Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0974

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
04/1722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrouw valt van viaduct over een fietspad dat onder een autosnelweg doorloopt. De Staat had maatregelen dienen te treffen ter voorkoming van het gevaar dat zich in casu heeft verwezenlijkt. Onrechtmatige overheidsdaad. De vergoedingsplicht van de Staat dient te worden verminderd met de schade die het gevolg is van aan de vrouw toe te rekenen omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 415
RAV 2007, 39
VR 2008, 64
JA 2007/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 10 mei 2007

Rolnummer: 04/1722

Rolnr. rechtbank: 03/3476

HET GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaatsnaam],

appellante,

hierna te noemen; [appellante],

procureur: mr. H.J.W. Alt,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te 's-Gravenhage,

geĂ¯ntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. C.C. Jongens.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 26 oktober 2004 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 28 juli 2004, door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen [appellante] als eiseres en de Staat als gedaagde. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord eveneens met producties zijn bestreden.

Partijen hebben vervolgens op 19 februari 2007 hun standpunt doen bepleiten, [appellante] door haar procureur en de Staat door mr. T.J.J. van Dijk, advocaat te

's-Gravenhage. De aan weerszijden gehanteerde pleitnotities, de pleitnota van mr. Alt voorzien van - op voorhand ingezonden - producties, zijn overgelegd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.5 vastgestelde feiten zodat ook het hof daarvan uitgaat. Gezien deze feiten gaat het in deze zaak, samengevat en voor zover hier van belang, om het volgende.

[appellante] lijdt aan endometriose, een gynaecologische aandoening waarbij, zoals [appellante] heeft verklaard, zij vaker dan normaal urine moet lozen en in die zin dat de aandrang daartoe plotseling kan opkomen.

In de late avond van 29 september 1996 heeft [appellante] op de Rijksweg A1 vanwege blaasproblemen een "sanitaire stop" gemaakt. Zij heeft daartoe haar auto op de vluchtstrook tot stilstand gebracht en is over de vangrail gestapt om een beschutte plek op te zoeken.

Achter de vangrail bevond zich een berm. Deze berm kwam uit op een onafgeschermde betonnen rand die de afscheiding vormde van een viaduct over een fietspad dat onder de A1 doorloopt. De afstand van de vangrail tot het viaduct (dus met inbegrip van de betonnen rand) bedroeg circa 100 cm. De afgrond naast de berm was afgedekt met takken. Mede hierdoor en door het feit dat het donker was heeft [appellante] niet gezien dat er een fietstunnel was. Zij is over de betonnen rand gestruikeld, in de fietstunnel gevallen en op het wegdek van het fietspad terechtgekomen. Zij heeft daarbij een val van ruim zeven meter gemaakt.

Als gevolg van deze val heeft [appellante] ernstig lichamelijk letsel opgelopen.

Rijkswaterstaat is de beheerder van de A1 en de daarnaast gelegen berm.

[appellante] heeft de Staat aangesproken tot vergoeding van haar schade. De Staat heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2. [appellante] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor alle door haar geleden en nog te lijden schade,

- de Staat te veroordelen tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- de Staat te veroordelen in de proceskosten.

[appellante] heeft hiertoe gesteld dat de Staat aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek omdat hij een zeer gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen en met het oog daarop veiligheidsmaatregelen had moeten treffen. De Staat had volgens [appellante] rekening moeten houden met de mogelijkheid dat weggebruikers over de vangrail stappen. [appellante] heeft in dit verband onder meer verwezen naar het Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136). Desverzocht heeft mr. Alt bij pleidooi bevestigd dat [appellante] zich niet meer kan beroepen op artikel 6:174 BW. Zijn pleidooi, dat in belangrijke mate zijn beroep op dat artikel toelicht, moet volgens mr. Alt volledig worden beschouwd als een toelichting op zijn beroep op artikel 6:162 BW.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. In beroep keert [appellante] zich met twee grieven tegen het oordeel van de rechtbank. De beide grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat maatregelen had moeten treffen ter voorkoming van het gevaar dat zich in casu heeft verwezenlijkt door de val van [appellante]. Daarmee hangt samen de vraag of en zo ja in hoeverre de Staat rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat [appellante] de in verband met het gevaar vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zou nemen. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

5. De Staat heeft onbestreden aangevoerd dat de onderhavige berm voldoet aan de richtlijn "Veilige inrichting van bermen". Volgens deze richtlijn moet bij een vangrail als de onderhavige een zogenaamde uitbuigingsruimte worden aangehouden van 80 tot 100 cm. De ruimte tussen de vangrail en de buitenzijde van de betonnen rand was, naar tussen partijen vaststaat, 100 cm en voldeed daarmee aan deze richtlijn. De richtlijn heeft echter geen betrekking op de situatie direct achter deze uitbuigingsruimte. In het onderhavige geval bevonden de (onafgeschermde) betonnen rand en de daarachter gelegen fietstunnel zich direct achter de uitbuigingsruimte. Dit is als een gevaarlijke situatie te beschouwen.

