Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1998

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
BK-06/00214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De situatie van belanghebbende, werknemer met een ter beschikking gestelde personenauto, verschilt van die van een werknemer met een bestelauto als bedoeld in het Besluit 24 mei 2002, DGB 2002/2794, V-N 2002/28.13 waarbij de bijtelling ter zake van privé-gebruik. is beperkt tot 2,5% van de waarde met een maximum van € 450 per jaar. De waarde van de bestelauto is niet gerelateerd aan het privé-genot van de gebruiker. Geen gelijke gevallen. Voor zover ten aanzien van het woon-werkverkeer sprake is van ongelijke fiscale behandeling is daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging aan te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

24 juli 2007

nummer BK-06/00214

UITSPRAAK

gewezen op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juli 2006, nummer

AWB 05/5672, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 8 oktober 2004 door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de

Belastingdienst P, voor het jaar 2002 een aanslag in de inkom-stenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.103.

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwa-ren van belanghebbende afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep onge-grond verklaard.

2. Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het gerechtshof van 6 februari 2007, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvol-doende weersproken, in hoger beroep het volgende vast, zulks in aanvulling en ten dele in afwijking op de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld.

In 2002 heeft belanghebbende over het gehele jaar verspreid, naast de zogenoemde woon-werkkilometers, 397 kilometers voor privé-doeleinden gereden met de aan hem door zijn werkgever ter beschikking gestelde personenauto.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het voordeel dat belanghebbende heeft uit de aan hem als werknemer ter be-schikking gestelde personenauto juist heeft vastgesteld, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende heeft – zakelijk weergegeven – ter onder-steuning van zijn standpunt in hoger beroep het volgende aange-voerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft met het bepaalde in het Besluit van 24 mei 2002, nr. DGB 2002/2794, V-N 2002/28.13 (hierna: het Besluit) het legaliteitsbeginsel geschonden door voor een bepaalde categorie van door de werkgever ter beschik-king gestelde bestelauto’s voor woon-werkverkeer een aanzien-lijk gunstiger fiscale regeling te geven dan voor ter beschik-king gestelde personenauto’s. Hij heeft van de hem gegeven bevoegdheid tot het geven van tegemoetkomend beleid geen pru-dent gebruik gemaakt.

Vanuit fiscaal opzicht is het gebruik van een bestelauto voor woon-werkverkeer gelijk aan het gebruik van een personenauto voor dat doel. Voor het verschil in fiscale behandeling dat het gevolg is van de toepassing van het Besluit, bestaat geen ob-jectieve en redelijke rechtvaardiging. In het geval dat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen is de ongelijke behan-deling van ongelijke gevallen dermate onevenredig dat op die grond het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Op eenvoudige wijze kan aan de ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid tegemoet worden gekomen. Belanghebbende dient op dezelfde wijze te wor-den behandeld als de werknemers met de bestelauto’s omschreven in het Besluit. De bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de personenauto dient te worden vastgesteld op: primair het ingevolge het Besluit geldende maximum van € 450 voor bestelau-to’s die naast woon-werkverkeer niet mogen worden gebruikt voor privé-doeleinden en subsidiair op 2,5 percent van de gemiddelde cataloguswaarden van de personenauto’s die belanghebbende in 2002 volgtijdelijk ter beschikking zijn gesteld, hetgeen, naar belanghebbende heeft berekend, uitkomt op een bedrag van € 835.

4.3. De Inspecteur houdt de juistheid van de aanslag staande.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van primair € 86.207 en subsidiair € 86.592.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het in het Besluit – voorafgaande aan een wetswijziging per 1 januari 2003 - neergelegde goedkeurende beleid houdt in dat met ingang van 1 januari 2002 voor bestelauto’s, waarvan het privé-gebruik is beperkt door de aard of de inrichting daarvan en waarvan tevens het privé-gebruik uitsluitend is beperkt tot regelmatig woon-werkverkeer, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.145 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (tekst 2002; hierna: de Wet), de bijtelling voor het pri-vé-gebruik op jaarbasis in plaats van 10 percent wordt gesteld op 2,5 percent van de waarde van de bestelauto, met dien ver-stande dat daarbij als waarde van de bestelauto ten hoogste

€ 18.000 in aanmerking wordt genomen, zodat de bijtelling nooit hoger uit kan komen dan € 450 per jaar.

6.2. De in het Besluit genoemde categorie auto’s waarvoor een tegemoetkoming is gegeven betreft bestelauto’s waarbij de Be-sluitgever ervan is uitgegaan dat het privé-gebruik naar aard en omvang beperkt is. Dit houdt, ingevolge het bepaalde in artikel 22, lid 1, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelas-ting 2001, in verbinding met artikel 3.145, tweede lid van de Wet, onder meer in dat de bestelauto geen zitruimte achter de bestuurder heeft, het gebruik van de bestelauto voortvloeit uit de werkzaamheden van de belastingplichtige, de bestelauto is ingericht of dient voor het vervoeren van goederen en de belas-tingplichtige beschikt over een verklaring van de inhoudings-plichtige waaruit blijkt dat aan de eerdervermelde voorwaarden is voldaan. Niet gesteld is dat de personenauto die aan belang-hebbende ter beschikking is gesteld of de situatie van belang-hebbende overeenkomt met een of meer van de hiervoor genoemde kenmerken.

