Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB1473

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
R07/647
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Overschrijding beroepstermijn niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 9 augustus 2007

Rekestnummer: R07/647

Rekestnummer rechtbank: 06/646 R

HET GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE,

tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. D. Regts.

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 23 augustus 2006 is ten aanzien van [appellante] de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij beslissing van diezelfde datum, waarbij de rechtbank ambtshalve het saneringsplan heeft vastgesteld, is de looptijd van deze schuldsaneringsregeling bepaald op drieëneenhalf jaar. De rechtbank heeft bij vonnis van 26 april 2007 deze schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd. Bij ver-zoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 mei 2007, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen. De bewindvoerder, mevrouw mr. M.M.E. Oudenaarden, heeft het hof bij brief van 14 juni 2007 kopieën toegezonden van haar aan de rechtbank uitgebrachte verslagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2007, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar procureur, alsmede de bewindvoerder.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende overwogen. De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, gegrond op de volgende feiten en omstandigheden. [appellante] heeft geen bewijsstukken met betrekking tot haar sollicitatieplicht aangeleverd. Zij voldoet niet aan haar informatieverplichting, omdat zij niet of pas na zeer lange tijd reageert op informatieverzoeken van de bewindvoerder. Tevens heeft [appellante] nieuwe schulden en een boedelachterstand laten ontstaan. De bewindvoerder ondersteunt de voordracht van de rechter-commissaris. Volgens de rechtbank staat vast dat [appellante], ondanks mondelinge en schriftelijke verzoeken van de bewindvoerder, niet heeft voldaan aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellante] heeft dat erkend, maar heeft naar voren gebracht dat dit haar niet toe te rekenen valt, omdat zij al te zeer doende was met het oplossen van de als gevolg van het overlijden in 2004 van haar echtgenoot ontstane problemen. De rechtbank heeft dat verweer verworpen en heeft geoordeeld dat de tekortkomingen wel aan [appellante] kunnen worden toegerekend, te meer nu sprake is van problemen uit het verleden en [appellante] ondanks aanwijzingen van de bewindvoerder niet heeft zorggedragen voor budgetbegeleiding of -beheer. Vervolgens heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigd.

2. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat. [appellante], die in haar verzoekschrift erkend heeft dat de termijn voor het instellen van hoger beroep reeds verstreken was, heeft aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, op grond waarvan zij het hof verzoekt haar alsnog ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft [appellante] betoogd dat zij van de bewindvoerder op 2 mei 2007 een brief heeft ontvangen met de mededeling dat van de rechtbank is vernomen dat de schuldsanering is omgezet in een faillissement en dat er voor haar niets zal veranderen. Met geen woord wordt er door de bewindvoerder gerept over de mogelijkheid voor [appellante] om hoger beroep in te stellen en over de verstrekkende gevolgen van het vonnis. Enige dagen later heeft [appellante] bij brief van de bewindvoerder van 3 mei 2007 een kopie van het vonnis ontvangen, waarbij evenmin gewezen wordt op de mogelijkheid van hoger beroep. Uit telefonisch contact met het kantoor van de bewindvoerder is vervolgens gebleken dat de beroepstermijn al verlopen was.

Met betrekking tot de sollicitatieplicht heeft [appellante] aangevoerd dat zij veronderstelde hiervan vrijgesteld te zijn, omdat de looptijd van de regeling was vastgesteld op drieëneenhalf jaar, zodat zij in de gelegenheid zou zijn een opleiding van een half jaar te volgen in de hoop daarmee werk te kunnen vinden. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat zij zwanger was en ernstig ziek tengevolge van een zwangerschapsvergiftiging en een te hoge bloeddruk. Aangezien haar zoon op 1 april 2007 geboren is, had [appellante] zwangerschapsverlof tot half mei.

Ter zake van het laten ontstaan van nieuwe schulden heeft [appellante], die weduwe is, betoogd dat zij om haar nabestaandenuitkering te behouden moet aantonen dat haar echtgenoot in Marokko overleden is en dat zij tussen 2004 en 2007 ruim € 5.000,- aan geleend geld heeft gespendeerd om in Marokko een bewijs van overlijden met een gelegaliseerde handtekening te "kopen". [appellante] heeft erkend dat hierdoor en mede als gevolg van het niet ontvangen van kinderkorting van de Belastingdienst onvoldoende aan de boedel is afgedragen, waarbij zij heeft aangevoerd in staat te zijn de achterstand tijdens de looptijd van de regeling in te lopen.

