Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2375

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
03/51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wrongful birth.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/162
TGMA 2007/17
GJ 2007/139
NJF 2007, 449
NJ 2007, 656

Uitspraak

HET GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE, vierde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[de gynaecoloog],

wonende te Rotterdam,

appellant,

hierna te noemen: [de gynaecoloog],

procureur mr. J.P. van Ginkel,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de vrouw],

procureur mr. H.J.A. Knijff.

Het geding

Bij dagvaarding van 23 december 2002 is [de gynaecoloog] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2001 en 10 oktober 2002, gewezen tussen [de vrouw] als eisende en [de gynaecoloog] als gedaagde partij. Bij memorie van grieven (met één productie) heeft [de gynaecoloog] zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die [de vrouw] bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. [de gynaecoloog] heeft vervolgens nog een akte uitlating producties tevens akte overlegging productie (met producties) genomen, waarna [de vrouw] op haar beurt een akte uitlating producties tevens akte overlegging producties (met één productie) heeft genomen en [de gynaecoloog] tot slot nog een akte uitlating productie heeft genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling in hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. [de vrouw] heeft zich in 1992 gewend tot gynaecoloog [de gynaecoloog] in verband met een verminderd aantal menstruaties. [de vrouw] was op dat moment 37 jaar oud, had met haar man drie gezonde kinderen en geen (verdere) kinderwens. Tijdens een consult op 22 oktober 1992, waarbij zowel [de vrouw] als haar man aanwezig waren, heeft [de gynaecoloog] aan [de vrouw] meegedeeld dat de uitslagen van haar bloedonderzoek overeen kwamen met die van een vrouw van 50 tot 60 jaar. [de gynaecoloog] heeft [de vrouw] het hormoonpreparaat Trisequens voorgeschreven, dat geen anticonceptieve werking heeft. Tussen partijen staat vast dat tijdens voormeld consult onder meer is gesproken over de noodzaak van verdere anticonceptie. Zij twisten echter over de vraag of [de gynaecoloog] [de vrouw] en haar man heeft gewezen op het (geringe) risico op zwangerschap en de noodzaak van anticonceptie. [de vrouw] en haar man zijn na het bezoek aan [de gynaecoloog] gestopt met het gebruiken van condooms. In juli 1993 bleek [de vrouw] zwanger van een tweeling. [de vrouw] en haar man hebben de mogelijkheid van abortus afgewezen en hebben twee kinderen gekregen. [de vrouw] vordert van [de gynaecoloog] schadevergoeding, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

2. Het hof gaat uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.9 van haar tussenvonnis van 8 februari 2001. Voorzover grief 1 zich richt tegen bedoelde feitenvaststelling faalt deze grief, nu hieruit niet volgt dat de vastgestelde feiten onjuist zijn en de in de grief aangevoerde (deels betwiste) feiten/stellingen hieraan niet afdoen. De stelling dat de rechtbank heeft miskend dat het niet hebben van een kinderwens door [de vrouw] nog niet betekent dat een nieuwe zwangerschap (strikt) ongewenst was, wordt verworpen. Gelet op het feit dat [de vrouw] ten tijde van het consult 37 jaar oud was en met haar man reeds drie kinderen had, kan het niet (meer) hebben van een kinderwens redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat zij haar gezin als compleet beschouwde en een nieuwe zwangerschap ongewenst was. Uit het gebruik van condooms als voorbehoedmiddel door [de vrouw] en haar man, hetgeen volgens [de gynaecoloog] als zijnde van algemene bekendheid een niet altijd zekere vorm van anticonceptie is, kan redelijkerwijs nog niet worden afgeleid dat [de vrouw] geen (strikt) bezwaar had tegen een eventuele nieuwe zwangerschap. Daarnaast is in dit verband nog van belang dat [de gynaecoloog] als getuige heeft verklaard dat hij ook uit het eerste gesprek wist dat [de vrouw] en haar echtgenoot geen kinderen meer wilden. Ook [de vrouw] heeft dit als getuige verklaard. De overige stellingen in de toelichting op de grief, die er - kort gezegd - op neerkomen dat [de gynaecoloog] niet tekort is geschoten in zijn informatieplicht, zal het hof bespreken bij de overige grieven.

3. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 8 februari 2001 overwogen, dat in de stellingen van [de vrouw] de stelling ligt besloten dat [de gynaecoloog] haar tijdens het consult van 22 oktober 1992 niet erop heeft gewezen dat zij bij beëindiging van het gebruik van condooms als voorbehoedmiddel het risico zou lopen zwanger te worden. Op deze door de rechtbank gegeven uitleg van de grondslag van de vordering bouwt zowel de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht, als de bewijswaardering in het eindvonnis voort. Voorzover grief 3 aanvoert dat de rechtbank in haar oordeel ambtshalve de grondslag van de vordering heeft verlaten c.q. aangevuld aangezien [de vrouw] haar vordering uitsluitend zou hebben gegrond op de stelling dat [de gynaecoloog] de noodzaak van anticonceptie zou hebben ontkend, faalt de grief. Gelet op de inhoud van de conclusie van repliek onderschrijft het hof de door de rechtbank weergegeven uitleg van de grondslag. Voorzover nodig heeft [de vrouw] in haar memorie van antwoord bovendien de grondslag van haar vordering aangevuld, zodat [de gynaecoloog] bij deze klacht geen belang meer heeft.

4. In haar tussenvonnis van 8 februari 2001 heeft de rechtbank voorts op grond van het schrijven van prof.dr. [B] van 5 maart 1998 geoordeeld dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam gynaecoloog mocht worden verwacht dat hij [de vrouw] op het onder 3 genoemde risico van een zwangerschap zou wijzen, en dat als [de gynaecoloog] dit niet heeft gedaan hij niet aan de van hem te verwachten zorgvuldigheidsplicht heeft voldaan, en sprake is van een tekortkoming in de behandelingsovereenkomst die hem is toe te rekenen. De rechtbank heeft vervolgens [de vrouw] toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [de gynaecoloog] haar tijdens het consult van 22 oktober 1992 niet erop heeft gewezen dat zij, bij beëindiging van het gebruik van condooms als voorbehoedmiddel, het risico zou lopen zwanger te worden. Grief 4, waarin blijkens de toelichting onder meer wordt betoogd dat de rechtbank miskent dat de primaire informatieplicht van [de gynaecoloog] gelegen was op het vlak van de gezondheidstoestand van [de vrouw] en haar overgangsklachten, wordt verworpen. Deze (primaire) informatieplicht van [de gynaecoloog] doet er niet aan af dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat op [de gynaecoloog] ook de zorgvuldigheidsplicht rustte om [de vrouw] te wijzen op bedoeld risico van een mogelijke zwangerschap. Anders dan [de gynaecoloog] meent strekt deze zorgvuldigheidsnorm juist ter bescherming van [de vrouw] tegen een ongewenste zwangerschap. Nu voor het overige geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank in haar tussenvonnis gegeven bewijsopdracht, gaat het hof hiervan uit.

5. Grief 2 is vervolgens gericht tegen het oordeel van de rechtbank in haar eindvonnis van 10 oktober 2002 dat [de vrouw] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Het hof stelt voorop dat, voorzover de grief ervan uit gaat dat de bewijsopdracht uitsluitend ziet op het waarschuwen door [de gynaecoloog] voor het risico van zwangerschap bij beëindiging van het condoomgebruik, deze uitgaat van een te beperkte lezing. De door de rechtbank gegeven bewijsopdracht kan redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat deze ziet op het risico van zwangerschap bij het niet langer toepassen van anticonceptie, hetgeen in het geval van [de vrouw] en haar man neerkwam op beëindiging van het condoomgebruik. De klacht in de toelichting op grief 3 (MvG 8.2) dat de rechtbank in haar eindvonnis is teruggekomen op de bindende eindbeslissing bij tussenvonnis dat voor aansprakelijkheid van [de gynaecoloog] slechts van belang was of hij heeft gewezen op de kans op zwangerschap bij het beëindigen van het gebruik van condooms, mist dan ook feitelijke grondslag en kan daarom niet slagen. Van enige inhoudelijke tegenstrijdigheid tussen het tussenvonnis en het eindvonnis van de rechtbank is geen sprake. Dit blijkt reeds uit rov. 2.1 van het eindvonnis, waarin de rechtbank de bij tussenvonnis gegeven bewijsopdracht vooropstelt, en vervolgens onderzoekt of [de vrouw] in dit bewijs is geslaagd. Voorzover ook grief 4 uitgaat van hetzelfde onjuiste uitgangspunt dat de rechtbank in haar eindvonnis een ander criterium heeft gehanteerd dan in haar tussenvonnis, faalt het eveneens.