6.3. Belanghebbende heeft naast de voor regelmatig woon-werkverkeer gemaakte kilometers in 2002 bovendien nog 397

kilometers voor privé-doeleinden gereden. Als gevolg daarvan is het door belanghebbende genoten voordeel in het onderhavige jaar op grond van artikel 3.145, negende lid van de Wet gesteld op 10 percent van de cataloguswaarde van de auto. Degene met een bestelauto die met recht een beroep wil doen op het Besluit mag echter geen kilometers voor privé-doeleinden rijden.

6.4. In al die opzichten verschilt de situatie van belangheb-bende van die van een werknemer op wie de regeling neergelegd in het Besluit van toepassing is en is er derhalve geen sprake van vergelijkbare gevallen.

6.5. De enige overeenkomst die belanghebbende vertoont met degene aan wie de bestelauto ter beschikking is gesteld als bedoeld in het Besluit is de omstandigheid dat beiden de ter beschikking gestelde auto gebruiken voor regelmatig woon-werkverkeer.

6.6. Alvorens het Besluit tot stand kwam is door de staatsse-cretaris van Financiën tijdens het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer over onder andere vragen van de leden De Vries en Dijsselbloem met betrek-king tot het privé-gebruik van de bestelauto - voor zover van belang - het volgende opgemerkt:

“Een van de redenen dat er een complexe regeling is, is dat in het regeerakkoord is afgesproken dat er meer dan voorheen reke-ning wordt gehouden met het privégebruik van auto’s bij het be-lasten van voordelen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de uitspraak van de Hoge Raad hierover. Dit heeft geleid tot een staffel voor de bijtelling van privé-kilometers. Over de wetgeving die uit deze afspraken is voortgekomen, is twee jaar lang veel gediscussieerd, omdat de administratieve lasten bij het gebruik van bestelauto’s disproportioneel kunnen worden genoemd. Met het forfait dat neerkomt op een bijtelling van 10%, wordt voor een deel tegemoetgekomen aan dit probleem. (…) Het uitgangspunt is dat het woon-werkverkeer bij alle automobi-listen in enigerlei mate wordt belast. Dat kan bij bestelauto’s worden georganiseerd op een andere manier, die leidt tot een lagere druk, maar een reductie tot nul is niet haalbaar vanwege het gelijkheidsbeginsel. In tegenstelling tot bij de lease-auto is de waarde van de bestelbus niet gerelateerd aan het privé-genot dat de gebruiker eraan ontleent. De administratieve las-ten van het bijhouden van kilometers zijn categorisch anders bij bestelauto’s. Werknemers worden hierbij door hun werkgever verplicht om gebruik te maken van een bepaald type auto, omdat deze uit hoofde van de functie noodzakelijk is. Deze kan dus niet worden beschouwd als een onderling overeengekomen arbeids-voorwaarde.”

(Kamerstukken II, 2001/02, 28 000 IXB, nr. 29, blz. 3-4.)

6.7. In het vorengenoemde overleg werd tevens opgemerkt dat de ter beschikking gestelde personenauto kan worden beschouwd als een vorm van beloning, waarbij terecht belasting wordt geheven over het genoten voordeel, maar dat dit niet geldt voor de bestelauto waarvan de werknemer verplicht wordt ten behoeve van zijn werkzaamheden gebruik te maken. Voorts werd door de staat-secretaris van Financiën opgemerkt dat bij een bestelauto de cataloguswaarde niet afhankelijk is van het privé-genot van de gebruiker, als het bijvoorbeeld gaat om een zware motor, maar bij een ter beschikking gestelde personenauto wel, reden waarom bij de bestelauto een maximum is gesteld in het Besluit en bij de personenauto niet. (Kamerstukken II, 2001/02, 28 000, IXB, nr. 29, blz. 5.) Waarmee de staatssecretaris kennelijk heeft bedoeld dat in het geval van de aanschaf van een bestelauto de daarvoor te betalen hogere catalogusprijs mede wordt bepaald door zakelijke, met de gebruiksmogelijkheden van de bestelauto samenhangende factoren en niet zozeer factoren die samenhangen met het genot van de gebruiker.

6.8. Voorzover het Besluit tot gevolg heeft dat een ongelijke fiscale behandeling ontstaat bij het gebruik van een bestelauto voor regelmatig woon-werkverkeer ten opzichte van een ter be-schikking gestelde personenauto vindt deze behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging in hetgeen hiervoor onder 6.6 en 6.7 is weergegeven ten aanzien van het beperkte feitelijke privé-genot van een bestelauto en het daaruit voort-vloeiende beperkte beloningsvoordeel. Evenmin is, gelet op het vorenoverwogene, sprake van een overduidelijke onevenredige ongelijke behandeling van het geval van belanghebbende ten opzichte van het geval waaraan het Besluit tegemoet komt.

6.9. Belanghebbende heeft ten slotte een beroep gedaan op het legaliteitsbeginsel. Dit beroep kan belanghebbende niet baten. In het geval een dergelijk beroep gegrond is, heeft dat immers tot gevolg dat het Besluit onverbindend wordt verklaard. Be-langhebbende heeft in dat geval geen recht op een gunstiger behandeling dan in de Wet is voorgeschreven.

6.10. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Vonk, Van Knobelsdorff en Engel. De beslissing is op 24 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Postema) (Vonk)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.