Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0478

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
2200503603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een vriend van de verdachte heeft een persoon doodgeschoten. De verdachte heeft samen met die vriend het lijk verborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005036-03

Parketnummer: 12-000006-03

Datum uitspraak: 26 juli 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 15 oktober 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

verblijfsadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 juli 2004, 15 november 2004, 3 mei 2007 en 12 juli 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Door de raadsman is ter terechtzitting van 12 juli 2007 een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sedert het instellen van het hoger beroep een periode van drie jaren en ruim acht maanden is verstreken. Voorts heeft de raadsman aangegeven dat deze overschrijding van de redelijke termijn te meer tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van het openbaar ministerie dient te leiden nu de zaak in hoger beroep niet ingewikkeld is omdat het hof uitsluitend heeft te oordelen over het relatief eenvoudige feit 2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte had afgesplitst had kunnen worden van de behandeling van de zaken tegen de medeverdachten.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het navolgende. Het feit dat de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte niet is afgesplitst, heeft onnodig vertragend gewerkt. Mede daardoor is het tijdsverloop sedert het instellen van het hoger beroep zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bovenbedoeld.

Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep aanzienlijk is, dient dit evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging te leiden omdat, in aanmerking genomen de ernst van het tenlastegelegde, het belang dat de gemeenschap nog behoudt bij normhandhaving door berechting, dient te prevaleren boven het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging, maar zal, indien aan alle overige voorwaarden voor bestraffing is voldaan, de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Een vriend van de verdachte, [medeverdachte], heeft in de op dat moment bij hem in gebruik zijnde bestelbus [slachtoffer] doodgeschoten. Direct daarna heeft [medeverdachte] de verdachte opgebeld en hem daarvan op de hoogte gesteld. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens afgesproken elkaar te ontmoeten bij een tankstation bij [plaats A]. Daar is verdachte uit zijn auto gestapt en naar de bus van [medeverdachte] gelopen. Hij heeft vervolgens in de bus gekeken waar voorin - naar hij moet hebben gezien - het lichaam van het slachtoffer lag. De verdachte heeft [medeverdachte] gezegd dat hij alle spullen uit de zakken van het slachtoffer moest halen en hij heeft hem geadviseerd het lijk ver weg te brengen. [medeverdachte] is vervolgens in de bus achter de verdachte aan gereden. De verdachte heeft [medeverdachte] de weg gewezen naar [locatie B], waar [medeverdachte] het lijk in een berm heeft verborgen.

Door op voormelde wijze te adviseren en te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het verborgen houden van het feit dat iemand het leven op gewelddadige wijze is ontnomen.

Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en verdachtes aandeel daarin kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt.

Het hof houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij ten tijde van het feit pas 19 jaar oud was en dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 4 juni 2007, niet eerder terzake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

In verband met overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zal het hof de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur negen maanden matigen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van - voor wat betreft zowel de totale straf als die van het voorwaardelijk deel daarvan - navermelde duur.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in voege als navermeld een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 47, 63 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt, dat een op 6 (zes) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Göbbels, mr. Flint-Van Noort en mr. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. De Boer.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juli 2007.