Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2210

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
1543-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levensonderhoud jongmeerderjarige. Uitgestelde studie leidt tot geen onderhoudsbijdrage in die periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 15 augustus 2007

Rekestnummer. : 1543-H-06

Rekestnr. rechtbank : 06-2151

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[de dochter],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de dochter,

procureur mr. M. Groenleer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 2 november 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 19 september 2006.

De dochter heeft op 5 december 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 22 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de dochter zijn bij het hof op 8 december 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 juni 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.M.J.C. Janssen, en de dochter, bijgestaan door haar procureur. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is de door de vader aan de dochter te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 6 april 2006 bepaald op € 227,74 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De dochter stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn hoger beroep, nu hij volgens haar geen grieven heeft geformuleerd tegen de bestreden beschikking.

2. Het hof is van oordeel dat uit het appelschrift van de vader genoegzaam volgt dat hij grieft tegen de bestreden beschikking. De vader stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve de dochter te voldoen. De vader kan derhalve in zijn hoger beroep worden ontvangen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

3. In geschil is de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de dochter.

4. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de dochter om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie af te wijzen.

5. De dochter bestrijdt zijn beroep.

6. De dochter heeft ter zitting verklaard dat zij in de periode van 1 november 2006 tot 1 september 2007 - in verband met door haar genoten inkomen uit arbeid in die periode - geen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie ten laste van de vader verlangt. Het hof stelt vast dat de dochter in zoverre haar oorspronkelijke verzoek heeft gewijzigd. Het hof zal over deze periode de bijdrage dan ook op nihil stellen. De periode die, met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de dochter, thans aan het hof voorligt betreft derhalve de periode van 6 april 2006 tot 1 november 2006, alsmede de periode na 1 september 2007.

6a. Ten aanzien van de behoefte van de dochter overweegt het hof als volgt. De dochter stelt dat haar behoefte is gewijzigd. Zij is gaan studeren. De Informatiebeheer Groep heeft een bijdrage ten laste van de vader berekend van € 227,74 per maand. Nu de vader de behoefte van de dochter aan een bijdrage ten laste van hem niet heeft bestreden, gaat uit het hof uit van een behoefte van de dochter van € 227,74 per maand.

7. De vader stelt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de dochter te voldoen. De dochter heeft zijn stelling gemotiveerd weersproken.

8. Het hof overweegt als volgt. De dochter stelt dat moet worden uitgegaan van de verdiencapaciteit van de vader. De rechtbank is met betrekking tot het inkomen van de vader uitgegaan van een gemiddelde over de jaren 2003, 2004 en 2005. Met betrekking tot het jaar 2003 heeft de rechtbank het inkomen van de vader vastgesteld op een bedrag van € 28.291,-. Ter zitting heeft de vader verklaard dat dit bedrag nadien door de belastingdienst is gecorrigeerd in een bedrag van € 26.686,-. De dochter heeft dit bedrag niet weersproken. Zij betwist wel dat dit bedrag, zoals de vader stelt, het verzamelinkomen van zijn huidige partner en hem tezamen betreft. De vader heeft geen inzage verschaft in de omvang van zijn inkomen in 2003. Het hof gaat er, nu het tegendeel niet is gebleken, dan ook van uit dat het inkomen van de vader in 2003 € 26.686,- bedroeg. De vader stelt dat hij zich inspant om een passende functie te vinden, met een vergelijkbaar inkomen als in 2003. In 2004 heeft de vader slechts een WAO-uitkering genoten. In september 2005 heeft de vader uiteindelijk voor het laatst gewerkt. Zijn inkomen uit arbeid bedroeg toen een bedrag van € 850,- netto per maand. Daarnaast genoot hij een WAO-uitkering van € 450,- netto per maand. Thans bestaat het inkomen van de vader wederom slechts uit een WAO-uitkering. Hoewel de vader vrijwillig is gestopt met zijn baan, hetgeen op zich verwijtbaar is, is het hof van oordeel dat de vader zich voldoende inspant om een nieuwe dienstbetrekking te vinden. Zo neemt hij deel aan een re-integratieproject. Echter, het is hem tot op heden niet gelukt een nieuwe baan te vinden. Het hof is van oordeel dat de vader in staat kan worden geacht met ingang van 1 december 2007 een inkomen van omstreeks € 27.000,- per jaar te verwerven. De lichamelijke beperkingen van de vader - die arbeidsongeschikt is verklaard voor een percentage van 25-35% - acht het hof niet van dien aard dat die daaraan in de weg staan. Daarbij gaat het hof er voorts van uit dat de dochter in december 2007 haar studie zal hebben hervat.

9. Uit het vorenstaande volgt dat de vader met ingang van 1 december 2007, rekening houdende met zijn lasten, in staat kan worden geacht een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de dochter te voldoen te voldoen van € 227,74 per maand. Op dit moment betaalt de vader, zo heeft hij ter zitting verklaard, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de dochter van € 50,- per maand. Het hof ziet daarin aanleiding deze bijdrage vast te stellen met betrekking tot de perioden die in geschil zijn voorafgaande aan 1 december 2007.

10. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 22 april 1997 - de door de vader aan de dochter te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de periode van 6 april 2006 tot 1 november 2006 op € 50,- per maand, voor de periode van 1 november 2006 tot 1 september 2007 op nihil, voor de periode van 1 september 2007 tot 1 december 2007 op € 50,- per maand, en met ingang van 1 december 2007 op € 227,74 per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, van Nievelt en van Wijk, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2007.