Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0422

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
C03/1322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van begrip aanbouw in opstalverzekering. Dekking aanbouw onder de opstalpolis tijdens de bouw en na oplevering, mede in verband met aanwezige CAR-verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2008/18  met annotatie van T.J. Dorhout Mees
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 12 juni 2007

Rolnummer: 03.1322

Rolnummer rechtbank: 02/3182

HET GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE, vierde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHIPHORST TRANSPORT- EN OPSLAGTECHNIEK B.V.,

voorheen HANDELSONDERNEMING J.J. SCHIPHORST B.V.,

gevestigd te Deventer,

appellante,

hierna te noemen: Schiphorst,

procureur mr. H.J.A. Knijff,

tegen

de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aegon,

procureur mr. A.E. Veerman.

Het geding

Bij tussenarrest van 11 juli 2006 heeft het hof Schiphorst toegelaten tot bewijslevering. Schiphorst heeft in enquête twee getuigen voorgebracht; het proces-verbaal van enquête bevindt zich bij de stukken. Aegon heeft afgezien van contra-enquête. Schiphorst heeft vervolgens een memorie na enquête (met producties) genomen, waarna Aegon een memorie van antwoord na enquête heeft genomen. Tenslotte hebben partijen opnieuw hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling in hoger beroep

1. Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenarrest van 11 juli 2006. Voorzover Schiphorst in haar memorie na enquête aan het hof verzoekt om op (onderdelen van) zijn tussenarrest terug te komen wordt dit verzoek verworpen, nu het hof hiervoor geen gronden aanwezig acht.

2. In voormeld tussenarrest heeft het hof Schiphorst toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst hebben bedoeld om in afwijking van de polisvoorwaarden, volgens welke fase 1 en fase 2 als één gebouw moeten worden aangemerkt, uitsluitend fase 1 als zelfstandige entiteit te verzekeren voor de waarde daarvan, alsmede dat daarin geen verandering zou komen door de oplevering van fase 2 en het eindigen van de op fase 2 betrekking hebbende CAR-verzekering.

3. Schiphorst heeft als getuigen dhr. [getuige 1], verzekeringsadviseur bij Assurantiekantoor Scheeffer, en dhr. [getuige 2], voormalig technisch inspecteur van Aegon, doen horen.

4. Dhr. [getuige 1] heeft - kort samengevat - verklaard dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst voor de bedrijfshal van Schiphorst. In het najaar van 1999 heeft hij telefonisch contact opgenomen met de acceptant van Aegon voor het afsluiten van een verzekering voor fase I. Hij zag fase I en fase II - welke laatste op dat moment nog in de afrondingsfase was - als twee afzonderlijke panden, hetgeen met name te maken had met de brandmuur die tussen de beide fases zat. Tegenover de acceptant van Aegon heeft hij met betrekking tot fase II gesproken van "het naastgelegen pand", en doorgegeven dat fase II te zijner tijd meeverzekerd moest worden. Tevens heeft hij de waardes van zowel fase I als fase II doorgegeven. Hij kon zich niet herinneren dat hij bij het inspectiebezoek van de technisch inspecteur van Aegon met deze gesproken heeft over de vraag of fase I en fase II voor de verzekering als twee aparte gebouwen moesten worden beschouwd, noch over de verzekeringsdekking op het moment dat fase II zou worden opgeleverd. Desgevraagd heeft hij verklaard dat bij een aanbouw zoals een serre in de praktijk de verzekerde waarde van de opstalverzekering wordt verhoogd nadat de CAR-verzekering die op de aanbouw rust is geëindigd.

5. Dhr. [getuige 2] heeft - kort samengevat - verklaard dat hij op 5 november 1999 als technisch inspecteur van Aegon het bedrijfsgebouw van Schiphorst heeft geïnspecteerd. Naar zijn herinnering had hij het pand al eens eerder geïnspecteerd, en kwam hij op 5 november 1999 in verband met de uitbreiding van het bestaande pand (fase I) met fase II. Hij heeft verklaard dat het voor hem volkomen duidelijk was dat het ging om één gebouw, en dat hij niet heeft gemerkt dat de tussenpersoon Scheeffer of andere aanwezigen ervan uit gingen dat sprake was van twee aparte gebouwen. Aangezien de zogenaamde brandmuur tussen fase I en fase II volgens zijn verklaring vanuit verzekeringsoogpunt gezien geen echte brandwand was, was voor hem duidelijk dat het om één pand ging. Dit wordt, aldus dhr. [getuige 2], bevestigd door het feit dat hij in zijn inspectierapport als maximum possible loss 100% heeft aangekruist, hetgeen bij de aanwezigheid van een deugdelijke brandwand een lager percentage zou zijn geweest. Met de vermelding in zijn inspectierapport dat "de opstal is vergroot" heeft hij naar zijn herinnering gedoeld op de vergroting van het reeds bestaande pand (fase I) met fase II. Er is niet gesproken over de vraag wat er met de verzekering moest gebeuren als de CAR-verzekering op fase II zou eindigen. Dit is volgens dhr. [getuige 2] een administratief afhandelingsproces, waarbij in het algemeen de opstalverzekeraar de CAR-verzekering overneemt.