6. Het gaat hier om een berm naast een autosnelweg. In het algemeen is een dergelijke berm niet bedoeld of bestemd voor gebruik door weggebruikers. Niettemin moet de Staat er rekening mee houden dat weggebruikers die hun voertuig op de vluchtstrook tot stilstand hebben gebracht, over de daar aanwezige vangrail heenstappen en aldus in de berm komen. Dit wordt ook in diverse publicaties, waaronder die van Rijkswaterstaat, uit oogpunt van veiligheid dringend aangeraden. Tevens dient in gevallen van een noodstop rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat weggebruikers zich op korte afstand (enkele stappen) van de vangrail verwijderen. Dit zal zich met name voordoen bij een ernstig verkeersongeval, in het bijzonder wanneer de vangrail wordt uitgebogen. Ook in andere situaties is denkbaar dat weggebruikers niet stil blijven staan achter de vangrail. Weliswaar mag van de weggebruiker worden verwacht dat hij oplettend en voorzichtig zal handelen, maar met name bij "noodstop situaties" kan zich voordoen dat de mate van oplettendheid en voorzichtigheid minder is dan in een "normale situatie".

7. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de Staat maatregelen had dienen te treffen ter voorkoming van het gevaar dat zich in casu heeft verwezenlijkt door de val van [appellante]. De Staat had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een weggebruiker, zoals [appellante], de in verband met het gevaar vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zou nemen. Gezien het dringend advies aan weggebruikers om zich in noodsituaties achter de vangrail te begeven, is de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-achtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht in het onderhavige geval geenszins gering te achten. De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan wordt in casu bepaald door de geringe ruimte tussen de vangrail, de onafgeschermde betonnen rand van de fietstunnel en de aanmerkelijke diepte van de daaronder gelegen tunnel. De ernst die de gevolgen van een val in de - zeven meter lager gelegen - fietstunnel kunnen hebben spreekt voor zich. Een dergelijke val kan, zoals in het onderhavige geval is gebleken, zeer ernstig lichamelijk letsel veroorzaken. Wat betreft de te nemen veiligheidsmaatregelen is het hof van oordeel dat deze niet bezwaarlijk zijn. Met het plaatsen van een eenvoudig hek kan worden volstaan. Na het ongeval heeft de Staat hiervoor alsnog zorggedragen.

8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden schade. Deze schade is echter mede een gevolg van omstandigheden die aan [appellante] kunnen worden toegerekend. Zij had zich bewust moeten zijn van de risico's die zij liep door zich in het donker van de vangrail te verwijderen, ook al waren dit slechts enkele stappen. Voorts dient de omstandigheid dat zij in verband met haar ziekte niet kon wachten tot zich een gelegenheid voordeed om op een parkeerplaats of bij een tankstation het toilet te bezoeken voor haar risico te blijven. Gelet hierop dient de vergoedingsplicht van de Staat te worden verminderd door de schade over [appellante] en de Staat te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het hof is van oordeel dat 25% van de ontstane schade het gevolg is van aan [appellante] toe te rekenen omstandigheden, maar acht een correctie van de uit dien hoofde verminderde schadevergoedingsplicht van de Staat op haar plaats. Met inachtneming van de zeer ernstige aard van het door de Staat in het leven geroepen gevaar en de omvang van de met de verwezenlijking van dit gevaar gepaard gaande gevolgen enerzijds, alsmede het feit dat [appellante] in verband met haar ziekte geen zwaar persoonlijk verwijt treft ten aanzien van de situatie waarin zij is komen te verkeren, acht het hof het op grond van de billijkheid geboden dat de Staat 85% van de voor [appellante] ontstane schade voor zijn rekening neemt.

9. De grieven slagen derhalve zodat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Het hof ziet aanleiding de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht aan te passen als hierna vermeld. De Staat dient als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij verwezen te worden in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor een gedeelte van 85% van de door [appellante] ten gevolge van het haar op 29 september 1996 overkomen ongeval geleden en nog te lijden schade;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van genoemd gedeelte van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten in eerste en tweede aanleg, tot deze uitspraak begroot op € 4.243,94;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.E.A.M van Waesberghe en F. Waardenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2007, in aanwezigheid van de griffier.