Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0936

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
1433-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie: Behoefte en draagkracht. De moeder heeft geen belang bij haar verzoek om te verstaan dat de kinderalimentatie jaarlijks met ingang van 1 januari ingevolge de wettelijke vastgestelde indexering wordt gewijzigd, gelet op artikel 402a lid 8 BW. Gerechtsdeurwaarders dienen naar de inhoud van voornoemd artikel te handelen. Een weigering om daarnaar te handelen kan niet zijn gelegen in het feit dat in het dictum niet is opgenomen dat de alimentatie jaarlijks aan indexering onderhevig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 mei 2007

Rekestnummer. : 1433-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5427

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. J. Dongelmans,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E.H. de Milliano-Machielse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 13 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 juli 2006.

De moeder heeft op 27 november 2006 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 18 december 2006 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 1 november 2006 en 5 april 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 april 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.H. Beek. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 19 april 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen met ingang van 1 juli 2005 bepaald op € 229,17 per maand per kind. De van rechtswege op 1 januari 2006 toepasselijke wijziging ingevolge artikel 1:402a BW is uitgesloten. Het meer of anders verzochte inzake de kinderalimentatie is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1995,

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 1996, en

[de minderjarige sub 3], geboren op [in] 1999, verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de door hem met ingang van 1 oktober 2005 aan de moeder te betalen kinderalimentatie – naar het hof begrijpt – te bepalen op € 130,- per maand per kind voor twee kinderen en voor één kind te bepalen op nihil;

- de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie in de periode van 1 juli 2006 tot 2007 (het hof leest, zoals ter zitting is besproken, tot 1 juli 2007) te bepalen op maximaal € 135,- per maand per kind en

- de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2007 te bepalen op maximaal € 155,- per maand per kind.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: te vernietigen voor zover haar verzoek, om vast te stellen dat de kinderalimentatie jaarlijks met ingang van 1 januari ingevolge de wettelijke indexering wordt gewijzigd, is afgewezen), en in zoverre opnieuw beschikkende, te verstaan dat de kinderalimentatie jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. Voorts verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. De vader verzet zich daartegen.

BEHOEFTE KINDEREN

4. De vader heeft onweersproken gesteld dat, uitgaande van de thans geldende tabel kosten van kinderen en een netto gezinsinkomen van meer dan € 5.000,- per maand, de behoefte van de kinderen tezamen dient te worden vastgesteld op € 1.280,- per maand. Gelet hierop passeert het hof derhalve de aanvankelijke stelling van de moeder dat de rechtbank de behoefte van de kinderen terecht op € 1.375,- per maand heeft bepaald. De eerste grief van de vader, die betrekking heeft op de hoogte van de behoefte van de kinderen, slaagt derhalve.

5. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte zijn aandeel in de behoefte van de kinderen - gelet op de hoogte van de wederzijdse inkomens van partijen – heeft bepaald op € 687,50 per maand. De vader voert daartoe aan dat de moeder een inkomen heeft van in totaal € 3.935,- netto per maand (€ 1.000,- per maand uit haar eenmanszaak, € 285,- per maand uit verhuur van haar chalet en respectievelijk € 650,- per maand en € 2.000,- per maand aan salaris bij twee verschillende werkgevers), terwijl zijn inkomen momenteel circa € 2.800,- netto per maand bedraagt. Op grond daarvan acht de vader het redelijk om zijn aandeel in de behoefte van de kinderen te stellen op 40%, derhalve maximaal op € 512,- per maand.

De moeder daarentegen stelt dat het inkomen van partijen nagenoeg gelijk is, temeer nu haar eenmanszaak, gelet op het feit dat zij twee banen heeft en zij de zorg heeft voor drie kinderen, meer als hobby moet worden beschouwd en daaruit geen substantiële inkomsten worden verkregen. Hoewel de moeder – desgevraagd ter zitting van het hof – aanvankelijk heeft gesteld dat zij geen inkomen heeft uit verhuur van haar chalet, heeft zij later ter zitting erkend dat haar inkomsten daaruit € 325,- netto per maand bedragen.

