Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2215

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
1242-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak; waardebepaling woning in het buitenland; stelplicht en bewijslast t.a.v. te verrekenen verbouwingskosten .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 15 augustus 2007

Rekestnummer : 1242-H-06

Rekestnr. rechtbank : 04-2538

[De vrouw],

wonende te [woonplaats] (Argentinië),

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. Ch.M. van Beuningen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats] (Spanje),

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 6 september 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 13 juni 2006.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 12 september 2006 en 22 september 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 2 maart 2007 is de zaak mondeling behandeld. Daarbij is bepaald dat de behandeling zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 29 juni 2007 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur en door G. Prosperi, tolk in de [buitenlandse] en Engelse taal, die de eed heeft afgelegd, en de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. C.M. Schouten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 28 februari 2005 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Bij de bestreden beschikking is de verdeling van de woning aan [adres] als volgt vastgesteld:

- aan de man wordt de woning toebedeeld;

- aan de vrouw wordt toebedeeld een door de man aan de vrouw wegens overbedeling te betalen bedrag van € 69.213,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man met de voldoening van zijn uit deze beschikking voortvloeiende schuld in verzuim zal zijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is [in] 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de waarde van de woning [in het buitenland], verrekening van de kosten van de verbouwing en van de aanleg van het zwembad en aflossing van de ten behoeve van de woning aangegane hypothecaire geldlening.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen – uitvoerbaar bij voorraad – dat aan de vrouw wordt toebedeeld een door de man aan haar te betalen bedrag van € 270.000,-, dan wel een hoger bedrag indien zulks volgt uit de overwaarde per datum overdracht, althans een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met een vergoeding voor de door haar betaalde onroerende-zaakbelasting ad € 1.998,15 en wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

3. De man bestrijdt haar beroep.

Taxatie waarde voormalige echtelijke woning

4. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat zij te kennen zou hebben gegeven 15 juli 2004 als peildatum te willen hanteren, aangezien zij een taxatierapport heeft overgelegd van deze datum. De vrouw wil uitgaan van het taxatierapport van november 2005, waaruit een waarde van de voormalige echtelijke woning blijkt van € 540.000,-.

5. De man heeft zich gemotiveerd verweerd tegen de stellingen van de vrouw.

6. Ter terechtzitting van het hof zijn partijen overeengekomen, dat een nieuwe taxatie van de waarde van de voormalige echtelijke woning per november 2005 dient plaats te hebben door één door het hof te benoemen taxateur, die aangewezen moet zijn door een bank.

7. De taxatie van de onroerende zaak dient naar het oordeel van het hof als volgt te geschieden. De man wijst een taxateur aan en de vrouw wijst een taxateur aan. De door partijen aangewezen taxateurs wijzen een derde taxateur aan. Deze drie taxateurs bepalen de waarde van de onroerende zaak in het vrije economische verkeer zonder het recht van gebruik door de man.

Indien de drie taxateurs niet tot overeenstemming komen betreffende de waardering, dient de derde taxateur de waarde vast te stellen. Uit het taxatierapport dient te blijken dat partijen in de gelegenheid zijn geweest om opmerkingen te maken en vragen te stellen. Partijen dienen er voor zorg te dragen dat het hof het originele taxatierapport zal ontvangen en een vertaling daarvan opgemaakt door een officiële tolk-vertaler.

Natuurlijke verbintenis en hypothecaire geldlening

8. De vrouw stelt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat de man aanspraak heeft op vergoeding van de nominaal door hem in de gemeenschappelijke woning geïnvesteerde bedragen, nu de voldoening door de man van die kosten naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gekwalificeerd als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis.

9. Ter onderbouwing van haar stelling dat de man wel degelijk ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis in de gemeenschappelijke woning heeft geïnvesteerd, verwijst de vrouw naar de jurisprudentie van de Hoge Raad.

10. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Volgens de man is de door de vrouw aangehaalde rechtspraak niet van toepassing.

11. Het hof overweegt als volgt. Bij het beantwoorden van de vraag of een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen moet mede acht worden geslagen op de wederzijdse behoefte en welstand van partijen. Uit het appelschrift van de vrouw volgt dat beide partijen aan [naam en plaats universiteit], hebben gestudeerd. De vrouw heeft aan deze universiteit haar Master Degree Instructional Technology behaald. De vrouw is na haar studie gaan werken. Laatstelijk was zij in [het buitenland] werkzaam als manager bij [naam werkgever], waarmee zij maandelijks € 4.161,54 netto verdiende. Met het inkomen van de vrouw werd voorzien in het dagelijkse levensonderhoud van partijen. Uit het vermogen van de man werden de lasten voldaan met betrekking tot de hypothecaire geldlening. Rekening houdend met vorenstaande feiten en omstandigheden kan de aflossing van de hypothecaire geldlening door de man niet worden aangemerkt als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis ten behoeve van de vrouw. Het feit dat partijen met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen waren getrouwd doet daaraan niet af, net zo min als het feit dat de vrouw volgens haar zeggen in meerdere mate dan de man heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding.

Vergoedingsrechten, zwembad en grote verbouwing

12. Het hof leest de derde grief van de vrouw aldus, dat zij daarin stelt dat de man niet heeft aangetoond de kosten van aanleg van het zwembad en de grote verbouwing uit eigen middelen te hebben voldaan. Voorts betwist zij de hoogte van de door de man ter zake gestelde kosten.

