Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1675

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
14-08-2007
Zaaknummer
BK-06/00176
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV 2000 (na arrest HR 2 juni 2006, LJN AX6375) UIt het geheel van feiten blijkt dat de gemaakte fout een gevolg is van de door de Inspecteur gekozen werkwijze bij het vaststellen van de defenitieve aanslag. Dat de fout van de Inspecteur belanghebbende kenbaar is geweest doet hier aan het vorenstaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/55.6 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

16 januari 2007

nummer BK-06/00176

UITSPRAAK

op het beroep van belanghebbende te plaatsnaam tegen de uitspraak van de Inspecteur P, betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Aanslag, navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 209.859.

1.2. Vervolgens heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 406.727, zonder boete.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de navorderingslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 16 juni 2004, nr. 03/03966, het beroep ongegrond verklaard.

2.2. Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 2 juni 2006,

nr. 41.128, LJN: AX6375, BNB 2006/316, de uitspraak van voornoemd Hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest, verwezen naar het Gerechtshof te 's Gravenhage.

2.3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het gerechtshof van 21 november 2006, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen

5.2. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

In het geding na cassatie dient te worden uitgegaan van de door het Gerechtshof te Amsterdam onder 2 van zijn uitspraak vastgestelde, in cassatie niet bestreden, feiten. In aanvulling daarop is nog het volgende komen vast te staan:

3.1. De stand van de fiscale oudedagsreserve bedroeg op 1 januari 2000 ƒ 250.868. De stand van het ondernemingsvermogen bedroeg op 31 december 1999 ƒ 260.456. Bij het vaststellen van de voorlopige aanslag voor het onderhavige jaar is een bedrag van ƒ 260.456 als stand van het ondernemingsvermogen per

31 december 2000 ingevuld in plaats van het juiste bedrag van ƒ 0 in verband met de staking van belanghebbendes onderneming in de loop van het jaar.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is primair het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Voorts is subsidiair in geschil of de Inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Meer subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende schade heeft geleden. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de twee laatste vragen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vragen in tegenovergestelde zin.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 209.859. Subsidiair is in geschil het in rekening brengen van een bedrag aan heffingsrente groot ƒ 10.740. Dit bedrag is volgens belanghebbende ten onrechte in rekening gebracht nu de Inspecteur met vertraging de definitieve aanslag heeft opgelegd. Hij heeft door het in reserve houden van de verschuldigde belasting daarop geen respectievelijk een lager rendement kunnen behalen dan de verschuldigde heffingsrente. Meer subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.009,82. Dit tengevolge van de niet-aftrekbaarheid van de materieel verschuldigde inkomstenbelasting als schuld welke in mindering strekt op de rendementsgrondslag.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep op alle onderdelen.

6. Overwegingen omtrent het geschil

Omvang van de verwijzingsopdracht

6.1. De Hoge Raad heeft ter behandeling en beslissing van de zaak - voor zover van belang - het volgende overwogen:

"3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in 2000 zijn onderneming gestaakt en is opgehouden winst uit onderneming te genieten. Hij heeft een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar ingediend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 460.727. Daarin is een vrijval van de fiscale oudedagsreserve opgenomen. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met de vrijval van de fiscale oudedagsreserve. Vervolgens heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of aan de voorwaarden voor navordering is voldaan.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de invoering van de inkomensgegevens uit de aangifte in de computer een medewerker een fout heeft gemaakt door niet op het juiste moment op een knop op het toetsenbord te drukken. Naar het oordeel van het Hof is daarmee sprake van een met een intoetsfout gelijk te stellen vergissing. Volgens het Hof is niet aannemelijk dat de Inspecteur een onjuist inzicht had in de feiten of het recht, nu uit de aangifte bleek dat de onderneming in 2000 was gestaakt, het vrijvallen van een fiscale oudedagsreserve een wettelijk, in het algemeen onontkoombaar gevolg is van het ophouden winst uit onderneming te genieten en geen omstandigheden bekend zijn op grond waarvan dit laatste in casu anders zou zijn. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat uit de omstandigheid dat blijkens een brief van belanghebbende deze direct op de hoogte was van de te lage vaststelling van de aanslag volgt dat sprake is geweest van een als zodanig kenbare vergissing. Volgens het Hof is de navordering derhalve gerechtvaardigd.

