Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BB0198

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
958-M-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden en partijbedoeling. Huidige waarde van met hypotheek aangeschafte woning wordt in de verrekening betrokken. Tussentijds cassatie mogelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 136
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/135
RFR 2007, 124

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 juli 2007

Rekestnummer : 958-M-06

Rekestnr. rechtbank : 387/04

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. V.K.S. Budhu Lall,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.J.A. Knijff.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 12 juli 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Middelburg van 19 april 2006.

De vrouw heeft op 30 oktober 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 19 december 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 29 augustus 2006, 3 april 2006, 11 april 2006, 12 april 2006 en 19 april 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 3 april 2007 en 10 april 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 april 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.M. Veldkamp. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 16 februari 2005 van de rechtbank Middelburg.

Bij de bestreden beschikking is bepaald:

• dat de vrouw aan de man zal betalen € 1.935,65;

• dat de man aan de vrouw zal betalen € 392.922,-;

en indien en voor zover de man alleen door de fiscus zal worden aangeslagen in de totale belasting uit hoofde van de bedrijfsbeëindiging:

• dat de vrouw aan de man zal betalen de helft van deze aanslag;

• dat de man de vrouw inzake deze aanslag genoegzaam zal inlichten;

• dat de vrouw aan de man zal betalen de helft van de taxatiewaarde van de woning aan de [woning] (hierna te noemen: de woning), te verminderen met een bedrag van € 84.873,- en de taxatiekosten;

• het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang en de hoogte van het te verrekenen vermogen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen gewezen echtelieden.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de verrekening van het vermogen en de waarde van de woning te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:

• het door de man aan de vrouw te betalen bedrag ter zake de verrekening van het vermogen vast te stellen op € 197.064,50, verminderd met de helft van het verschil tussen het in de vermogensopstelling van de man opgenomen bedrag voor de bedrijfsgebouwen (€ 158.532,-) en de werkelijke verkoopopbrengst van die gebouwen, althans op een zodanig bedrag als het hof zal oordelen;

• het door de vrouw aan de man te betalen bedrag ter zake de verrekening van de waarde van de woning vastgesteld op de helft van de taxatiewaarde van de woning, te verminderen met een bedrag van € 84.873,- en de taxatiekosten en wordt het Gerechtshof verzocht het door de vrouw te betalen bedrag nader vast te stellen op € 157.563,-, althans een zodanig bedrag als het hof mag oordelen;

• en voorwaardelijk, voor het geval het hof mocht oordelen dat het melkquotum aan de man privé toebehoorde, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin: het door de man aan de vrouw te betalen bedrag ter zake de verrekening van het vermogen van de man is vastgesteld op € 392.922,- en verzoekt de man het door hem te betalen bedrag vast te stellen op € 52.390,-, althans op een zodanig bedrag als het hof mag oordelen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

• ten aanzien van bovenvermeld verzoek van de man zoals opgenomen in de eerste alinea, tot referte;

• ten aanzien van bovenvermeld verzoek van de man zoals opgenomen in de tweede en derde alinea, hem in deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem deze te ontzeggen als zijn de ongegrond en/of onbewezen;

• in incidenteel appel: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de vrouw aan de man zal betalen de helft van de taxatiewaarde, te verminderen met een bedrag van € 84,873,- en de taxatiekosten, en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw aan de man zal betalen 0,055ste deel (oftewel 5,5%) van de taxatiewaarde van de woning, welk bedrag dient te worden verminderd met de helft van de taxatiekosten van de woning, althans op een zodanig bedrag als het hof mag oordelen.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Rekenfout

5. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat beide het er over eens zijn dat de rechtbank bij de vaststelling van de waarde van het te verrekenen bedrijfsvermogen een rekenfout heeft gemaakt. Op basis van de gegevens van de rechtbank dient het bedrijfsvermogen te worden gesteld op € 392.922,-, waardoor de man aan de vrouw dient te voldoen de somma van € 197.064,50.

Eis wijziging

6. De man stelt dat de opbrengst van de waarde van de bedrijfsgebouwen aanzienlijk lager zal zijn dan het bedrag van € 158.532,- zijnde de WOZ waarde van de gebouwen, welk bedrag in het vermogensoverzicht van de man is opgenomen als productie 24 bij de brief aan de rechtbank de dato 4 juli 2005. De man heeft als zodanig zijn eis gewijzigd bij akte wijziging/aanvulling verzoek op 19 april 2007.

7. De vrouw is van mening dat er tussen partijen overeenstemming bestaat over de waarde van het ondernemingsvermogen en het vermogen van de man. De vrouw heeft de door de man opgegeven waarde van het ondernemingsvermogen geaccepteerd. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de bedrijfsgebouwen minder waard zijn dan de WOZ waarde. De man heeft dit niet aangetoond door een taxatierapport.

8. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht in het onderhavige geval de WOZ waarde van de bedrijfsgebouwen een voldoende objectief gegeven in het kader van de vaststelling van het te verrekenen vermogen. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de peildatum van de vaststelling van de verrekeningsvordering de bedrijfsgebouwen een aanzienlijk lagere waarde hadden dan de WOZ waarde.

Woonhuis te [woonplaats] aan de [x]

9. De vrouw is het niet eens met de wijze waarop de rechtbank de waarde van de woning aan de [straatnaam] in de verrekening heeft betrokken. De vrouw stelt daartoe dat:

• de woning in 1991 door de vrouw van haar moeder is aangekocht voor een bedrag van € 58.991,-;

• de moeder van de vrouw aan haar een geldlening heeft verstrekt van € 58.991,-, op welke lening niet is afgelost;

• voor de verbouwing van het woonhuis een geldlening is afgesloten van € 36.302,-;

• op de geldlening van € 36.302,- een bedrag van € 10.420,- is afgelost uit het inkomen van de vrouw;

• de woning dient slechts in de verrekening te worden betrokken voorzover op de lening is afgelost;

• aan de man slechts 5,5% van de huidige waarde van de woning aan de man toekomt;

• voor de verrekening dient de rentebetaling op de schuld niet te worden meegenomen;

• de woning niet aangemerkt kan worden als bedrijfsvermogen, de woning stond niet op de balans van de onderneming;

• de vrouw voor een schappelijke prijs de woning van haar moeder heeft gekocht en er in feite sprake is van een verkapte schenking;

• de huwelijkse voorwaarden destijds zijn aangegaan, omdat de ouders van de vrouw dat wilden, aangezien het vermogen van de ouders, dat naar de vrouw zou worden toegeschoven, buiten de verdeling moest blijven.

10. De man is van mening dat de volledige waarde van de woning te [woonplaats] aan de [x] in de verrekening moet worden betrokken. De man voert daartoe aan dat:

• de woning als alle andere bedrijfsgoederen waaronder begrepen het melkquotum, gezien moet worden als een voor de uitoefening van het bedrijf onmisbaar vermogensbestanddeel;

• de te naam stelling van de woning, op naam van de vrouw, niet bepalend is of de waarde van de woning al of niet moet worden verrekend;

• een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden met zich meebrengt dat de waarde van de woning moet worden verrekend. Ten tijde van het sluiten van het huwelijk hadden beide partijen geen vermogen;

• de huwelijkse voorwaarden zijn alleen aangegaan met het oog op de crediteuren aansprakelijkheid;

• de schuld die betrekking heeft op de woning behoort tot het te verrekenen vermogen;

• of vermogen tot het te verrekenen vermogen behoort, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden.

Partij bedoeling bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden

11. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de partij bedoeling bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw stelt dat de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is aangegaan om te voorkomen dat vermogen dat de vrouw verkrijgt van haar ouders in de verdeling moet worden betrokken. De man stelt dat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan in het kader van crediteuren bescherming. Nu de partij bedoeling voor het aangaan van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden niet kan worden achterhaald, zal het hof voor de vaststelling van de verrekeningsvordering uitgaan van de tekst van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden in de context van alle feiten en omstandigheden, en indien de tekst van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden geen uitsluitsel geeft zal het hof uitgaan van de regels voor verrekening zoals deze zijn opgenomen in de artikelen 1:132 tot en met 1:143 BW.

Verrekenbeding

12. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald: ” De echtgenoten zijn verplicht de vermeerdering van beider vermogens ontstaan door besparingen uit inkomsten met elkaar te delen. Telkens wanneer een echtgenoot zulks verlangt, hetzij tijdens het huwelijk, hetzij na ontbinding van het huwelijk, wordt, na afloop van een kalenderjaar ten aanzien van ieder hunner vastgesteld, de vermogensvermeerdering tengevolge van besparingen op inkomsten, te rekenen vanaf de dag van het huwelijk dan wel vanaf de datum van de laatste verrekening. De aldus vastgestelde vermogensvermeerderingen worden bijeengevoegd en bij helfte verdeeld, met dien verstande, dat ieder der echtgenoten het door hem of haar, uit eigen vermogen voor de kosten der huishouding bestede bedrag, als bedoeld in artikel 3, voor de verdeling vooruit kan nemen. De echtgenoten zijn verplicht elkander desverlangd alle gegevens nodig om te komen tot de hiervoor bedoelde verrekening te verschaffen.”.

13. In de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is geen definitie gegeven van het begrip inkomen.

14. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat zij tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding.

