Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2651

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
31-08-2007
Zaaknummer
2200132106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet bewezen dat verdachte de onjuiste suppletie-aangifte van een cliënt heeft gedaan noch dat hij daarvan kennis heeft gedragen; vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001321-06

Parketnummer(s): 09-017124-02

Datum uitspraak: 20 juni 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 februari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1958,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 maart 2007 en 6 juni 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep behoudens de straf en vordert veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 6 tenlastegelegde tot een werkstraf voor de duur van 48 uur, subsidiair 24 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen en tot een geldboete van € 5.700,00, subsidiair 57 dagen hechtenis. Bij het bepalen van deze vordering is in verband met de overschrijding van de redelijke termijn - bovenop het feit dat in eerste aanleg al geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd - een korting van 5% toegepast.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde vrijgesproken, is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging ten aanzien van een gedeelte van het onder 6 alternatief/cumulatief tenlastegelegde zoals in het vonnis omschreven en is de verdachte ter zake van het onder 1 en overige onder 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 185 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Het is kennelijk evenmin gericht tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen, derhalve feit 1 en 6, gedeeltelijk.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van 7 maart 2007 is door de verdediging betoogd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ten aanzien van feit 1 op grond van het gelijkheidsbeginsel, nu de belasting- en premieplichtige [X], de belastingplichtige met wie hij feit 1 zou hebben medegepleegd, niet vervolgd is, en ten aanzien van zowel feit 1 als feit 6 op grond van overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.

Het gerechthof heeft ter terechtzitting van 7 maart 2007 het eerste verweer ten aanzien van feit 1 aanvaard en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging terzake van feit 1 wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Het vervolgen van het hoofd van het boekhoudkantoor (de verdachte) voor medewerking aan valse aangiften in de loonbelasting en premies zonder degene te vervolgen die als belastingplichtige deze aangiften heeft gedaan of laten doen, moet worden gerechtvaardigd, doch zulk een rechtvaardiging ontbreekt. Het verweer ten aanzien van feit 6 op grond van artikel 6 EVRM is ter zitting van 7 maart 2007 afgewezen: er is wel een overschrijding van de redelijke termijn, maar deze is niet zo ernstig dat dit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met zich brengt.

Ter terechtzitting van 6 juni 2007 is wederom door de verdediging gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 6 niet-ontvankelijk is in zijn vervolging gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Met de advocaat-generaal blijft het gerechtshof van oordeel dat er inderdaad een overschrijding is van de redelijke termijn, maar dat deze niet zo ernstig is dat hieruit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie volgt.

Vrijspraak

Op grond van het ter terechtzitting verhandelde is het gerechtshof niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft gepleegd. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de verdachte zelf de onjuiste suppletie-aangifte van een cliënt heeft gedaan noch dat hij daarvan kennis heeft gedragen. Voorts overweegt het hof dat uit het uitvoerige onderzoek van de politie en de FIOD niet is gebleken dat er binnen de onderneming van de verdachte een cultuur of structuur heerste van het plegen van stafbare feiten, binnen welke cultuur of structuur de verdachte een situatie gecreëerd zou hebben waarin hij zich willens en wetens blootgesteld had aan de aanmerkelijke kans dat er onjuiste suppletie-aangiften gedaan zouden worden.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof derhalve niet overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. S.C.H. Koning, mr. C.G.M. van Rijnberk en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2007.