3.4.1. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 25 februari 2005, nr. 40456, BNB 2005/173, maken handelingen waarbij gegevens uit de aangifte in het geautomatiseerde systeem worden ingevoerd, deel uit van het proces dat tot vaststelling van de aanslag leidt. Ook bij deze handelingen gemaakte fouten zijn van belang bij de beoordeling of de aanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht.

3.4.2. De omstandigheden dat uit de aangifte bleek dat de onderneming in 2000 was gestaakt en dat het vrijvallen van een fiscale oudedagsreserve een wettelijk, in het algemeen onontkoombaar gevolg is van het ophouden met genieten van winst uit onderneming, wettigen niet de gevolgtrekking dat de aanslag anders is vastgesteld dan de Inspecteur, of de namens hem handelende ambtenaar, wilde op het moment van de verwerking van de aangifte. 's Hofs oordeel dat sprake is van een met een intoetsfout vergelijkbare vergissing, is derhalve onvoldoende gemotiveerd. De klachten treffen in zoverre doel. Verwijzing moet volgen."

Nieuw feit; ambtelijk verzuim; intoetsfout

6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het belanghebbende kenbaar is geweest dat de primitieve aanslag niet in overeenstemming met de ingediende aangifte is vastgesteld. Belanghebbende heeft daar in zijn brief van 17 februari 2003 ook uitdrukkelijk op gewezen.

6.3. Het primaire geschil spitst zich toe op de vraag of de Inspecteur een met een intoetsfout vergelijkbare vergissing heeft begaan. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

De bewijslast dat de Inspecteur iets anders heeft gewild dan hij feitelijk heeft gedaan - althans onder zijn verantwoordelijkheid door een medewerker is gedaan - rust op hem. De Inspecteur heeft daartoe naar 's Hofs oordeel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een intoetsfout als omschreven in het slot van overweging 3.4.2 van 's Hogen Raads arrest. Uit het geheel van feiten leidt het Hof af dat gemaakte fout een gevolg is van de door de Inspecteur gekozen werkwijze bij het vaststellen van de definitieve aanslag. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

6.4. Aan het vorenstaande doet niet af dat de fout van de Inspecteur belanghebbende kenbaar is geweest. Dat laatste staat, gelet op de brief van belanghebbende van 17 februari 2003, onweersproken vast.

Heffingsrente; geleden schade

6.5 Nu het Hof het beroep van belanghebbende gegrond verklaart en de navorderingsaanslag vernietigt, wordt zijn klacht inzake de heffingsrente afgewezen, omdat hij deze niet is verschuldigd. Hetzelfde geldt voor zijn grief inzake de beweerdelijk door hem geleden schade, aangezien de belastingschuld uit zijn vermogen verdwijnt, waardoor de omstandigheid dat deze niet in aanmerking is genomen voor de rendementsgrondslag voor hem niet tot schade heeft geleid.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 724,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 1/2 punt à € 322 x 1 1/2 (gewicht van de zaak), in totaal derhalve op € 724,50. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.2. Voorts heeft belanghebbende geen opgave gedaan van de kosten van de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, hetgeen hij zelf - zonder begeleiding van een beroepsmatig optredende gemachtigde - heeft ingesteld. In zoverre acht het Hof geen termen aanwezig voor het toekennen van een kostenvergoeding.

7.2. Belanghebbende heeft in zijn reactie op 's Hogen Raads arrest nog verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat belanghebbende in de bezwaarfase om vergoeding van deze kosten heeft verzocht. Reeds op die grond kan aan dit verzoek niet meer worden toegekomen.

7.3. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam gestorte griffierecht groot € 31 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op

€ 724,50, onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Savelbergh, Van Walderveen en Albert. De beslissing is op 16 januari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van de Vijver)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

nummer BK-06/00176 blz. 6/7