6. Ten aanzien van de vraag of [de vrouw] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, overweegt het hof het volgende. Hierbij stelt het hof voorop dat het hof de bewijsmiddelen, waaronder de schriftelijke stukken en de voor de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen, opnieuw, zelfstandig, en in onderlinge samenhang beschouwd, heeft gewaardeerd. Het hof komt echter evenals de rechtbank tot het oordeel dat [de vrouw] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, en overweegt hierover het volgende.

7. Zowel [de vrouw] (als partijgetuige) als haar echtgenoot hebben onder ede verklaard dat zij bij het consult van 22 oktober 1992 uitdrukkelijk bij [de gynaecoloog] hebben geïnformeerd naar de kans op een zwangerschap en de noodzaak van verdere anticonceptie, bijvoorbeeld orale anticonceptie of sterilisatie. Hierbij hebben zij verteld dat zij op dat moment condooms gebruikten. Het hof stelt vast dat [de gynaecoloog] in zijn notitie aan dhr. [directeur], directeur zorg, van 28 april 1995 (productie 2 bij conclusie van antwoord) bevestigt dat [de vrouw] deze vraag aan hem heeft gesteld. Op grond van de verklaringen van [de vrouw] en haar echtgenoot in combinatie met voormelde notitie van [de gynaecoloog] van 28 april 1995, acht het hof bewezen dat niet [de gynaecoloog], zoals hij als getuige heeft verklaard, maar [de vrouw] en haar echtgenoot het onderwerp van anticonceptie en eventuele sterilisatie aan de orde hebben gesteld. Hieruit blijkt (hetgeen gelet op de leeftijd van [de vrouw] en haar man en het feit dat zij reeds een voltooid gezin hadden geen verbazing wekt) dat [de vrouw] en haar echtgenoot belang hechtten aan het voorkomen van een nieuwe zwangerschap.

8. Tussen partijen staat vast dat het onderwerp anticonceptie vervolgens uitdrukkelijk aan de orde is geweest tijdens het consult van 22 oktober 1992. [de gynaecoloog] heeft op het polikliniek formulier bij voormelde datum aangetekend: “Zie uitslagen. R/Trisequens. Voorkeur voor dit preparaat uitgelegd. Eventueel afdoende anticonceptie (sterilisatie) is geen optie voor patiënte.” [de vrouw] en haar man hebben hierover verklaard dat op zich juist is dat sterilisatie van [de vrouw] niet gewenst was, maar dat zij met name bij [de gynaecoloog] hebben geïnformeerd naar de eventuele noodzaak tot sterilisatie van de echtgenoot van [de vrouw]. Ook op dit punt acht het hof de verklaringen van [de vrouw] en haar echtgenoot overtuigend. Het ligt immers niet voor de hand dat [de vrouw] bij [de gynaecoloog] zou informeren naar de eventuele noodzaak van sterilisatie van zichzelf, nu zij deze mogelijkheid kennelijk niet overwoog. Anders dan [de gynaecoloog] verdedigt, kan uit voormelde aantekening op het polikliniek formulier derhalve geen bewijs in zijn voordeel worden afgeleid. Uit het feit dat [de vrouw] en haar echtgenoot bij [de gynaecoloog] informeerden naar de mogelijke noodzaak van verdere anticonceptie, waaronder orale anticonceptie en/of sterilisatie (van de echtgenoot), kan bovendien worden afgeleid dat hiertegen bij hen voorshands geen zwaarwegende bezwaren bestonden. Het feit dat het echtpaar na het consult aan [de gynaecoloog] ondanks het belang dat zij hechtten aan het voorkomen van een nieuwe zwangerschap en het voorshands ontbreken van zwaarwegende bezwaren tegen verdere anticonceptie is gestopt met condoomgebruik, zonder over te stappen op een andere vorm van anticonceptie, ondersteunt hun verdere verklaring dat [de gynaecoloog] de noodzaak van verdere anticonceptie tijdens bedoeld consult uitdrukkelijk heeft ontkend. Hij zou in dit verband hebben verwezen naar de uitslagen van het bloedonderzoek, die pasten bij een vrouw van 55-60 jaar die hij ook geen anticonceptie meer voorschreef.

9. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat aanvullende bewijskracht toekomt aan de brief van [de gynaecoloog] aan de huisarts van [de vrouw] van 23 oktober 1992 (productie bij conclusie van eis). De hiertegen door [de gynaecoloog] aangevoerde bezwaren (MvG 7.6) worden verworpen. Dat [de gynaecoloog] de (geringe) risico’s op een zwangerschap kennelijk heeft onderschat en [de vrouw] en haar echtgenoot hierover niet goed heeft geïnformeerd, wordt ondersteund door voormelde brief van [de gynaecoloog] aan de huisarts van [de vrouw], waarin hij schrijft dat gezien de uitslag van het bloedonderzoek “verder zeker geconcludeerd (kan) worden dat patiënte postmenopauzaal is”. Prof. [B] heeft hierover in zijn rapport van 5 maart 1998 (productie bij conclusie van eis) gesteld dat een huisarts daar in het algemeen onder zal verstaan dat verdere anticonceptie niet noodzakelijk is. Dit valt niet goed te rijmen met de verklaring van [de gynaecoloog] als getuige dat hij vond dat er, ondanks het feit dat het ging om een zeer gering risico, wel anticonceptie moest worden toegepast en dat hij [de vrouw] en haar man hierover ook heeft geïnformeerd. Zijn verklaring als getuige dat hij met [de vrouw] in dit verband ook zou hebben gesproken over het plaatsen van een spiraaltje, welke mogelijkheid door haar zou zijn afgewezen, acht het hof onvoldoende geloofwaardig nu dit geen enkele steun vindt in de stukken, waaronder diverse brieven van [de gynaecoloog] die zich in het dossier bevinden alsmede het polikliniek formulier.

10. Uit het bovenstaande volgt dat het hof (evenals de rechtbank) [de vrouw] geslaagd acht in het bewijs dat [de gynaecoloog] [de vrouw] tijdens het consult van 22 oktober 1992 niet erop heeft gewezen dat zij, bij beëindiging van het gebruik van condooms als voorbehoedmiddel, het risico zou lopen zwanger te worden. Noch het door [de gynaecoloog] in hoger beroep overgelegde rapport van prof. dr. [W] ten aanzien van de bewijswaardering noch diens nadere rapportage hebben het hof tot een andere overtuiging gebracht. Grief 2 faalt daarmee. Hieruit vloeit voort dat [de gynaecoloog] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn informatieplicht jegens [de vrouw], en dat hij aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan ontstane schade. De stelling van [de gynaecoloog] in hoger beroep (MvG 9.7) dat [de vrouw] en haar echtgenoot uit het enkele feit dat gesproken werd over anticonceptie reeds hadden kunnen en moeten afleiden dat een risico op het ontstaan van een zwangerschap aanwezig was, wordt verworpen. Het hof heeft immers bewezen geacht dat het [de vrouw] en haar echtgenoot zijn geweest die dit punt als vraag naar voren hebben gebracht, en dat [de gynaecoloog] hun hierover vervolgens onjuist althans onvolledig heeft geïnformeerd.

11. Grief 5 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er causaal verband is tussen het tekortschieten van [de gynaecoloog] in zijn informatieplicht jegens [de vrouw], en de door [de vrouw] gestelde schade als gevolg van de zwangerschap en geboorte van de tweeling. Bovendien betwist [de gynaecoloog] dat sprake is van schade in de zin van de wet. Ook deze grief faalt, nu het hof het oordeel van de rechtbank op deze beide punten deelt. Uit hetgeen eerder in dit arrest is overwogen volgt dat het hof bewezen acht dat [de gynaecoloog] [de vrouw] niet heeft gewezen op het risico op een zwangerschap indien zij stopte met anticonceptie. Voorzover de grief blijkens de toelichting ervan uit gaat dat dat wel is gebeurd, en dat [de gynaecoloog] zelf [de vrouw] heeft gewezen op de mogelijkheid van sterilisatie en/of een spiraaltje, mist de grief feitelijke grondslag. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen eerder in dit arrest is overwogen en beslist. Tevens heeft het hof overwogen dat uit de getuigenverklaringen volgt dat [de vrouw] en haar man belang hechtten aan het voorkomen van een nieuwe zwangerschap en dat zij voorshands geen zwaarwegende bezwaren hadden tegen verdere anticonceptie. Dat zij desondanks zijn gestopt met condoomgebruik zonder over te stappen op enige vorm van andere conceptie, moet naar het oordeel van het hof dan ook geheel worden toegerekend aan de onjuiste en/of onvolledige informatie van [de gynaecoloog] over de noodzaak hiertoe. De stelling van [de gynaecoloog] dat [de vrouw] en haar man zelf verantwoordelijk zijn voor hun keuze om te stoppen met anticonceptie en dat hij hen geen enkele garantie op dit punt heeft gegeven, wordt verworpen. Ook [de gynaecoloog] was blijkens zijn getuigenverklaring van mening dat, ondanks dat het risico op zwangerschap zeer gering was, verdere anticonceptie geïndiceerd was. Hij heeft echter nagelaten [de vrouw] hierover tijdens het consult van 22 oktober 1992 op juiste wijze te informeren, Het hof acht voldoende aannemelijk dat [de vrouw] en haar man, indien [de gynaecoloog] hen juist had geïnformeerd, niet gestopt waren met condoomgebruik, althans niet zonder te kiezen voor een andere vorm van anticonceptie. Ook acht het hof voldoende aannemelijk dat [de vrouw] dan niet zwanger was geworden. Het enkele feit dat het gebruik van condooms niet als 100% veilige anticonceptie kan worden aangemerkt doet hier niet aan af, nu algemeen bekend is dat bij zorgvuldig gebruik van condooms de kans op zwangerschap zeer klein is en [de vrouw] en haar echtgenoot deze vorm van anticonceptie al enige jaren zonder bezwaar toepasten.

