Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2640

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
051783
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurrecht, vrijheid van informatievergaring, art. 10 EVRM, verwijdering schotelantenne, belangenafweging

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 233
Burgerlijk Wetboek Boek 6 234
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Burgerlijk Wetboek Boek 7 215
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/561 met annotatie van Sepmeijer
JIN 2007/531
NJF 2007, 462
WR 2009, 89

Uitspraak

Uitspraak: 22 augustus 2007

Rolnummer: 05/1783

Rolnr. rechtbank: 605215 CV EXPL 05-122, sector kanton, locatie Brielle

HET GERECHTSHOF ’S-GRAVENHAGE, derde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

STICHTING DE LEEUW VAN PUTTEN,

gevestigd te [plaatsnaam],

appellante,

hierna te noemen: de Stichting,

procureur: mr. W. Heemskerk,

tegen

[de huurster],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de huurster],

procureur: mr. E. Lolcama.

1. Het geding

Bij exploot van 1 december 2005 is de Stichting in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle tussen partijen gewezen vonnis van 4 oktober 2005. Bij memorie van grieven heeft de Stichting één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [de huurster] de grief van de Stichting bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende:

De Stichting verhuurt aan [de huurster] volgens huurovereenkomst van 4 augustus 1989 de woning gelegen aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). In artikel 9.7 van de huurovereenkomst is opgenomen dat ter voorkoming van beschadiging de huurder niet zonder toestemming van de verhuurder op of aan het gehuurde een antenne zal bevestigen. Ingevolge artikel 13, lid 3 sub d van de door de Stichting gehanteerde algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte (hierna: de algemene voorwaarden) is het de huurder niet toegestaan op of aan het gehuurde een (schotel)antenne te bevestigen of een zendmast te plaatsen.

[de huurster] heeft ongeveer 16 jaar geleden een schotelantenne aan de woning bevestigd.

Bij brief van 25 juli 2002 heeft de Stichting [de huurster] verzocht de schotelantenne te verwijderen. Bij brieven 24 februari en 8 mei 2003 heeft de Stichting [de huurster] erop gewezen dat zij heeft geconstateerd dat er twee schotelantennes aan de woning zijn bevestigd en haar opnieuw verzocht deze te verwijderen. Op enig moment heeft [de huurster] gehoor gegeven aan het dringende verzoek de schotelantenne te verwijderen. Bij brief van 21 juli 2004 heeft de Stichting [de huurster] bericht dat zij heeft geconstateerd dat [de huurster] wederom een schotelantenne heeft bevestigd aan de woning is zij gesommeerd deze te verwijderen. Zij heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

2.2 Met een beroep op artikel 7: 213 en 7:215 BW, de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden heeft de Stichting in dit geding verwijdering gevorderd van voornoemde schotelantenne. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Hiertegen richt zich de grief.

2.3 Het meest vergaande verweer van [de huurster] – dat herleeft via devolutie indien de grief zou slagen - is een beroep op rechtsverwerking/verjaring. Het hof zal dit als eerste bespreken omdat, indien dit slaagt, de grief geen bespreking meer behoeft. Het verweer moet echter worden verworpen. Zelfs indien juist is dat zij ten tijde van de inleidende dagvaarding veertien jaar een schotelantenne aan de woning had gehad en haar voor die schotelantenne (mondelinge) toestemming was verleend door de gemeente, dan nog geldt dat vaststaat dat [de huurster] deze schotelantenne op enig moment heeft verwijderd (volgens de conclusie van dupliek onder 10, begin 2004). Daarmee is het gebruik onderbroken en is een streep gezet onder de oude situatie. Niet is betwist dat zij voor het aanbrengen van een nieuwe schotelantenne geen toestemming heeft van de Stichting. Dat de Stichting met betrekking tot verwijdering van deze nieuwe antenne niet voortvarend heeft gehandeld is gesteld noch gebleken.

Van rechtsverwerking of verjaring is geen sprake.

2.4 De artikelen 7:213 en 7:215 BW zijn onvoldoende om de vordering te dragen. Aangenomen mag worden dat de schotelantenne gemakkelijk te verwijderen is bij het einde van de huurovereenkomst. Daarmee valt deze onder de uitzondering van lid 1 van artikel 7:215 BW. Dit betekent dat de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden niet als grondslag voor de vordering kunnen worden weggedacht. [de huurster] heeft echter – zij het eerst bij memorie van antwoord – aangevoerd dat deze algemene voorwaarden haar niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. Zij roept hiervan op grond van artikel 6:233 sub b jo artikel 6:234 BW de vernietiging in.

2.5 Het hof heeft geconstateerd dat de algemene voorwaarden dateren van 26 februari 2002, zodat niet voor hand ligt dat deze in 1989 bij het totstandkomen van de huurovereenkomst aan [de huurster] (of haar echtgenoot) ter hand zijn gesteld. Voorts was destijds de regeling van de algemene voorwaarden die thans in het Burgerlijk Wetboek is neergelegd niet van toepassing.