Bewijsvermoeden

15. In artikel 1:141 lid 3 BW is bepaald dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

16. Naar het oordeel van het hof is artikel 1:143 lid 3 BW slechts een bewijsregel, en heeft niet de strekking dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem dat is gebaseerd op een vermogensvergelijking. De man of vrouw dient op basis van deze bewijsregel aan te tonen of een goed geheel of gedeeltelijk uit privé vermogen is gefinancierd. Indien de man of vrouw niet kan aantonen, dat het goed uit privé vermogen is aangeschaft, wordt het goed vermoed te zijn aangeschaft met voor verrekening vatbare inkomsten dan wel dat de daarop betrekking hebbende lening ten laste is gekomen van verrekenbaar inkomen.

17. Vaststaat dat het woonhuis tijdens het huwelijk door de vrouw is gekocht en aan haar is geleverd en dat het woonhuis volledig was gefinancierd. De woning betrof voor de man en de vrouw de echtelijke woning. De aankoopsom van het woonhuis van € 58.991,- heeft de vrouw gefinancierd door middel van een geldlening van haar moeder. Op deze lening is niet afgelost.

18. De vrouw stelt dat zij de woning voor een schappelijke prijs heeft aangekocht. De man heeft weersproken dat partijen tijdens het huwelijk privé vermogen hebben gekregen door middel van schenkingen en of nalatenschappen.

19. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat er terzake de woning sprake is van een materiele schenking. Door de vrouw zijn geen verificatoire gegevens in het geding gebracht waaruit haar stelling kan worden afgeleid.

Geldlening verbouwing

20. De geldlening ten behoeve van de verbouwing is door de man en de vrouw aangegaan, op deze geldlening is uit het inkomen van de vrouw afgelost voor een totaal bedrag van € 10.420,-. De rente op de geldlening is eveneens uit het inkomen van de vrouw voldaan.

Schulden en vermogensvorming

21. In artikel 1:136 lid 2 tweede zin is bepaald: ”Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald”.

22. De rente betaling op de geldleningen die betrekking hebben op voormeld woonhuis zijn in beginsel aan te merken als kosten van de huishouding. Door het betalen van de rente, is niet de vraag beantwoord, of de vermogensvorming die door de rentebetaling mogelijk werd, alleen aan de vrouw toekomt of ook aan de man. Ook door het aangaan van schulden kan vermogen worden gevormd.

23. Uit de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt niet dat er sprake is van een beperkt verrekenbeding. In de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden staat: ”de vermeerdering van beider vermogens ontstaan door besparingen uit inkomsten”.

24. De vrouw heeft op basis van haar bron van inkomsten een geldlening afgesloten, met deze geldlening heeft zij de echtelijke woning aangekocht. Hiermee is vermogensvorming een feit. Met een gemeenschappelijke lening hebben partijen de verbouwing van de woning gefinancierd. Onweersproken is de stelling van de man dat beide partijen bij het aangaan van het huwelijk niet over enig relevant vermogen beschikte.

Omvang verrekeningsvordering

25. Rekening houdend met de tekst van het verrekenbeding, waarin expliciet wordt aangegeven dat de vermeerdering van beider vermogens in de verrekening dient te worden betrokken voorzover betrekking hebbend op overgespaard inkomen, rekening houdend met het feit dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij met privé middelen de woning heeft aangekocht, rekening houdend dat partijen bij het aangaan van het huwelijk niet over enig relevant vermogen beschikten, rekening houdend met het feit dat het door de man opgebouwde vermogen eveneens in de verrekening dient te worden betrokken, is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden met zich mede brengt dat ook het woonhuis dat is aangeschaft door middel van een geldlening in de verrekening dient te worden betrokken. De grieven van de vrouw treffen derhalve geen doel voorzover zij de strekking hebben te betogen dat het woonhuis niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

Melkquotum

26. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft de voorwaardelijke derde grief van de man geen bespreking meer.

Benoeming deskundige

27. Op basis van de gewisselde stukken kan het hof niet de waarde vaststellen van het woonhuis te [woonplaats] aan de [x].

28. Gezien het feit dat partijen in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden geen bepaling hebben opgenomen wanneer de verrekeningsvordering eindigt, gaat het hof uit van de wettelijke bepaling, namelijk dat de verrekeningsvordering dient te worden vastgesteld op datum indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.

29. Het hof verzoekt partijen binnen 6 weken na datum van deze beschikking zich uit te laten of er één of drie deskundigen moeten worden benoemd voor de vaststelling van de waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaak. Voorts verzoekt het hof, dat partijen zich uit laten omtrent de waarderingsgrondslag van de onroerende zaak.

Cassatie beroep

30. Het hof is van oordeel dat van deze tussenbeschikking onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.

31. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat partijen binnen 6 weken na datum van deze beschikking het hof schriftelijk zullen informeren zoals vermeld in rechtsoverweging 29;

bepaalt dat partijen van deze tussenbeschikking onmiddellijk cassatieberoep kunnen instellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2007.