inmiddels genaamd Allianz Royal Nederland) heeft hierop [de erven] verzocht om een nadere onderbouwing van het standpunt dat een beroep op verjaring in deze zaak onaanvaardbaar is. De gemachtigde van [de erven] heeft daarna bij brieven van 13 september 2002 en van 6 februari 2003 de verzekeraar van De Schelde nogmaals verzocht de schade te vergoeden.

2.7 Op 8 augustus 2003 zijn [de erven] tot dagvaarding van De Schelde overgegaan en hebben – na wijziging van eis – betaling gevorderd van een bedrag van € 55.630,--, vermeerderd met wettelijke rente als vergoeding van immateriële schade van [de overledene] alsook vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 468,39.

2.8 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [de erven] afgewezen.

3. In hoger beroep hebben [de erven], onder verwijzing naar de door het Instituut voor Asbestslachtoffers gehanteerde standaardbedragen, haar eis vermeerderd. Zij vorderen thans een schadevergoeding van € 61.000,--. De Schelde verweert zich tegen de vordering met een beroep op de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310, lid 2 BW.

4.1 Het hof overweegt als volgt.

In zijn arrest van 28 april 2000, C98/363, NJ 2000, 430 (de erven Van Hese-De Schelde) heeft de Hoge Raad in beginsel mogelijk geacht dat ook een beroep op de objectieve verjaringstermijn van, in dat geval 30 jaren, in uitzonderlijke gevallen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Of dat in een concreet geval inderdaad zo uitzonderlijk is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van dat geval moeten worden beoordeeld. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen:

a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te weren;

f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis deze gezichtspunten betrokken bij haar beoordeling en getoetst of een beroep op verjaring van De Schelde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartegen hebben [de erven] geen bezwaar. De grieven van [de erven] zien met name op de wijze waarop de rechtbank de gezichtspunten (met uitzondering van gezichtspunten b) en f)) heeft gewogen en de conclusie die zij daaraan heeft verbonden. Het hof zal hierna op de verschillende gezichtspunten ingaan.

4.2 Met betrekking tot gezichtspunt a) heeft de rechtbank overwogen dat het in deze zaak grotendeels gaat om vergoeding van immateriële schade die ten goede zou moeten komen aan de nabestaanden, en heeft deze van minder belang geacht dan een schadevergoeding waarvan het slachtoffer zelf nog had kunnen profiteren. [de erven] hebben er op gewezen dat [de overledene] zelf nog aanspraak heeft gemaakt op deze schadevergoeding. Zij menen verder dat het feit dat [de overledene] niet zelf kan beschikken over de uitkering niet in hun nadeel kan werken, omdat de aansprakelijke partij er anders belang bij zou hebben om de betaling van een schadevergoeding aan een slachtoffer te vertragen totdat deze is overleden. Voorts menen zij dat het feit dat zij hebben ingestemd met het afwachten van de uitkomst van de proefprocedures, hen thans niet verweten kan worden.

4.3 Het hof overweegt dat wat hier ook van zij, de omstandigheid dat [de erven] voornamelijk immateriële schade claimen, evenmin in hun voordeel kan werken. Daarnaast staat gelet op de gewijzigde eis vast, dat [de erven] geen vergoeding op grond van artikel 6:108 BW vorderen wegens het derven van levensonderhoud.

4.4 Met betrekking tot gezichtspunt c) heeft de rechtbank overwogen dat indien hetgeen [de erven] hebben gesteld omtrent de arbeidsomstandigheden van [de overledene] bij De Schelde juist is – De Schelde heeft een en ander betwist – aan De Schelde een verwijt kan worden gemaakt voor het nalaten van het nemen van veiligheidsmaatregelen die vereist waren met het oog op de destijds bekende gevaren van asbestose en longkanker. Dit brengt met zich dat zij ook aansprakelijk kan worden gehouden voor het destijds nog geheel onbekende gevaar van mesothelioom. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een ernstig verwijt, dat kan leiden tot het doorbreken van de verjaring. [de erven] hebben hiertegen aangevoerd dat nu het ontbreken van veiligheidsmaatregelen heeft geleid tot de buitengewoon ernstige en fatale zieke mesothelioom, niet valt in te zien dat een dergelijk verwijt niet ernstig zou zijn.

4.5 Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de werkgever een verwijt kan worden gemaakt niet voldoende is om dit gezichtspunt c) te doen doorslaan ten faveure van het slachtoffer. Zonder schending van de zorgplicht kan immers geen sprake zijn van aansprakelijkheid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in dit geval – indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de door [de erven] gestelde arbeidsomstandigheden – geen sprake is van een zodanig ernstig verwijt dat dit zou moeten leiden tot doorbreking van de verjaring. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat door De Schelde onweersproken is gesteld dat de relatie tussen mesothelioom en asbest in Nederland indertijd nog niet bekend was, en dat het destijds nog niet gebruikelijk was ten aanzien van asbest veiligheidsmaatregelen te treffen. Hieraan kan niet af doen dat mesothelioom een buitengewoon ernstige en fatale ziekte is.