Voor de vraag wat rechtens geldt tussen partijen dient derhalve te worden teruggegrepen naar die huurovereenkomst. Ingevolge artikel 9.7 daarvan is het [de huurster] niet toegestaan zonder toestemming van de Stichting “een antenne” aan de woning te bevestigen. Bij de uitleg van dit beding dient te worden uitgegaan van de situatie ten tijde van het totstandkomen van de huurovereenkomst - augustus 1989 -. In die periode waren schotelantennes nog niet algemeen gangbaar. Het hof gaat er daarom vanuit dat een redelijke uitleg van de huurovereenkomst in het licht van de toenmalige omstandigheden meebrengt dat het woord “antenne” ruim dient te worden uitgelegd en, naar [de huurster] had kunnen begrijpen, aldus dient te worden opgevat dat dit alle installaties omvat waarmee televisie- of radiosignalen uit de ether kunnen worden opgevangen, dus zowel draad- als schotelantennes die voor anderen zichtbaar aan de buitenzijde van de woning bevestigd worden. De Stichting kan zich aldus alleen op de huurovereenkomst beroepen ter verwijdering van de schotelantenne. Dat de Stichting een eerdere schotelantenne in het verleden heeft gedoogd niettegenstaande het verbod antennes aan de woning te bevestigen dan wel daarvoor toestemming zou hebben gegeven maakt dat niet anders. Hiervoor al is overwogen dat, doordat deze schotelantenne op enig moment is verwijderd, een streep is gezet onder het verleden.

2.6 [de huurster] heeft bij haar verzet tegen de verwijdering van de schotelantenne voorts een beroep gedaan op artikel 10 van het EVRM. Zij stelt zich op het standpunt – zo begrijpt het hof - dat het verbod tot het plaatsen van een schotelantenne in haar geval niet verbindend is, omdat dit in casu haar recht op vrije nieuwsgaring op een onaanvaardbare wijze beknot. .

2.7 Bij de beoordeling van dit verweer komt het erop aan of de Stichting zich tegenover [de huurster] te goeder trouw kan beroepen op artikel 9.7 van de huurovereenkomst. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord indien dat verbod – een contractuele beperking van de voor [de huurster] uit artikel 10 EVRM voortvloeiende vrijheid om via de schotelantenne via de ether verspreide “inlichtingen of denkbeelden” te ontvangen – voor [de huurster] niet onredelijk bezwarend is. Bij de beantwoording van de vraag dienen de wederzijdse belangen te worden afgewogen (HR 3 november 1989, NJ 1991, 168).

2.8 De Stichting heeft – ook in hoger beroep - als haar belang naar voren gebracht dat door het aanbrengen van schotelantennes aan de buitenzijde van haar huurwoningen beschadiging van het gehuurde ontstaat en/of kan ontstaan. Voorts acht de Stichting het aanbrengen van de schotelantenne ontsierend en wenst zij geen precedenten. In hoger beroep heeft zij hier expliciet een beroep op gedaan, zodat een en ander ook in hoger beroep ter beoordeling staat. Zij heeft hieraan toegevoegd dat zij inmiddels vier jaar een actief beleid voert om bevestiging van schotelantennes aan van haar gehuurde woningen tegen te gaan.

2.9 [de huurster] heeft als haar belang aangevoerd dat zij op leeftijd is en de Nederlandse taal slecht machtig is, zodat zij voor nieuwsgaring is aangewezen op Turkse zenders. Ter comparitie in eerste aanleg heeft zij aangegeven dat zij meer dan acht uur per dag soapseries kijkt en dat zij de zenders die deze series uitzenden alleen via de schotelantenne kan ontvangen. Voorts heeft zij aangegeven dat zij op de hoogte wil worden gehouden van het nieuws uit Syrië, nu zij uit dat land afkomstig is.

2.10 Niet in geschil is dat via de kabel en digitale televisie Turkse zenders te ontvangen zijn, waaronder de algemeen bekende zender TRT. Dit is een Turkse familiezender die ook nieuws uitzendt. Voorts is niet in geschil dat via de kabel Al Jazeera kan worden ontvangen en dat digitaal een Arabisch entertainmentkanaal beschikbaar is. Artikel 10 EVRM waarborgt de mogelijkheid “inlichtingen en denkbeelden” te ontvangen. Het gaat [de huurster] echter niet zozeer om het ontvangen van “inlichtingen en denkbeelden”, maar om het ontvangen van soapseries. Daargelaten of soapseries vallen onder “inlichtingen en denkbeelden” geldt het volgende. Gesteld noch gebleken is dat [de huurster] niet in haar behoefte aan nieuwsgaring over Turkije kan voorzien via TRT (of andere door de Stichting bij conclusie na comparitie genoemde zenders). Niet betwist is dat deze zenders ook soapseries uitzenden, zij het wellicht niet in die mate die [de huurster] wenst (8 uur per dag). Ook sommige Nederlandse zenders zenden wel Turkse soaps uit (laatstelijk NPS). Dit betekent dat [de huurster] geacht moet worden voor een deel in haar behoefte te kunnen voorzien via andere wegen dan de schotelantenne. Nu dit het geval is geldt dat [de huurster] een redelijk alternatief heeft voor het ontvangen van “inlichtingen en denkbeelden” in de vorm van soapseries in plaats van de schotelantenne.

