Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1924

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
06/806
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO0192, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BO0192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Rioolstelsel. Riooloverstort. Lozing afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen in oppervlaktewater. Gemeente heeft jegens appellant onrechtmatig gehandeld door te lozen zonder WVO-vergunning. Appellant dient te bewijzen dat daardoor, dan wel door het beweerde tekortschieten van de Gemeente bij de doelmatige inzameling en het doelmatige transport van afvalwater schade bij appellant is opgetreden.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 1
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/5 met annotatie van Bos
JBO 2007/41 met annotatie van Van der Meijden
O&A 2007, 115

Uitspraak

Uitspraak: 16 augustus 2007

Rolnummer: 06/806

Rolnr. rechtbank: 03-2597

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

2. [APPELLANT 2],

beiden wonende te [plaatsnaam],

appellanten,

hierna te noemen: appellant,

procureur: mr. E.J. van der Wilk,

tegen

DE GEMEENTE ZEDERIK,

zetelende te Meerkerk, gemeente Zederik,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 juni 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 19 januari 2005 en 8 maart 2006, door de rechtbank te Dordrecht gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven tegen de vonnissen vonnis aangevoerd, welke door de Gemeente bij memorie van antwoord (met productie) zijn bestreden. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 [appellant] heeft van een rechtsvoorgangster van de Gemeente op 27 augustus 1984 een perceel grond gekocht aan [adres]. Aan de noordwestelijke zijde werd het perceel grotendeels begrensd door een aldaar doodlopende grenssloot, die gemeenschappelijk eigendom werd van [appellant] enerzijds en de Gemeente, onderscheidenlijk de eigenaar van een weiland anderzijds. Aan het noordelijke einde van die sloot bevond zich de uitstroomconstructie van een tot het gemeentelijke rioolstelsel behorende overstort. Voor het met behulp van deze overstort brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm ook in oppervlaktewater behoeft de Gemeente een vergunning ingevolge artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: WVO-vergunning). Een WVO-vergunning is met betrekking tot deze overstort niet verleend.

1.2 [appellant] heeft op het perceel een woning laten bouwen. Voorts heeft hij in 1994 het noordelijke gedeelte van bedoelde grenssloot gedempt onder het aanleggen van een rioolbuis en het uitstroompunt verplaatst naar het nieuwe einde van die rioolbuis tevens het nieuwe begin van die sloot. In 1997 heeft [appellant] het uitstroompunt wederom verplaatst, en wel naar de achterin zijn tuin gelegen vijver, onder verlenging van de rioolbuis en verdere demping van de grenssloot. Daarvoor heeft hij toestemming van de Gemeente gekregen. Boven de door hem gedempte grenssloot en de door hem daarin gelegde rioolbuis heeft [appellant] een schuur gebouwd.

1.3 Naar aanleiding van klachten van [appellant] over stankoverlast ten gevolge van de riooloverstort hebben ambtenaren van de Gemeente en het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden op 16 februari 1999 het perceel van [appellant] bezocht. Bij brief van 16 maart 1999 heeft de Gemeente naar aanleiding van dit bezoek aan [appellant] meegedeeld dat bij inspectie van een put (hof: achter het woonhuis op het perceel van [appellant] gesitueerd en kennelijk deel uitmakend van het overstortsysteem) was geconstateerd dat de bovenzijde ervan de afgelopen jaren onvoldoende afgedekt is geweest en dat dat in combinatie met het onvoldoende sluiten van de terugslagklep in de put wellicht mede de oorzaak kan zijn van de klacht van [appellant] over stankoverlast. De Gemeente heeft daarbij aangeboden eenmalig mee te werken aan een op haar kosten te verrichten bovenafsluiting en reiniging van de put. [appellant] heeft daarmee niet ingestemd.

1.4 Na aankondiging daarvan bij brief van 5 juli 2000 heeft de Gemeente de riooloverstort op 6 december 2000 buiten werking gesteld.