3. Ter zitting van het hof hebben [appellante] en de bewindvoerder hun standpunten toegelicht, de bewindvoerder aan de hand van vooraf aan het hof en aan [appellante] toegezonden pleitaantekeningen. Daarin heeft de bewindvoerder onder meer aangevoerd dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Ter zitting is onder meer gesproken over de vraag of [appellante] ontvankelijk is in haar hoger beroep nu haar verzoekschrift eerst op 11 mei 2007, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn, is ingediend.

4. Bij de beoordeling van de vraag of [appellante] kan worden ontvangen in haar hoger beroep moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak in het belang van een goede rechtspleging aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. In zijn arrest van 28 november 2003 (NJ 2005, 465) heeft de Hoge Raad een uitzondering op deze rechtspraak slechts gerechtvaardigd geacht, ingeval degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en die beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn verlengd worden met een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van de beschikking. Met gevallen als zojuist bedoeld moet op één lijn worden gesteld het geval waarin de griffie de beschikking nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat heeft verzonden of verstrekt dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een be-roepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen.

5. Het hof is van oordeel dat de door de Hoge Raad bedoelde uitzonderingssituatie zich hier niet voordoet. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 19 april 2007, waar [appellante] verschenen is, blijkt dat de rechtbank ter zitting heeft medegedeeld op 26 april 2007 uitspraak te zullen doen. Blijkens de pleitaantekeningen van de bewindvoerder is [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de voordracht tot tussentijdse be-eindiging van haar schuldsaneringsregeling zowel door de rechtbank als door de bewindvoerder uitdrukkelijk gewezen op de korte termijn van acht dagen voor het instellen van hoger beroep. Voorts blijkt dat de bewindvoerder [appellante] op 2 mei 2007, derhalve nog voor het verstrijken van de beroepstermijn, per e-mail en telefonisch heeft geïnformeerd over de uitspraak van de rechtbank en daarbij opnieuw heeft gewezen op de korte beroepstermijn. Vervolgens heeft de bewindvoerder een kopie van het vonnis bij brief van 3 mei 2007 aan [appellante] verzonden. Ter zitting van het hof is bevestigd dat [appellante] die stukken op 4 mei 2007 ontvangen heeft. [appellante] heeft de stellingen van de bewindvoerder, dat zij geïnformeerd was over de beroepstermijn, niet of niet voldoende weersproken. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [appellante] tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 4 mei 2007, hoger beroep - desnoods op nader aan te voeren gronden - had kunnen instellen. Het hof acht daarom de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar.

6. Ten overvloede overweegt het hof dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak tot vernietiging van het bestreden vonnis zouden hebben kunnen leiden. In verband met een mogelijke vrijstelling van de sollicitatieplicht heeft [appellante] ondanks herhaalde verzoeken van de bewindvoerder en de rechtbank geen medische verklaring overgelegd, terwijl zij op grond van het door de rechtbank vastgestelde saneringsplan op de hoogte kon zijn van de noodzaak van het overleggen van een dergelijke verklaring. [appellante] heeft de verwijten van de bewindvoerder ter zake van het niet nakomen van haar informatieplicht niet weerlegd. Voorts is in hoger beroep nog gebleken dat [appellante] de bewindvoerder niet heeft ingelicht over de door haar betaalde aanzienlijke kosten voor het verkrijgen van een over-lijdensakte uit Marokko. Door [appellante] zijn onvoldoende omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat het niet nakomen van deze elementaire uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen haar niet toegerekend zou kunnen worden. Dat zij psychische problemen ondervindt is daartoe niet voldoende.

7. Het voorgaande brengt mee dat [appellante] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.

Beslissing

Het hof verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.M.G. Visser, L.M. Croes en R. van der Vlist, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2007 in aanwezig-heid van de griffier.