Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1991

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
BK-06/00072
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag 2001; door belanghebbende verrichte werkzaamheden zijn niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard; zelfstandigenaftref mogelijk; navorderingsaanslag niet opgelegd in strijd met abbb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

6 maart 2007

nummer BK-06/00072

UITSPRAAK

op het hoger beroep van Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 januari 2006, nummer AWB 05/2546 IB/PVV G D3, betreffende na te noemen navorderingsaanslag .

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor de recht bank

1.1 Aan belanghebbende te woonplaats is door Inspecteur voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1.2 Vervolgens heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor dat jaar opgelegd.

1.3 Het door belanghebbende tegen deze navorderingsaanslag gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen.

1.4 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd en de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 644 en de Staat gelast het griffierecht van € 37 aan haar te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 12 december 2006. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het door belanghebbende ingestelde hoger beroep betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premieheffing voor het jaar 2002, kenmerk Hof BK-06/00074. Voor zover in die zaak stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige zaak te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

3.1 Belanghebbende oefent samen met haar partner in de vorm van een vennootschap onder firma een tandtechnische praktijk uit. De gezamenlijke praktijkuitoefening is ongeveer 25 jaar geleden aangevangen. De vennootschap onder firma werkt samen met een tandarts en een implantoloog die wekelijks spreekuur houden op het adres van de vennootschap onder firma. Belanghebbende heeft geen speciale opleiding voor dit vak gevolgd, maar zij heeft zich de vaardigheden in de praktijk eigen gemaakt. De echtgenoot heeft gedurende twee jaar een MBO-opleiding gevolgd, maar hij heeft deze niet voltooid. Er zijn geen personeelsleden in de praktijk werkzaam

3.2 De uren die beide vennoten dagelijks aan praktijkwerkzaamheden besteden, kunnen als volgt worden samengevat:

belangh. partner

in- en verkoopwerkzaamheden 0,5 0,5

patiënteninformatie en -verzorging 2,0 2,0

patiëntenbehandeling/lab.werkzaamheden/

regelen werk derden 2,5 6,0

cliëntenadministratie/

voorbereiden declaraties 2,0 1,0

receptie- en wachtruimtewerkzaamheden 3,0 0,5

administratie 1,0 1,0

totaal 11,0 11,0

3.3 Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte voor de inkomstenbelasting gedaan. Het aangiftebiljet is op 26 november 2002 door de Inspecteur ontvangen. Blijkens de bij het biljet gevoegde bijlage is van de winst van de vennootschap onder firma 35 percent aan belanghebbende toegekend en 65 percent aan haar partner. Belanghebbende heeft bij de berekening van haar winst uit onderneming een bedrag van € 4.675 als zelfstandigenaftrek in aftrek gebracht.

3.4 Met dagtekening 18 maart 2003 heeft de Inspecteur de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 vastgesteld. Hij heeft daarbij de aangifte gevolgd.

3.5 Vervolgens heeft de Inspecteur in 2004 een onderzoek doen instellen ter beoordeling van het samenwerkingsverband over de jaren 2001 tot en met 2003. Het rapport van het onderzoek van 7 december 2004 behoort tot de stukken van het geding. In het rapport is als standpunt van de Inspecteur opgenomen dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband en dat ten aanzien van belanghebbende sprake is van werkzaamheden van ondersteunende aard. In het rapport is voorts verwoord dat, gelet op de duur en de aard van de werkzaamheden, de winstverdeling zakelijk is te noemen.

3.6 Vervolgens heeft de Inspecteur de onderwerpelijke navorderingsaanslag opgelegd en de zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. Het bij de navordering vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 35.527.

3.7 Het door belanghebbende tegen de navorderingsaanslag gerichte bezwaar is door de Inspecteur afgewezen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is primair het antwoord op de vraag of aan de Inspecteur het recht tot navorderen toekomt en vervolgens of hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend

4.2 Het standpunt van de Inspecteur houdt in dat de aangifte geen aanleiding vormde voor een onderzoek naar de vraag of belanghebbende terecht de zelfstandigenaftrek in aftrek heeft gebracht en dat ervan mag worden uitgegaan dat haar gemachtigde die de aangifte heeft opgesteld, op de hoogte was van de wetswijziging per 1 januari 2001 en de daarin opgenomen verscherping van de voorwaarden voor de aftrek. Hij heeft bij belanghebbende een onderzoek doen instellen nadat hij had geconstateerd dat in een aantal gevallen in een situatie als de onderhavige ten onrechte zelfstandigenaftrek werd geclaimd. Voorts houdt hij staande dat de werkzaamheden van belanghebbende hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en dat het ongebruikelijk is een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen aan te gaan.

4.3 Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur niet over een zogenoemd nieuw feit beschikt en dat terecht een beroep op de zelfstandigenaftrek is gedaan. Er is geen sprake van kwade trouw.

5. Conclusies van partijen

5.1 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2 De conclusie van belanghebbende is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 In het aangiftebiljet en de daarbij gevoegde bijlage is vermeld dat belanghebbende met haar huisgenoot voor het fiscale partnerschap koos en dat zij het gehele jaar 2001 samenwoonde met haar huisgenoot. Voorts is onder meer melding gemaakt van de vennootschap onder firma, dat belanghebbende en haar partner de vennoten zijn en zijn de werkzaamheden van de vennootschap onder firma omschreven.