1.5 Naar aanleiding van een voorgenomen diepteschouw van de aan het perceel van [appellant] grenzende watergang heeft het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (verder: het Hoogheemraadschap) bij brief van 28 februari 2000 aan [appellant] bericht dat eventueel te verwijderen baggerspecie niet tot matig verontreinigd was en derhalve door hem op de kant mocht worden gezet. De toenmalige raadsman van [appellant] heeft bij brief van 12 oktober 2000 de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de verontreiniging van deze watergang (de vijver). In opdracht van [appellant] heeft Inpijn-Blokpoel Arkel Milieu b.v. (verder: Inpijn) een indicatief waterbodemonderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van het slib in de vijver. Tevens is een boring in de grond naast de vijver geplaatst ter controle van in het verleden uitgevoerde baggerwerkzaamheden, waarbij bagger aldaar op de oever is gezet. In het op 8 december 2000 uitgebrachte rapport heeft Inpijn geconcludeerd dat in de grond geen verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen zijn aangetroffen en daar geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, alsmede dat in de vijver sprake is van klasse 4 slib op basis van minerale olie en dat dat slib niet geschikt is voor hergebruik en niet aan de kant mag worden verwerkt.

1.6 Vervolgens heeft Arnicon B.V., een milieukundig en geotechnisch adviesbureau (verder: Arnicon) in opdracht van [appellant] een nader bodemonderzoek ter plaatse van het perceel van [appellant] uitgevoerd. In het op 10 april 2001 uitgebrachte rapport heeft Arnicon als resultaten van het nader onderzoek vermeld dat het slib in de tuin en onder de rioleringsbuis ter hoogte van de vijver niet is verontreinigd met minerale olie, dat van de drie onderzochte oliemonsters uit de vijver er één licht verontreinigd is met minerale olie en de overige twee niet verontreinigd zijn, dat het grondwater licht verontreinigd is met zink en dat voor het overige in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetoond. Op basis van deze resultaten en die van het voorgaande onderzoek wordt de omvang van de verontreiniging met klasse 4 slib geschat op circa 15 m³. Arnicon concludeert op basis van de geschatte omvang dat sprake is van een niet ernstig geval van waterbodemverontreiniging ter plaatse van de vijver, en beveelt aan dat in het kader van de Wet bodembescherming geen sanering behoeft plaats te vinden van de verontreinigde bodem, en voorts om het verontreinigde slib samen met het overige slib te verwijderen, te beginnen met het apart te houden sterk verontreinigde slib.

1.7 Omstreeks 30 augustus 2001 heeft [appellant] aan BAM NBM Milieu bv (verder: BAM) opdracht gegeven tot het verrichten van opruimwerkzaamheden (waaronder verwijdering van de boven de door hem aangebrachte rioolbuis geplaatste schuur), sanering van de vijverbodem en sanering van de riooloverstort en de afvoer naar de vijver. BAM heeft de opgedragen werkzaamheden uitgevoerd in de periode van 15 tot en met 24 oktober 2001. In haar brief d.d. 7 december 2001 aan [appellant] met als onderwerp “Evaluatie Sanering” heeft BAM geconcludeerd dat in totaal 78,25 ton verontreinigd slib is afgevoerd en dat op basis van de omvang (>25 m³) en de mate van verontreiniging (klasse 4 slib) sprake was van een ernstig geval van (water)bodemverontreiniging.

1.8 Op 19 januari 2001 heeft Hendrika [appellant]-Wessels bij de politie van het district Alblasserwaard-Vijfheerenlanden aangifte gedaan tegen de Gemeente van het lozen van afvalstoffen in het oppervlaktewater. In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek naar aanleiding van deze aangifte is prof. dr. ir. F.H.L.R. Clemens (verder: Clemens) op 20 augustus 2002 door de rechter-commissaris tot getuige-deskundige benoemd. Clemens heeft in zijn op 11 januari 2003 uitgebrachte rapport als samenvatting en conclusies opgenomen:

Er is sprake van een situatie waar regelmatig afvalwater via een overstortput en een overstortleiding op het perceel van [appellant] is geloosd. Deze situatie is naar alle maatstaven onacceptabel. [appellant] heeft één en andermaal aan de betrokken overheden (gemeente Zederik en het ZHEW) aangegeven overlast te ondervinden van de lozingssituatie zonder dat daar actie op is ondernomen. Door de uiteindelijk (na jaren) ondernomen acties is de lozing op adequate wijze beëindigd. Tevens is de sanering van de verontreiniging op het perceel van [appellant] correct uitgevoerd waardoor nu kan worden gesproken van een normale, gezonde woonsituatie, De wijze waarop [de gemeente] lange tijd is omgegaan met de invulling van haar wettelijke zorgplicht is discutabel.