2.11 [de huurster] geeft in de memorie van antwoord onder 18 zelf aan dat haar dagbesteding nagenoeg uitsluitend bestaat uit het bekijken van Turkstalige televisiekanalen. Het betreft daarbij dan ook nog met name soapseries. Het hof leidt hieruit af dat haar wens Syrisch nieuws te ontvangen slechts van beperkte strekking is. De Stichting heeft gewezen op het bestaan van Al Jazeera. Het hof acht het van algemene bekendheid dat Al Jazeera dagelijks nieuws uit de Arabische wereld uitzendt en vrij beschikbaar is. Dat [de huurster] het door haar gewenste nieuws over Syrië niet via deze zender (dan wel eventueel via het Turkse nieuws) of op andere wijze kan ontvangen heeft zij onvoldoende onderbouwd, zodat dit punt in de belangenafweging dient te worden gepasseerd.

2.12 Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen dient te worden geoordeeld dat er een voldoende redelijk alternatief voor handen is voor [de huurster] voor het ontvangen van “inlichtingen en denkbeelden”. In eerste aanleg heeft [de huurster] bij conclusie van dupliek nog tegengeworpen dat zij de kosten voor digitale televisie niet kan dragen boven de kosten die al waren gemoeid met het aanbrengen van de binnenantenne en de litigieuze schotelantenne. Met betrekking tot dit laatste heeft te gelden dat [de huurster] geen toestemming heeft gevraagd aan de Stichting voor het aanbrengen van de schotelantenne. Indien zij dat wel zou hebben gedaan, is het zeer waarschijnlijk – gelet op het beleid van de Stichting – dat zij die toestemming niet zou hebben gekregen. Zij zou zich dan de kosten voor de schotelantenne hebben kunnen besparen en in plaats daarvan een abonnement op digitale televisie hebben kunnen nemen. Dat zij zich dit thans niet kan veroorloven is dus een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.

2.13 Met name het belang van de Stichting om precedentwerking tegen te gaan en haar beleid te handhaven weegt zwaar. Gelet op het feit dat een redelijk alternatief voor [de huurster] bestaat voor het ontvangen van “inlichtingen en denkbeelden”, zij het dat [de huurster] met de via kabel of digitale televisie uitgezonden soapseries mogelijk niet kan voorzien in haar behoefte aan het 8 uur per dag bekijken van soapseries, dient genoemd belang van de Stichting de doorslag te geven.

2.14 Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de grieven slagen. Het beroepen vonnis dient te worden vernietigd. Hetgeen de Stichting heeft gevorderd dient alsnog te worden toegewezen, met dien verstande dat het hof aanleiding ziet – gelet op de persoonlijke omstandigheden van [de huurster] - om de termijn voor verwijdering van de schotelantenne te stellen op 14 dagen na de betekening van dit arrest en de dwangsom op € 50,-- per dag met een maximum van € 5.000,-- te bepalen. Met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten geldt echter dat deze door [de huurster] gemotiveerd zijn betwist bij conclusie van antwoord. Na deze gemotiveerde betwisting heeft de Stichting de kosten niet meer nader onderbouwd. De buitengerechtelijke kosten zullen derhalve worden afgewezen. Bij conclusie van repliek heeft de Stichting erop gewezen (onder 23) dat het om een proefproces gaat; de Stichting wenst de mogelijkheid te hebben om huurders te verplichten schotelantennes te verwijderen, met verwijzing naar de uitspraak in deze zaak.

Het hof gaat er, bij gebreke van andere indicaties, van uit dat de Stichting dit standpunt in hoger beroep nog steeds inneemt. Hierin vindt het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

Het algemeen bewijsaanbod van [de huurster] in hoger beroep dient te worden gepasseerd nu dit niet voldoet aan de eisen die daaraan in hoger beroep worden gesteld. Haar bewijsaanbiedingen in eerste aanleg dienen – nu deze onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet terzake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [de huurster] om de schotelantenne binnen veertien dagen na betekening van dit arrest te verwijderen, op verbeurte van een dwangsom van € 50,-- voor iedere dag dat zij hierna hiermee in gebreke blijft de schotelantenne te verwijderen, met een maximum van € 5.000,--;

compenseert de proceskosten in dier voege dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk , Th.W.H.E. Schmitz en J.S.W. Holtrop en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2007 in aanwezigheid van de griffier