6. Het hof merkt ten aanzien van de verklaring van dhr. [getuige 2] op dat deze op enkele punten niet in overeenstemming lijkt te zijn met de tussen partijen vaststaande feiten en de overgelegde producties. Zo zijn partijen het er over eens dat dhr. [getuige 2] het pand niet reeds eerder had geïnspecteerd, en ook zijn herinnering over de interpretatie van de vermelding "de opstal is vergroot" lijkt niet in overeenstemming met de bijbehorende berekening in het inspectierapport. Dit neemt niet weg dat dhr. [getuige 2] als getuige een oprechte indruk maakte, zodat zijn verklaring voor het overige aan het bewijs kan meewerken.

7. Op grond van de getuigenverklaringen, in samenhang beschouwd met de in deze procedure overgelegde producties, acht het hof bewezen dat het bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst in 1999 de bedoeling van beide partijen is geweest om gedurende de periode dat fase II nog niet was opgeleverd en derhalve nog onder de CAR-polis was verzekerd, uitsluitend de waarde van fase I - als zelfstandige entiteit - te verzekeren. Op deze wijze (die in overeenstemming is met de gebruikelijke verzekeringspraktijk in geval van een nog niet opgeleverde aanbouw), werd bereikt dat zowel fase I (onder de opstalpolis) als fase II (onder de CAR-polis) was verzekerd, zonder dat (in beginsel) sprake was van over- of onderverzekering.

8. De situatie wijzigde echter op het moment dat fase II werd opgeleverd en de CAR-verzekering kwam te vervallen. Op dat moment kwam de reden om (in afwijking van de polisvoorwaarden) fase I en (de aanbouw) fase II voor de opstalverzekering als twee zelfstandige entiteiten te beschouwen, te vervallen. Zowel uit de verklaringen van de beide getuigen als uit de processtukken kan worden afgeleid dat het ingeval van een aanbouw de gebruikelijke praktijk is dat de verzekerde waarde van de op het pand rustende opstalverzekering wordt verhoogd nadat de CAR-verzekering die op de aanbouw rust is geëindigd. Hieruit volgt dat vanaf dat moment het pand inclusief aanbouw voor de opstalverzekering (conform de polisvoorwaarden) in beginsel als één geheel wordt beschouwd. Aegon mocht er op vertrouwen dat, behoudens andersluidende afspraken, deze gebruikelijke praktijk ook in dit geval van toepassing zou zijn en dat dit ook de bedoeling van Schiphorst was, zodat fase I en fase II na het eindigen van de CAR-verzekering gezamenlijk onder de dekking van de opstalverzekering vielen.

9. Schiphorst heeft geen feiten of omstandigheden bewezen waaruit kan worden geconcludeerd dat Schiphorst fase II ook na de oplevering en het eindigen van de CAR-verzekering als zelfstandig te verzekeren entiteit wilde aanmerken én dat zij dit aan Aegon kenbaar heeft gemaakt. Integendeel, uit de getuigenverklaring van de assurantietussenpersoon dhr. [getuige 1] blijkt dat hierover tussen partijen niet is gesproken, aangezien dhr. [getuige 1] er (ten onrechte) van uit ging dat fase I en fase II voor de verzekering als twee afzonderlijke panden zouden worden aangemerkt. Doordat vervolgens door de assurantietussenpersoon verzuimd is na het eindigen van de CAR-verzekering de verzekerde waarde van de opstalverzekering te verhogen, dan wel in elk geval de waarde van fase II ter verzekering aan te bieden, is onderverzekering van het gehele pand ontstaan.

10. Uit het bovenstaande volgt dat Schiphorst niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Dit betekent dat naast de grieven I en III ook de grieven II en IV falen. Hieruit vloeit voort dat het bestreden vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Schiphorst zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 16 juli 2003, waarvan beroep;

- veroordeelt Schiphorst in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 4824,- aan griffierecht en € 6.526,- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, E.B. Rank-Berenschot en J.J. Roos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.