2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat deze de Gemeente zal veroordelen aan hem € 322.987,20 te betalen, met rente en proceskosten. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. De eerste grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank in het eindvonnis dat de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen geen beantwoording behoeft nu naar het oordeel van de rechtbank door [appellant] onvoldoende is gesteld voor de conclusie dat causaal verband aanwezig is. [appellant] voert aan dat de rechtbank hiermee miskent dat voor aansprakelijkheid niet zonder meer causaal verband aanwezig hoeft te zijn. Hij wijst erop dat er ook nog risicoaansprakelijkheid bestaat en dat aansprakelijkheid van de Gemeente bestaat in het feit dat het niet aangaat een bouwkavel te leveren met een zich daarop bevindende overstort, zonder daarop te wijzen. Hij voert voorts aan dat hij in eerste aanleg heeft gesteld dat het rioolstelsel van de Gemeente niet goed werkte waardoor de riooloverstort op zijn grond zeer frequent in werking trad. Hij haalt daarbij een gedeelte van het in rechtsoverweging 1.8 weergegeven citaat uit het rapport van Clemens aan. [appellant] voert voorts aan dat deze overweging strijdig is met het tussenvonnis van de rechtbank omdat de rechtbank in dat tussenvonnis een comparitie heeft gelast ter verkrijging van feitelijke informatie en daarbij kennelijk de aansprakelijkheid van de Gemeente heeft aangenomen. Daartegen keert zich ook de tweede grief. De derde grief valt de beslissing van de rechtbank aan tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] tot reiskostenvergoeding en wegens gederfde inkomsten uit onderneming. Hij verwijst daarbij naar een brief die hij na het tussenvonnis aan de rechtbank heeft geschreven Hij stelt dat de rechtbank hem op zijn minst alsnog in de gelegenheid had moeten stellen tot bewijslevering en biedt alsnog bewijs aan. De vierde grief richt zich tegen het feit dat de rechtbank haar overwegingen ter motivering waarom zij van oordeel is dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat causaal verband aanwezig is, heeft vastgesteld zonder aan [appellant] de gelegenheid te hebben geboden nader bewijs te leveren. De vijfde grief ten slotte klaagt over de afwijzing van de vordering van [appellant] tot vergoeding van immateriële schade. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. [appellant] vordert in deze procedure schadevergoeding. Het hof stelt voorop, dat ingevolge artikel 6:98 BW voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. De stelling van [appellant] dat er voor aansprakelijkheid niet zonder meer causaal verband aanwezig behoeft te zijn, vindt derhalve geen steun in het recht.

5. Nu [appellant] schadevergoeding vordert, zal hij zowel zijn schade als de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de Gemeente berust, als ook het bovenomschreven causale verband tussen die gebeurtenis en de schade moeten stellen en bij betwisting onderbouwen en zo nodig bewijzen. De vordering dient te worden afgewezen als de gebeurtenis, de schade of het causale verband niet komt vast te staan. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat het causale verband niet is komen vast te staan. Anders dan [appellant] aanvoert, stond het tussenvonnis van de rechtbank daaraan niet in de weg. De rechtbank heeft in dat tussenvonnis in haar beoordeling van de vordering immers geen enkele overweging gewijd aan de vraag of de Gemeente op enig punt nalatig is geweest, laat staan dat zij daarover een bindende eindbeslissing heeft genomen. Uit het enkele feit dat de rechtbank inlichtingen behoefde met betrekking tot de gang van zaken rondom de sanering en de daarmee samenhangende verwijdering van de hoeveelheid grond, kan een zodanige beslissing niet worden afgeleid.