6.2 Naar het Hof uit de stellingen van de Inspecteur afleidt heeft hij de aangifte beoordeeld en daarbij geen aanleiding gezien een onderzoek in te stellen naar de aard van de door belanghebbende voor de onderneming verrichte werkzaamheden en naar de mogelijke ongebruikelijkheid van een samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen in overigens gelijke omstandigheden. Een onderzoek heeft hij eerst noodzakelijk geacht nadat hem uit andere gevallen was gebleken dat ten onrechte aanspraak werd gemaakt op zelfstandigenaftrek.

6.3 De Inspecteur mag in de regel met vertrouwen op de aangifte afgaan. De omstandigheid dat voor maatschappen als de onderhavige de voorwaarden voor het in aanmerking komen van de zelfstandigenaftrek met ingang van 2001 zijn verzwaard, brengt op zich zelf niet mee dat de Inspecteur in alle gevallen een onderzoek dient in te stellen alvorens hij de aanslag van de leden van het samenwerkingsverband vaststelt. In het onderhavige geval maakte de aangifte een verzorgde indruk en was deze opgesteld door een kantoor waarvan de nodige deskundigheid mag worden verwacht. De resultaten van het onderzoek betreffende de aard van de door belanghebbende verrichte werkzaamheden heeft voor de Inspecteur de aanleiding gevormd de in geschil zijnde navorderingsaanslag op te leggen. Dit is het nieuwe feit en naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een ambtelijk verzuim aan de zijde van de Inspecteur. Dit nieuwe feit rechtvaardigt de navordering. Overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waardoor het navorderen in strijd zou zijn met enig beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel.

6.4 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten minste 1.225 uren heeft besteed aan werkzaamheden voor de gezamenlijk met haar echtgenoot gevoerde onderneming. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door haar bestede uren, gespecificeerd in 3.6, op grond van het bepaalde in artikel 3.6, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zijn uitgesloten. De bewijslast dat belanghebbende een voldoende groot aantal kwalificerende uren voor deze onderneming heeft besteed, rust op haar.

6.5 Zoals is bepaald in het in 6.4 genoemde wetsartikel komen in een geval als het onderhavige niet in aanmerking werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband indien deze hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het tevens ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. Slechts indien aan dit dubbele vereiste is voldaan, kwalificeren de werkzaamheden niet.

6.6 De in 3.2 opgenomen omschrijving van de werkzaamheden en de daaraan bestede uren zijn tussen partijen niet in geschil. Partijen strijden echter over het al dan niet ondersteunende karakter van de in dat overzicht opgenomen werkzaamheden. Naar het oordeel van het Hof behoren in een geval als het onderhavige in ieder geval niet tot de ondersteunende werkzaamheden die werkzaamheden waarbij de patiënt direct is betrokken en welke naar hun aard omzet kunnen genereren. Mede gelet op de door belanghebbende in hoger beroep verstrekte toelichting acht het Hof het verstrekken van informatie aan patiënten als werkzaamheden die niet van ondersteunende aard zijn, althans voor zover deze informatie de medische en technische aspecten van de tandtechnische werkzaamheden betreft en deze informatie niet in algemene vorm plaatsvindt, bijvoorbeeld door het uitreiken van een folder. Ook acht het Hof patiëntenverzorging, patiëntenbehandeling en laboratoriumwerkzaamheden niet ondersteunend van aard. Al hetgeen de Inspecteur in dit kader heeft aangevoerd, brengt geen wijziging in dit oordeel.

6.7 Het Hof schat de tijd die is gemoeid met de niet ondersteunende werkzaamheden, in goede justitie als volgt: (het in dit verband kwalificerende gedeelte van) de patiënteninformatie en de patiëntenverzorging tezamen 1,5 uur per dag, alsmede de patiëntenbehandeling en laboratoriumwerkzaamheden tezamen 2 uur per dag. Het betreft derhalve 31,8 percent van het totaal van de door belanghebbende in de onderneming verrichte werkzaamheden, zodat de slotsom is dat de door haar verrichte werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn.

6.8 Nu aan de eerste voorwaarde voor de uitsluiting van de zelfstandigenaftrek niet is voldaan, komt een beoordeling van een ongebruikelijkheid van het samenwerkingsverband niet aan de orde.

6.9 Al hetgeen hiervoren is overwogen leidt tot de slotsom dat het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond, zodat het Hof de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen, zij het met verbetering van de gronden.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk BK-06/00074 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 966 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)), waarvan te dezen de helft, derhalve

€ 483 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2 Voorts dient van de Staat op de voet van artikel 27l, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een griffierecht van € 414 te worden geheven.

8. Beslissing

Het Gerechthof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 483, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast dat van de Staat een griffierecht wordt geheven van € 414.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Savelbergh, Van Walderveen en Pijl. De beslissing is op 6 maart 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van de Vijver)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

nummer BK-06/00072 blz. 2/8