6. Naar het oordeel van het hof dienen beide partijen in beginsel naar rato van ieders draagkracht en niet – zoals partijen stellen – naar rato van ieders inkomen bij te dragen in de kosten van de kinderen. Nu de moeder, ondanks verzoek daartoe van het hof, geen recente financiële gegevens in het geding heeft gebracht en derhalve geen inzicht heeft verschaft in haar huidige inkomsten en uitgaven, komt het hof niet toe aan het verdelen van de kosten van de kinderen naar rato van de draagkracht van partijen. Zulks neemt echter niet weg dat het hof het redelijk acht, uitgaande van de financiële gegevens van de moeder in het verleden en de huidige financiële gegevens van de vader, dat partijen ieder de helft van de kosten van de kinderen voor hun rekening nemen. Het hof weegt mee dat de moeder naast haar werk de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen op zich neemt en dat zij, gelet op de leeftijd van de kinderen, hoge kosten heeft. Gelet op het vorenstaande zal het hof het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen bepalen op € 640,- per maand. Zulks brengt met zich dat de tweede grief van de vader (ten dele) slaagt.

DRAAGKRACHT

Het hof rondt af op hele bedragen.

7. Bij het vaststellen van de draagkracht van de vader gaat het hof uit van een inkomen van in totaal € 50.661,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door hem overgelegde jaaropgaven 2006 van respectievelijk zijn werkgever, de Sociale Verzekeringsbank en het ABP. Daarnaast houdt het hof rekening met spaarloon van de vader, nu dit niet in de jaaropgave van zijn werkgever is verdisconteerd. Het hof neemt voorts de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage in aanmerking.

8. De vader heeft drie draagkrachtberekeningen overgelegd, die zien op de perioden van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006, van 1 juli 2006 tot 1 juli 2007 en vanaf 1 juli 2007. Ten aanzien van de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 heeft de vader de volgende maandlasten opgevoerd: € 300,- kale huur, € 1.000,- rente op een hypothecaire geldlening, € 215,- premie levensverzekering, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 85,- premie zorgverzekeringswet, € 163,- werkgeversbijdrage zorgverzekeringswet, € 45,- overige ziektekosten, € 103,- kosten omgangsregeling en € 300,- overige kosten. In afwijking van de maandlasten van de vorige periode heeft de vader ten aanzien van de periode 1 juli 2006 tot 1 juli 2007 € 125,- per maand aan herinrichtingskosten opgevoerd en is de “kale huur” komen te vervallen. In de periode vanaf 1 juli 2007 heeft de vader, onder handhaving van de overige maandlasten, de herinrichtingskosten niet langer opgevoerd. De moeder heeft de volgende maandlasten van de vader betwist: “kale huur”, overige kosten, kosten omgangsregeling en herinrichtingskosten.

9. In de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 acht het hof het redelijk om naast de lasten van de hypothecaire geldlening van de vader tevens de maandelijkse huurlasten in aanmerking te nemen. Vaststaat immers dat partijen in januari 2005 een overeenkomst bij de notaris hebben gesloten waarin is afgesproken dat de vader in de voormalige (aan de moeder toegescheiden) echtelijke woning zou kunnen verblijven totdat zijn nieuwe huis, dat in aanbouw was, opgeleverd zou worden. De moeder heeft erkend dat zij de vader de deur heeft gewezen, omdat hij zich volgens haar niet aan de door haar aan de overeenkomst verbonden voorwaarde zou hebben gehouden (de vader zou zich, zolang hij de echtelijke woning mocht blijven bewonen, netjes gedragen). Nog in het midden gelaten of de vader valt te verwijten dat hem de deur is gewezen, staat voor het hof vast dat de vader genoodzaakt was om andere woonruimte te zoeken en te betrekken. Naar het oordeel van het hof is de rente van de hypothecaire geldlening van de vader over voornoemde periode fiscaal aftrekbaar, zodat het hof de stelling van de vader, dat de rente pas fiscaal aftrekbaar is vanaf het moment dat hij zijn woning is gaan bewonen, passeert.

Het hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde overige kosten (een bijdrage aan zijn inmiddels 27-jarige zoon [naam zoon]) van € 300,- per maand. De moeder heeft de stelling van de vader, dat zijn zoon nog niet is afgestudeerd, betwist. Bovendien heeft de vader naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat zijn zoon nog immer afhankelijk is van voornoemde bijdrage. Weliswaar heeft de vader een bankafschrift overgelegd (productie 5 bij brief van 3 april 2007) waaruit is af te leiden dat de vader voornoemde bijdrage aan zijn zoon voldoet, doch daarmee is naar het oordeel van het hof niet de noodzaak tot het betalen van een bijdrage aangetoond.

