Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2705

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
2200677406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van invoer van heroine (ongeveer 200 kilo). Vijf jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006774-06

Parketnummer: 10-603036-06

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976,

[detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 augustus 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 25 juli 2006 t/m 27 juli 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 200 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat bij de verdachte in casu geen sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, nu de verdachte niet wist dat de door hem over te laden goederen heroïne bevatten en ook niet willens en wetens de (aanmerkelijke) kans daarop heeft aanvaard. Zakelijk weergegeven heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd: De verdachte is, toen hij met vakantie in Istanbul was, benaderd door een onbekende Turkse man die hoorde dat de verdachte uit Nederland kwam. Deze deed hem een voorstel waaraan een “zeer laag” risico verbonden zou zijn en waardoor verdachtes vakantie zou worden onderbroken. Het voorstel hield in dat enkele dagen later dozen (het Turkse woord “koli” is tijdens verdachtes verhoor bij de politie door de tolk ten onrechte vertaald met “pakket”) in Nederland zouden arriveren met een vrachtwagen en dat de verdachte die moest ophalen met een auto. De verdachte zou daarvoor beloond worden met

€ 3.000,--, met welk bedrag hij ook de retourvlucht naar Nederland diende te bekostigen. De verdachte heeft uit deze hem door de onbekende man meegedeelde feiten gedestilleerd dat het ging om illegale handel in textiel.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft, nog daargelaten de relevantie van het door de raadsman gesignaleerde verschil in betekenis, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de Nederlandse weergave van de verklaringen van de verdachte in de diverse processen-verbaal van verhoor.

Het hof overweegt voorts dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden, voorzover deze betrekking hebben op het voorstel dat de verdachte in Istanbul bereikte van de kant van een onbekende Turkse man, dient te worden bezien mede in het licht van de navolgende feiten en omstandigheden. Het ophalen van de pakketten diende in de nacht te geschieden op een verlaten plaats in Oosterhout. Afgesproken was dat de verdachte een aanzienlijk bedrag, te weten € 50.000,--, zou betalen aan de vrachtwagenchauffeur, kennelijk voor de door deze verrichte diensten, welk bedrag zich bevond in het busje waarmee de verdachte de dozen zou ophalen. Dat busje was hem door onbekenden ter beschikking gesteld. De verdachte ontving hiervoor vanuit Turkije telefonische instructies van één of meer onbekenden. Tevens onderhield hij zich op de avond voorafgaand aan de transactie in kwestie regelmatig telefonisch met zijn mededaders. Al deze telefoongesprekken werden in hoge mate gekenmerkt door versluierd taalgebruik. In één van die gesprekken (tussen de verdachte en de chauffeur van de vrachtwagen) brengt de verdachte tot uitdrukking dat een snelle overdracht van de pakketten “heel belangrijk” is. In zijn verhoor bij de politie op 27 juli 2006, de dag van zijn aanhouding, vermeldt de verdachte niet dat hij heeft vermoed dat zijn handelingen betrekking hadden op illegale handel in textiel.

Het hof is van oordeel, bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, dat de verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat zijn handelingen betrekking hadden op een partij heroïne. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een uitzonderlijk grote hoeveelheid heroïne. Dit is een delict dat bijdraagt aan de handel in en het gebruik van heroïne, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen.

Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen veelal tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde aanmerkelijke duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 42.000,--.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 42.000,--, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het bewezenverklaarde is begaan.

Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurdverklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 (oud) van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: een geldbedrag van € 42.000,--.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. F. Heemskerk en mr. E.C.C. Punselie, in bijzijn van de griffier M. van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 augustus 2007.