Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1802

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
1625-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang; door de rechtbank proefcontacten opgelegd; in dit geval een voor beroep vatbare deelbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 1 augustus 2007

Rekestnummer : 1625-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 04-4493

[appellant],

wonende te Kerkrade,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. V.K.S. Budhu Lall,

tegen

[verweerster],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A.H. van Haga.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 17 november 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 augustus 2006.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 3 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De moeder heeft op 12 juni 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 12 juli 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Op 25 juli 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.J. Baltus, de procureur van de moeder en namens de raad: H. Geleynse en B. van Beek. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 4 februari 2005 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij deze tussenbeschikking is de raad verzocht een aantal proefcontacten tussen de vader en het kind te entameren, daarvan verslag te doen en de rechtbank te adviseren. Bij de bestreden beschikking zijn partijen voor begeleide omgangscontacten van eenmaal in de twee weken voor maximaal een uur, gedurende maximaal zes maanden verwezen naar het Omgangshuis Haaglanden, hierna te noemen: het Omgangshuis, en is de raad verzocht te rapporten omtrent een definitief vast te stellen omgangsregeling. Daarbij is tevens bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij in gebreke mocht blijven een dwangsom moet voldoen van € 250,-. Iedere verdere behandeling is daarbij aangehouden tot 1 maart 2007. Deze beschikking is verbeterd bij beschikking van 1 december 2006.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en [het kind, geboren in] 2000, hierna te noemen: [het kind], die bij de moeder verblijft. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [het kind], de vader heeft haar erkend.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE HOGER BEROEP

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij in staat wordt gesteld om omgang te hebben met [het kind], zonder tussenkomst van het Omgangshuis, maar onder begeleiding van een zodanige persoon of instantie, dat met de opbouw van de omgang op afzienbare tijd kan worden gestart na het wijzen van de beschikking in deze. Voorts verzoekt de vader de raad te gelasten om na het verstrijken van de periode van opbouw op korte termijn te rapporteren over de voortzetting van de omgang. Tenslotte verzoekt de vader de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof primair de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep en subsidiair het door de vader in hoger beroep verzochte af te wijzen, met veroordeling van hem in de kosten van de procedure.

Ontvankelijkheid

4. De moeder betoogt dat het beroep van de vader niet-ontvankelijk is, nu sprake is van een tussenbeschikking. Niets van het oorspronkelijk verzochte – te weten: vaststelling van een omgangsregeling – is volgens de moeder definitief afgedaan in de bestreden beschikking.

5. Het hof oordeelt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, gelet op het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, definitief bepaald dat er omgang dient plaats te vinden tussen de vader en [het kind]. De in de beschikking opgelegde voorlopige omgangsregeling door tussenkomst van het Omgangshuis dient geen ander doel dan vast te stellen hoe de definitieve omgangsregeling er zou dienen uit te zien. In zoverre is er dan ook sprake van een eindbeschikking met betrekking tot de omgang waartegen hoger beroep openstaat, zodat de vader kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

6. Voorts betoogt de moeder dat de vader geen belang heeft bij zijn hoger beroep, nu de vader feitelijk hetzelfde verzoekt als de rechtbank in de bestreden beschikking heeft toegewezen.

7. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft in eerste aanleg uitsluitend de rechtbank verzocht te bepalen dat hij omgang zal hebben met [het kind]. In hoger beroep heeft de vader zijn verzoek veranderd en vermeerderd in dier voege dat hij het hof heeft verzocht te bepalen dat omgang, anders dan de rechtbank heeft bepaald, niet zal geschieden via het Omgangshuis en dat de raad wordt gelast om na het verstrijken van de periode van opbouw op korte termijn te rapporteren over de voortzetting van de omgang. Gelet hierop heeft de vader belang bij zijn hoger beroep. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

8. De vader betoogt dat de rechtbank partijen ten onrechte naar het Omgangshuis heeft verwezen voor begeleide omgangscontacten tussen hem en [het kind], nu omgang door middel van tussenkomst van het Omgangshuis eerst mogelijk is na een indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg en dit besluit uitsluitend tot stand komt indien beide ouders instemmen met de verwijzing, hetgeen gelet op de weigerachtige houding van de moeder tot nu toe niet waarschijnlijk is.

9. De moeder stelt, samengevat weergegeven, dat omgang niet in het belang is van [het kind].

10. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken van contra-indicaties die nopen tot afwijking van het algemene uitgangspunt dat een vader recht heeft op omgang met zijn kind(eren). De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat omgang dient plaats te vinden. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de negatieve gevoelens van de moeder voor de vader, de omgang nog niet onbegeleid kan plaatsvinden. Bovendien dient in het belang van [het kind] de omgang tussen haar en de vader geleidelijk en met zorg opgebouwd te worden, nu tussen hen nog geen contact is geweest. Gelet hierop acht het hof evenals de rechtbank begeleiding via het Omgangshuis de aangewezen weg. Dat, naar is gebleken, de moeder niet bereid is hieraan haar medewerking te verlenen leidt niet tot een ander oordeel.

BEOORDELING VAN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

11. In incidenteel appel verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betrekking hebbend op de begeleide omgangscontacten door middel van tussenkomst van het Omgangshuis en de informatieverplichting, en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader af te wijzen, althans hem het recht op omgang te ontzeggen voor een nader door het hof te bepalen duur.

12. De vader bestrijdt haar beroep.

13. In grief 1 betoogt de moeder dat de rechtbank partijen ten onrechte naar het Omgangshuis heeft verwezen voor begeleide contacten tussen de vader en [het kind], nu, samengevat weergegeven, omgang niet in het belang is van [het kind].

14. Deze grief behoeft, gelet op het overwogene onder 10, geen bespreking meer.

15. In grief 2 betoogt de moeder dat, samengevat weergegeven, de rechtbank buiten het geschil is getreden door aan de bij beschikking van 21 februari 2003 opgelegde verplichting de vader een kleurenfoto van [het kind] te verschaffen toe te voegen dat deze foto duidelijk en scherp dient te zijn. De moeder voert hiertoe aan dat de vader ter zitting bij de rechtbank uitsluitend heeft gesteld dat eerder toegezonden foto’s onduidelijk waren en hij daarbij niet heeft verzocht een nieuwe informatieregeling te treffen.

16. Het hof overweegt als volgt. De vader betoogt terecht dat de rechtbank uitsluitend de reeds bij beschikking van 21 februari 2003 vastgestelde informatieplicht enigszins heeft gepreciseerd, en niet een nieuwe informatieregeling heeft vastgesteld. Mitsdien is de rechtbank niet buiten het geschil getreden.

17. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

18. Het hof ziet geen aanleiding om één van de partijen te veroordelen in de kosten van deze procedure en zal de proceskosten dan ook tussen partijen compenseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, van den Wildenberg en van der Burght, bijgestaan door mr. van Elden als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2007.