13. De man heeft gesteld dat hij de kosten van aanleg van het zwembad en van de verbouwing uit privé-middelen heeft betaald. Hij boekte geld over vanuit Nederland naar [het buitenland], nam in [het buitenland] het geld contant op en betaalde vervolgens daarmee de aannemer. Volgens de man kan hij met betrekking tot het zwembad niet alle gegevens overleggen, aangezien een aantal betalingen zwart zijn gedaan.

14. Het hof overweegt het volgende. De man heeft de aanleg van het zwembad in drie fases verdeeld. Van fase 1 bezit de man geen prijsopgave of betalingsspecificaties. Voor fase 2 verwijst de man naar een productie die in de [buitenlandse] taal is gesteld en waarvan de man geen vertaling heeft bijgevoegd. Van dit onvertaalde stuk kan het hof geen kennis nemen. Over fase 3 kan de man geen nadere specificaties overleggen. Ter zitting is door het hof aan de man de vraag gesteld of het bewijsaanbod – zoals geformuleerd onder punt 7 van de als productie 15 bij het appelschrift overgelegde nadere uitlating na mondelinge behandeling – zodanig gelezen dient te worden, dat dit eveneens betrekking heeft op de betaling van de kosten van aanleg van het zwembad en van de verbouwing. De advocaat van de man heeft daarop medegedeeld het bewijsaanbod niet te handhaven.

15. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende inzicht verschaft in de kosten van aanleg van het zwembad. Voorts heeft de man niet aangetoond dat hij betalingen terzake het zwembad uit privé-middelen heeft voldaan. Het enkele feit dat de man gelden vanuit Nederland heeft overgeboekt naar [het buitenland] geeft geen antwoord op de vraag of deze gelden zijn aangewend voor de betaling van de kosten van aanleg van het zwembad. De grief van de vrouw, dat de man niet heeft aangetoond dat hij de kosten van het zwembad uit privé-middelen heeft voldaan, treft derhalve doel.

16. In 2001 heeft de grote verbouwing plaatsgehad. De man verwijst terzake naar:

- een specificatie van de offerte/in rekening gebrachte kosten ad [buitenlandse valuta] 14.817.784,-;

- een betalingsbewijs terzake de aanbetaling van [buitenlandse valuta] 2.000.000,-;

- bewijzen van verkoop van aandelen en van overboeking van respectievelijk ƒ 44.074,20 en ƒ 132.220,60 ten behoeve van deze verbouwing;

- specificaties van kasopnames die de man van zijn rekening in [het buitenland] heeft verricht ten behoeve van de verbouwing;

- bijlage 9 bij de brief van 11 januari 2005 gericht aan de rechtbank, waaruit blijkt welke bedragen de man aan aannemer [naam aannemer] heeft voldaan.

17. Ten aanzien van de verbouwing overweegt het hof als volgt. De specificatie, die als productie 14 bij eerdergenoemde nadere uitlating na mondelinge behandeling door de man in het geding is gebracht, is gesteld in de [buitenlandse] taal. Nu een vertaling ontbreekt, kan het hof van de inhoud van deze productie geen kennis nemen. Hetzelfde geldt voor het als productie 15 bij die nadere uitlating in het geding gebrachte betalingsbewijs. Het feit dat de man aandelen heeft verkocht laat de vraag of de opbrengst is aangewend ter dekking van de kosten van de verbouwing onbeantwoord; de opnames van contanten van de rekening van de man beantwoorden die vraag evenmin. Uit de bijlagen bij de brief van 11 januari 2005 van de (toenmalige) advocaat van de man aan de rechtbank blijkt niet dat met geld van de man is betaald. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende inzicht verschaft in de kosten van de grote verbouwing en heeft hij voorts niet aangetoond dat hij de kosten van de grote verbouwing uit eigen middelen heeft voldaan. De grief van de vrouw, dat man niet heeft aangetoond dat hij de kosten van de grote verbouwing uit privé-middelen heeft voldaan, treft doel.

Aflossing hypothecaire geldlening

18. Ten aanzien van de aflossing van de hypothecaire geldlening overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat de man genoegzaam heeft aangetoond, dat hij de ter financiering van de koopprijs verstrekte hypothecaire geldlening uit eigen middelen heeft afgelost.

De vrouw heeft in punt 46 van haar appelschrift gesteld dat zij de man in staat heeft gesteld de hypothecaire geldlening af te lossen, doordat zij als enige kostwinner gedurende de samenwoning voor een bedrag van € 111.478,87 aan kosten van de huishouding heeft voldaan. Door de vrouw wordt de stelling van de man, dat hij de hypothecaire geldlening uit eigen middelen heeft afgelost, niet betwist. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het enkele feit dat de vrouw het merendeel van de kosten van de huishouding heeft betaald, niet het oordeel dat zij hierdoor de hypothecaire geldlening mede heeft afgelost. De grief van de vrouw treft geen doel.

Onroerende-zaakbelasting

19. Ten aanzien van de onroerende-zaakbelasting overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft haar vordering vermeerderd in die zin, dat zij betaling van de man vordert van de door haar betaalde onroerende-zaakbelasting van de woning. De man heeft de vordering van de vrouw niet weersproken. De vordering kan derhalve worden toegewezen.

20. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat partijen binnen drie maanden na deze beschikking in het geding brengen het door het hof in rechtsoverweging 7 genoemde taxatierapport van de onroerende zaak;

houdt de behandeling aan tot de zitting van 24 november 2007 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Husson en Breederveld, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2007.