4.6 Met betrekking tot de gezichtspunten d) en e) heeft de rechtbank overwogen dat het dienstverband met [de overledene] reeds in 1961 was geëindigd en dat De Schelde op dat moment redelijkerwijs nog geen rekening hoefde houden met aansprakelijkheid wegens asbestziekten, zodat zij toen nog geen bewijs hoefde te verzamelen. De rechtbank achtte het aannemelijk dat De Schelde geen gegevens heeft bewaard omtrent de specifieke arbeidsomstandigheden van [de overledene], waardoor zij thans ernstig is beperkt in haar mogelijkheden zich tegen de vordering te verweren. Dit pleit tegen doorbreking van de verjaring. [de erven] hebben tegen deze overwegingen van de rechtbank ingebracht dat De Schelde vanaf de intrekking van de Ongevallenwet in 1967 rekening moesten houden met aansprakelijkheid en dat tot de invoering van het Nieuw BW in 1992 het ontstaan van de schade bepalend was voor de aanvang van de verjaringstermijn, zodat de vordering niet zou zijn verjaard. Vanuit deze optiek bestond voor De Schelde aanleiding tijdig relevante gegevens te verzamelen en te bewaren.

4.7 Het hof overweegt als volgt.

De omstandigheid dat De Schelde vanaf het verschijnen van het proefschrift van Stumphius in 1969 rekening had moeten houden met aansprakelijkheid verandert niets aan het feit dat het dienstverband met [de overledene] toen al acht jaar was geëindigd. De vordering tot schadevergoeding volgde nog veel later, pas 32 jaar na het einde van het dienstverband. Door dit tijdsverloop is het niet alleen lastiger geworden voor [de erven] de relevante feiten (de door hen geschetste arbeidsomstandigheden van [de overledene] bij De Schelde) te bewijzen. Ook het verweer van De Schelde is hierdoor bemoeilijkt, hetgeen zwaar dient te wegen.

4.8 Met betrekking tot gezichtspunt g) heeft de rechtbank overwogen dat [de overledene] binnen redelijke termijn nadat bij hem de diagnose mesothelioom was gesteld De Schelde aansprakelijk heeft doen stellen. Het instellen van de rechtvordering heeft daarna ruim negeneneenhalf jaar op zich doen wachten, hetgeen de rechtbank – alle specifieke omstandigheden van het onderhavige geval in aanmerking nemend – niet binnen een redelijke termijn achtte. [de erven] hebben hiertegen in gebracht dat er weliswaar tijd verstreken is voordat de procedure daadwerkelijk werd begonnen, maar dat daardoor noch De Schelde, noch haar verzekeraar is benadeeld. [de erven] hebben door middel van de in rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.6 genoemde brieven duidelijk kenbaar gemaakt dat aanspraak werd gemaakt op schadevergoeding.

4.9 Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot gezichtpunt g) en maakt deze tot de zijne. Niet valt in te zien waarom [de erven], nadat de Hoge Raad op 28 april 2000 uitspraak had gedaan in de zaak van de erven Van Hese tegen De Schelde, nog ruim drie jaar hebben gewacht (namelijk tot 8 augustus 2003) alvorens de onderhavige procedure te starten en hun visie te geven op de diverse gezichtspunten, hoewel De Schelde al bij brief van (waarschijnlijk, gelet op de daarop gestempelde datum van ontvangst) 1 of 2 september 2000 om een nadere onderbouwing had verzocht. Het valt immers niet in te zien dat [de erven] het oordeel van dit hof over de verschillende gezichtspunten in de zaak de erven Van Hese/De Schelde nodig had, voor een (eerste) onderbouwing van haar standpunt in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft dit gezichtspunt zwaar laten wegen, hetgeen niet alleen naar het oordeel van het hof, maar ook volgens het door [de erven] aangehaalde artikel van mr. Smeehuijzen (AV&S, april 2005, pag. 49 ev.) terecht is.

4.10 Alles bij elkaar genomen is het hof met de rechtbank van oordeel dat hetgeen voor doorbraak van de verjaringstermijn pleit te weinig gewicht in de schaal legt ten opzichte van datgene dat daartegen pleit (met name de gezichtspunten e) en g)). Het vorenstaande maakt in onderlinge samenhang bezien, dat niet kan worden geoordeeld dat met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval een beroep van De Schelde op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het bestreden vonnis dient daarom te worden bekrachtigd. [de erven] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kostenveroordeling zal – zoals door De Schelde gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 17 mei 2004 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt [de erven] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Schelde begroot op € 1.135,- (waarvan € 241, - voor griffierecht en € 894,- voor salaris procureur);

- verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, A.H. de Wild en T.L. Tan en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2007 in bijzijn van de griffier.