Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0956

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
1555-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Aan de man wordt een termijn tot 1 september 2009 gegund om zijn verdiencapaciteit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 juli 2007

Rekestnummer. : 1555-H-06

Rekestnr. rechtbank : 06-873

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W. Heemskerk,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M. Jonkman.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 november 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 augustus 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 16 januari 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 8 februari 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 16 november 2006, 16 januari 2007 en 29 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 10 mei 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 juni 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. G.I.M. Visser-Buve, en de moeder, bijgestaan door haar procureur. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige met ingang 3 februari 2006 bepaald op nihil en is voorts de door de vader over de periode van 1 november 2004 tot 3 februari 2006 verschuldigde kinderalimentatie bepaald op hetgeen in feite is betaald. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie voor de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum], verder: [kind], de draagkracht van de vader.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de kinderalimentatie die hij heeft voldaan over de periode december 2001 tot november 2004 dusdanig is dat hij aan al zijn verplichtingen heeft voldaan in deze.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt (incidenteel) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de vader in het ingestelde appel tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het appel van de vader af te wijzen;

- de bestreden beschikking tussen partijen te vernietigen en het verzoek van de vader in eerste aanleg af te wijzen.

In principaal appel

4. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt met betrekking tot het verzoek van de man in principaal appel. Het verzoek van de man heeft betrekking op de periode van, naar het hof begrijpt, 20 december 2001 tot 1 november 2004. Partijen zijn overeengekomen dat de vader aan de moeder, ter zake van zijn achterstand in de betaling van kinderalimentatie over deze periode, gedurende vijf jaar een bedrag van € 50,- per maand zal aflossen. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, ziet het hof daarin aanleiding dienovereenkomstig te beslissen.

In incidenteel appel

5. De moeder stelt in haar incidenteel appel de verdiencapaciteit van de vader ter discussie. Volgens de moeder is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een inkomen van € 544,- netto per maand. De moeder is van mening dat met betrekking tot de draagkracht van de vader uitgegaan moet worden van het salaris dat hij zou kunnen verdienen als hij bij zijn huidige werkgever fulltime zou werken. De vader heeft de stellingen van de moeder dienaangaande gemotiveerd weersproken.

6. Tussen partijen staat het volgende vast. De vader werkt thans gedurende veertien uur per week en verdient daarmee een inkomen van € 544,- netto per maand, inclusief vakantiegeld en inclusief onregelmatigheidstoeslag. De lasten van de vader bestaan slechts uit de premie ziektekostenverzekering van € 109,45 per maand. De vader heeft recht op zorgtoeslag. De bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70% zijn van toepassing.

7. De vader stelt dat hij niet in staat is meer te werken: hij staat onder behandeling van een therapeut en gebruikt slaapmedicatie.

8. Het hof stelt vast dat de vader kennelijk een zware periode achter de rug heeft. Het hof acht het aannemelijk dat die periode zijn weerslag heeft (gehad) op zijn geestelijke gesteldheid. Echter, naar het oordeel van het hof heeft de vader niet aangetoond dat hij daardoor niet in staat is meer dan veertien uur per week te werken. De door de vader in het geding gebrachte verklaring van zijn therapeute volstaat daarin niet. Het hof is van oordeel dat van de vader verlangd mag worden dat hij zich inspant om een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van [kind], door zijn werkzaamheden uit te breiden. De vader beschikt over werkervaring, hetgeen zijn kansen op de arbeidsmarkt gunstig beïnvloedt. Op dit moment volgt de vader een studie aan de Open Universiteit. Hij zit in zijn tweede jaar. Het hof acht het in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden van het geval redelijk de vader een zekere tijd te gunnen, ter voorbereiding op het uitbreiden van zijn werkzaamheden. Het hof is van oordeel dat de vader, door het geleidelijk aan uitbreiden van zijn werkzaamheden, uiteindelijk in staat moet worden geacht fulltime werkzaamheden te verrichten. Met ingang van 1 september 2009 acht het hof de vader in staat een zodanig inkomen te verwerven dat hij daaruit, bij gelijkblijvende lasten, de kinderalimentatie voor [kind] die het hof in zijn beschikking van 2 juli 2003 heeft vastgesteld op € 227,- per maand, kan voldoen.

9. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de vader in de periode van 1 november 2004 tot 1 september 2009, rekening houdende met zijn lasten zoals hiervoor gemeld, geen kinderalimentatie voor [kind] toelaat.

10. Mitsdien dient als volgt te worden beslist

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo¬ver die betrekking heeft op de periode van 20 december 2001 tot 1 september 2009 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik¬king van 2 juli 2003 van dit hof - dat de vader ter zake van zijn achterstand in de betaling van kinderalimentatie over de periode van 20 december 2001 tot 1 november 2004 gedurende vijf jaar een bedrag van € 50,- per maand zal betalen aan de moeder, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 2 juli 2003 van dit hof - de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met betrekking tot de periode vanaf 1 november 2004 tot 1 september 2009 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Husson en van Wijk, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2007.