Ten aanzien van de omgangsregeling hebben beide partijen ter zitting van het hof erkend dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld en dat de omgang om die reden via Bureau Jeugdzorg, hierna: Jeugdzorg, loopt. Ter zitting van het hof is vast komen te staan dat Jeugdzorg de frequentie van de omgang – afhankelijk van het verloop – telkens aanpast, en dat er in de periode van 28 november 2006 tot 21 maart 2007 in het geheel geen omgang is geweest tussen de vader en de kinderen. Gelet op het vorenstaande acht het hof de door de vader opgevoerde kosten omgangsregeling van € 103,- per maand te hoog. Het hof acht het, rekening houdend met een telkens wisselende frequentie van de omgangsregeling en rekening houdend met eventuele vakanties en extra dagen, redelijk om € 75,- per maand aan kosten omgangsregeling in aanmerking te nemen. In de periode dat er in het geheel geen omgang is geweest laat het hof de kosten omgangsregeling buiten beschouwing.

Het hof houdt in de periode van 1 juli 2006 tot 1 juli 2007 geen rekening met de door de vader opgevoerde herinrichtingskosten, nu niet gebleken is dat de vader voor deze kosten een lening af heeft moeten sluiten en die kosten derhalve kennelijk uit eigen middelen heeft kunnen voldoen. Met de overige, niet betwiste en aannemelijk zijnde maandlasten, houdt het hof wel rekening.

10. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader in de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006, mede gelet op het het te behalen fiscale voordeel, slechts voor twee van de drie kinderen de door de rechtbank vastgestelde bijdrage kan voldoen en dat voor het derde kind geen draagkracht resteert, en dat hij met ingang van 1 juli 2006 in staat is om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen te voldoen. Gelijk de vader in zijn draagkrachtberekeningen heeft gedaan, heeft het hof bij de berekeningen telkens hetzelfde inkomen van de vader in aanmerking genomen, alsmede de door de vader opgevoerde premie ziektekosten over de gehele periode, ondanks het feit dat het nieuwe stelsel met betrekking tot de ziektekosten per 1 januari 2006 in werking is getreden. Het hof weegt mee dat de wederpartij daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Voorts is rekening gehouden met de fiscale voordelen die de vader ter zake de Inkomstenbelasting geniet en met de op de vader toepasselijke heffingskorting(en).

11. Hoewel de vader de ingangsdatum van de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie betwist – hij stelt dat als ingangsdatum de datum van indiening van het inleidend verzoek, te weten 1 oktober 2005, in aanmerking moet worden genomen ziet het hof geen reden om van de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum af te wijken.

12. In incidenteel appel stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek, om te verstaan dat de kinderbijdrage jaarlijks met ingang van 1 januari ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering wordt gewijzigd, heeft afgewezen. De moeder heeft aangegeven dat zij niet doelt op de uitsluiting door de rechtbank van de indexering per 1 januari 2006, doch haar verzoek is ingegeven vanwege het feit dat er gerechtsdeurwaarders zijn die weigeren om geïndexeerde bedragen te executeren. De vader daarentegen stelt dat, nu de jaarlijkse indexering wettelijk is vastgesteld, de moeder geen belang heeft bij haar verzoek.

13. Het hof is van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek en zal dat derhalve afwijzen. Immers, ingevolge het bepaalde in artikel 402a lid 8 BW, geschiedt de tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de betaling van levensonderhoud met inachtneming van de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane wijzigingen van rechtswege, dan wel met inachtneming van de wijzigingen overeenkomstig de tweede zin van het vijfde lid van dat artikel. Een gerechtsdeurwaarder, die een beschikking waaraan niet wordt voldaan, ter executie wordt aangeboden zal derhalve uit kracht van die beschikking - behoudens in de gevallen dat indexering expliciet is uitgesloten - voor het door de indexering verhoogde bedrag kunnen executeren. Naar het oordeel van het hof dienen gerechtsdeurwaarders naar de inhoud van voornoemd artikel te handelen en zal een weigering om tot executie van het geïndexeerde bedrag over te gaan niet gelegen kunnen zijn in het feit dat in het dictum niet is opgenomen dat de alimentatie jaarlijks aan indexering onderhevig is.

14. Het hof ziet geen reden, zoals door de moeder is verzocht, om de vader te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie in de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie in de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 ten behoeve van twee van de drie kinderen op € 229,- per maand per kind en ten behoeve van het derde kind op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen, voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Dusamos en Burgers-Thomassen, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2007.