6. Voor zover [appellant] zijn vordering heeft gegrond op de stelling dat de Gemeente is tekortgeschoten in haar mededelingsplicht dat de uitstroomconstructie van de overstort in de grenssloot aanwezig was, heeft te gelden dat dit niet tot de door [appellant] gevorderde schadevergoeding kan leiden. Nog daargelaten of [appellant] binnen bekwame tijd nadat hij van de aanwezigheid van de uitstroomopening op de hoogte is geraakt of had moeten geraken, daaromtrent bij de Gemeente heeft geprotesteerd (in de jurisprudentie wordt terzake over het algemeen een termijn van twee maanden aangenomen), is de beweerde schade van [appellant] naar zijn eigen stellingen niet het gevolg van de aanwezigheid van de uitstroomconstructie, maar van het (beweerdelijk) disfunctioneren van de overstort. Dat de Gemeente bij de verkoop van het perceel wist of had moeten begrijpen dat de aanwezige overstort aanleiding gaf tot voortdurende overlast en vervuiling, zoals door [appellant] bij dagvaarding in eerste aanleg naar voren gebracht, is door de Gemeente betwist en door [appellant] niet verder onderbouwd, zodat dat niet is komen vast te staan.

7. [appellant] heeft zijn vordering voor het overige gebaseerd op de stelling dat zijn diverse schades zijn ontstaan doordat de Gemeente heeft geloosd zonder WVO-vergunning en is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting te zorgen voor een doelmatige inzameling en doelmatig transport van afvalwater. Dat zou ertoe hebben geleid dat de onderhavige overstort zeer frequent in werking trad; [appellant] verwijst daarbij naar zijn eigen waarnemingen en het in rechtsoverweging 1.8 aangehaalde rapport van Clemens. De Gemeente heeft betwist dat door haar handelen zonder vergunning schade bij [appellant] is ontstaan, dat zij is tekortgeschoten bij de inzameling en het transport van afvalwater en dat de overstort vaker dan normaal in werking trad, zij heeft zich daarbij beroepen op een rapport van Oranjewoud en de inhoud van het rapport van Clemens betwist.

8. Het hof is van oordeel dat de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door te lozen zonder WVO-vergunning. Dat daardoor, dan wel door het beweerde tekortschieten van de Gemeente bij de doelmatige inzameling en het doelmatige transport van afvalwater schade bij [appellant] is opgetreden, zal hij gelet op de betwisting door de Gemeente dienen te bewijzen. Waar deze schade in beide gevallen volgens [appellant] het gevolg is geweest van het zeer frequent in werking treden van de overstort, zal het hof [appellant] toelaten te bewijzen dat de riooloverstort nabij zijn woning in de periode van 27 augustus 1984 tot 6 december 2000 vaker in werking was dan tienmaal per jaar (de door Clemens aangegeven toegestane maximale gemiddelde overstortfrequentie bij de aanleg van de overstort, die door de Gemeente niet is betwist). Het hof wijst er daarbij op dat het rapport van Clemens als aanvullend bewijs op dit punt onvoldoende gewicht in de schaal legt, nu dat rapport niet is gebaseerd op feitelijk onderzoek over die periode.

9. Mocht [appellant] in dat bewijs slagen, dan komt de vraag aan de orde of er causaal verband bestaat tussen dit tekortschieten van de Gemeente en elk van de door [appellant] opgevoerde schadeposten.

De (water)bodemsanering

10. De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat de verontreiniging van de waterbodem waarvan het Hoogheemraadschap de noodzakelijke verwijdering in het vooruitzicht stelde, door de overstort is veroorzaakt. Zij heeft aangevoerd dat de aard van de aangetroffen verontreiniging daarop niet wijst. Het hof zal [appellant], ten vervolge op het in rechtsoverweging 7 bedoelde bewijs, toelaten te bewijzen dat de verontreiniging van de bodem van zijn vijver is veroorzaakt door het vaker dan toelaatbaar in werking zijn van de overstort. Voorts heeft de Gemeente aangevoerd dat [appellant] zijn schade had kunnen beperken door de verontreinigde waterbodem, zodra opgebaggerd, om niet af te laten voeren door het Hoogheemraadschap. Te gelegener tijd zal de Gemeente worden toegelaten dat te bewijzen.