12. Het hof is van oordeel dat [de gynaecoloog] geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot het oordeel dat causaal verband tussen het tekortschieten van [de gynaecoloog] en de gestelde schade ontbreekt. Het hof komt daarom niet toe aan het opdragen van (tegen)bewijs.

13. Het is een feit van algemene bekendheid dat de geboorte van een kind, naast vreugde en/of verdriet, voor de ouders leidt tot extra financiële lasten. Daarmee is voldoende aannemelijk dat [de vrouw] vermogensschade heeft geleden, zodat de rechtbank de vordering tot verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure terecht heeft toegewezen. De vraag of de beide kinderen gezond ter wereld zijn gekomen en of de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (alleen) ten laste van [de vrouw] komen, kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen en behoeft op dit moment geen verdere bespreking.

14. Grief 6 betoogt dat de beslissing van [de vrouw] om af te zien van de mogelijkheid van abortus in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de fout van [de gynaecoloog] en de gestelde schade. Deze grief wordt verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat het van [de vrouw] niet kon worden gevergd dat zij ter voorkoming van het ontstaan van de gestelde schade van de mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt om haar zwangerschap af te laten breken. De grief richt zich terecht niet tegen deze overweging, maar betoogt dat de beslissing van [de vrouw] en haar echtgenoot om de zwangerschap niet af te breken in het onderhavige geval wel het causaal verband doorbreekt. Ook dit betoog faalt. Het hof stelt voorop dat het al dan niet afbreken van een zwangerschap een dermate persoonlijke en ingrijpende beslissing is voor een vrouw, dat de redelijkheid zich er in het algemeen tegen zal verzetten om in een geval als het onderhavige, waarin de zwangerschap het gevolg is van een fout van een arts, de door de geboorte van het kind ontstane vermogensschade (al dan niet gedeeltelijk) toe te rekenen aan het niet afbreken van de zwangerschap door de vrouw. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan op dit punt in het onderhavige geval anders geoordeeld zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. [de vrouw] en haar man hadden ten tijde van de fout van [de gynaecoloog] reeds een (voltooid) gezin met drie kinderen en geen verdere kinderwens. Tegen deze achtergrond is voldoende aannemelijk dat [de vrouw] en haar man zonder de fout van [de gynaecoloog] geen verdere kinderen meer hadden gekregen. De schade van [de vrouw] als gevolg van de geboorte van de twee kinderen dient naar het oordeel van het hof in redelijkheid volledig aan het onjuist althans onvolledig informeren door [de gynaecoloog] omtrent de noodzaak van verdere anticonceptie te worden toegerekend.

15. Grief 7 mist zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking.

16. Het bewijsaanbod van [de gynaecoloog] wordt gepasseerd, nu geen gespecificeerd bewijs is aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, relevant zijn voor de beoordeling van dit hoger beroep. Aan nadere voorlichting door een deskundige heeft het hof geen behoefte. De vraag of [de vrouw] als redelijk handelend patiënte had moeten besluiten tot het toepassen van een afdoende vorm van anticonceptie indien zij de kans op zwangerschap maximaal wenste uit te sluiten, wordt door het hof (gelet op hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist) ontkennend beantwoord en leent zich overigens niet voor bewijslevering door getuigen.

17. Nu alle grieven falen zal het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigen. [de gynaecoloog] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2001 en 10 oktober 2002, waarvan beroep;

- veroordeelt [de gynaecoloog] in de proceskosten in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de vrouw] begroot op € 230,- aan griffierecht en € 1.341,- aan salaris procureur;

- verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, J.M.T. van der Hoeven-Oud en P.M. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.