Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB4662

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
0975000606
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst in hoger beroep de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van de verdachte, van wie wordt aangenomen dat hij leider van de Filippijnse Communisten Partij (CPP) is, af. Evenals de rechtbank acht het hof de voor toepassing van voorlopige hechtenis vereiste ‘ernstige bezwaren’ tegen de verdachte niet aanwezig. Het hof heeft wel vastgesteld dat het dossier talrijke aanwijzingen bevat dat de verdachte gedurende zijn verblijf in Nederland een prominente rol binnen de CPP is blijven vervullen. Het hof vindt die positie van de verdachte binnen die partij in zijn algemeenheid (nog) niet voldoende voor het vaststellen van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid m.b.t. moordaanslagen in 2003 en 2004 in de Filippijnen op enkele dissidente leden van die partij. In het dossier ontbreekt een voldoende concrete aanwijzing dat ten aanzien van de verdachte een voor enige vorm van daderschap vereist rechtstreeks verband met de moordaanslagen kan worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raadkamer

Gerechtshof te ’s-Gravenhage

Parketnummer: 09-750006-06

Gezien de akte van de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 13 september 2007 waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen

Naam [verdachte],

Geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Filippijnen),

adres [adres]

hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 13 september 2007, inhoudende de afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot gevangenhouding van de verdachte en de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Gezien de beschikking waarvan beroep en de stukken van het dossier.

Ter niet-openbare raadkamerzitting van 26 september 2007 zijn gehoord de advocaat-generaal mr. Van Die en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman, mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam.

De verdachte wordt verdacht van het medeplegen, dan wel uitlokken, in Nederland van de moord op slachtoffer 1 op 23 januari 2003 (feit 1) en/of slachtoffer 2 en/of slachtoffer 3 op 26 september 2004 (feit 3) en de poging daartoe op slachtoffer 4 en/of slachtoffer 5 op 23 januari 2003 (feit 2), gepleegd op de Filippijnen. De verdachte zou volgens het openbaar ministerie een invloedrijke rol hebben (gespeeld) binnen de Communistische Partij van de Filippijnen (CPP) - en binnen andere organen van die partij - en uit dien hoofde opdracht tot de hierboven vermelde feiten hebben gegeven of die feiten hebben uitgelokt.

Ernstige bezwaren

Het hof dient de vraag te beantwoorden of er - op grond van het dossier en gelet op het ter raadkamerzitting naar voren gebrachte - sprake is van ernstige bezwaren tegen de verdachte, als bedoeld in artikel 67, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarbij is niet ter discussie de ernst van de op de Filippijnen gepleegde moordaanslagen.

Het hof overweegt met betrekking tot die ernstige bezwaren als volgt.

De verdachte is de oprichter van de CPP en hij is in ieder geval de leider van die partij geweest tot het moment van zijn detentie op de Filippijnen in 1977, welke voortduurde tot 1986. De verdachte verblijft sinds 1987 in Nederland.

Het dossier bevat naar het oordeel van het hof bovendien talrijke aanwijzingen dat de verdachte, gedurende zijn vele jaren ‘in ballingschap’, al dan niet als voorzitter een prominente rol binnen de CPP is blijven vervullen.

Die enkele (veronderstelde) zeggenschap van de verdachte binnen de keten van de CPP, waaronder de NPA die de moorden zou hebben gepleegd, is voor het vaststellen van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de hierboven omschreven feiten in abstracto niet voldoende. Daarvoor is nodig dat er een dusdanig rechtstreeks verband wordt vastgesteld (en wettig en overtuigend bewezen) tussen de gedragingen (handelen en nalaten) van de verdachte en de op de Filippijnen gepleegde moordaanslagen, dat in rechte gesproken kan worden van daderschap in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof bevatten de voorhanden zijnde stukken echter geen enkele dusdanig concrete aanwijzing waaruit die rechtstreekse strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij de verweten gedragingen kan worden afgeleid, dat sprake zou zijn van daderschap in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. De voor toepassing van voorlopige hechtenis vereiste ernstige bezwaren tegen de verdachte acht het hof derhalve niet aanwezig.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de inhoud van de verklaringen van de getuigen, zoals die zich thans bij de stukken bevinden, voorzover die een belastend karakter dragen, een hoge mate van onbepaaldheid in de tijd bevatten. Het hof merkt daarbij voorts nog op dat de feiten wellicht een politieke context hebben en dat de verdachte belastende verklaringen in de Filippijnen zijn afgelegd en, mede gelet op de politieke constellatie aldaar, niet zonder meer als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Het hof wijst er ten overvloede op dat de duur en de omvang van het onderzoek nog ongewis zijn, terwijl het daarbij ook de vraag is in hoeverre de verdediging in de loop van de procedure haar ondervragingsrechten ten volle zal kunnen geldend maken.

Het hof zal, gezien de deels andere motivering, de beschikking waarvan beroep vernietigen en de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van de verdachte - evenals de rechtbank - afwijzen.

Beschikking:

Het Hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van de verdachte af.

Aldus gedaan op 3 oktober 2007

door mr. G. Oosterhof, vice-president tevens voorzitter,

mr. G.P.A. Aler, vice-president, en mr. F. Heemskerk, raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. W.S. Korteling, griffier,

en door de voorzitter en griffier ondertekend.