11. [appellant] heeft niet alleen de waterbodem op diepte laten brengen en de verontreinigde baggerslib laten verwijderen, maar ook de door hemzelf aangelegde rioolbuis en de daarbij aangetroffen grond. Nergens blijkt evenwel uit dat hij daartoe gehouden was. Deze kosten zijn daarom naar het oordeel van het hof niet veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Gemeente, indien bewezen, maar door de eigen keuze van [appellant]. Dat wordt niet anders doordat de werkzaamheden, zoals [appellant] stelt, door BAM op juiste wijze zijn uitgevoerd. Voor zover de vordering van [appellant] deze extra kosten betreft (inclusief die van het afbreken en herbouwen van de schuur en het herinrichten van de tuin) ligt zij derhalve voor afwijzing gereed.

Inkomstenderving Eetruif

12. [appellant] heeft voorts vergoeding gevorderd van zijn inkomstenderving doordat hij het door hem beoogde bedrijf (een table d’hôte) op zijn perceel niet heeft kunnen uitoefenen. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord deze schadepost gemotiveerd betwist. Gelet daarop had het op de weg van [appellant] gelegen zijn stelling dat hij deze schade heeft geleden te onderbouwen. Dat heeft hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende gedaan. Het overleggen van een uittreksel uit het handelsregister is ten enenmale onvoldoende om hem op dit punt nog tot bewijs toe te laten, zodat het hof aan zijn bewijsaanbod, voor zover dat op deze schade betrekking heeft, eveneens voorbijgaat. Voor zover zijn vordering op deze schade betrekking heeft, ligt deze voor afwijzing gereed.

Reiskosten

13. [appellant] heeft bovendien vergoeding van reiskosten gevorderd, omdat hij enerzijds zijn huis in verband met de stankoverlast niet zou hebben kunnen verkopen en anderzijds het hem door die stankoverlast onmogelijk was om op zijn perceel een table d’hôte te exploiteren. Ervan uitgaande dat het [appellant] zou zijn toegestaan op zijn perceel een table d’hôte te exploiteren (de Gemeente betwist dat) en dat hij in verband met het niet doorgaan daarvan zijn functie als gespecialiseerd applicatiedeskundige moest blijven uitoefenen en dat dat niet anders dan in Eindhoven mogelijk was, dan nog is naar het oordeel van het hof niet door hem onderbouwd dat hij een bedrag aan reiskosten als schade heeft geleden. Deze reiskosten kon [appellant] immers uit zijn salaris betalen (hij heeft niet gesteld dat hij meer reiskosten heeft gemaakt dan hij aan salaris heeft genoten), terwijl niet is komen vast te staan dat [appellant] uit de door hem op zijn perceel beoogde table d’hôte per saldo een hoger inkomen had verkregen dan zijn salaris, verminderd met reiskosten. [appellant] zelf heeft bij inleidende dagvaarding gesteld dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om van de inkomstenderving bij de table d’hôte een met stukken belegde opstelling te maken; daarop is hij niet teruggekomen. Het hof zal hem dan ook niet toelaten dat alsnog te doen. Nu het hof uitgaat van de juistheid van de stellingen die [appellant] overigens in dit verband naar voren heeft gebracht, zal het voorbijgaan aan het door [appellant] op dit punt in hoger beroep gedane specifieke bewijsaanbod. Ook voor dit deel van de schade ligt de vordering van [appellant] derhalve voor afwijzing gereed.

Immateriële schade

14. Op de gevorderde vergoeding van immateriële schade zal het hof later ingaan.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe te bewijzen:

a. dat de riooloverstort nabij zijn woning in de periode van 27 augustus 1984 tot 6 december 2000 vaker in werking was dan tienmaal per jaar;

b. dat de verontreiniging van de bodem van zijn vijver is veroorzaakt door het vaker dan toelaatbaar in werking zijn van de overstort;

- bepaalt dat, ingeval [appellant] bewijs door middel van het doen horen van getuigen of deskundigen wenst te leveren, deze zullen worden gehoord in een van de zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage, ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissa¬ris mr. A.V. van den Berg op 5 oktober 2007 om 9.30 uur, dan wel, indien een der partijen vóór 13 september 2007 onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden september, oktober en november 2007, opgeeft dan verhinderd te zijn, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain. A.H. de Wild en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2007 in aanwezigheid van de griffier.