Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9989

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
2200243206
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij bij discotheek Hollywood te Rotterdam.

Nu naar het oordeel van het hof de verdachte samen met diens medeverdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten, heeft hij willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij hem dodelijk zou treffen.

Door al rennend bij een discotheek waar zich rond sluitingstijd veel mensen bevonden, een groot aantal kogels af te vuren heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof voorts willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat ook een of meerdere van die omstanders zou worden geraakt en daarbij het leven zou laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002432-06

Parketnummers: 10-641055-05, 10-030030-04 (TUL) en 09-054022-03 (TUL)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Vught, Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

23 januari 2007, 11 mei 2007 en 26 juni 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en met beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen als nader in het vonnis vermeld. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te

's-Gravenhage van 2 maart 2004 onder parketnummer

09-054022-03 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken, alsmede van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2004 onder parketnummer

10-030030-04 voorwaardelijk opgelegde gevangennisstraf voor de duur van drie (3) maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 augustus 2005 heeft de rechtbank te Rotterdam de afsplitsing van de bij inleidende dagvaarding aan de verdachte onder 7, 8 en 9 tenlastegelegde feiten bevolen, zodat het hoger beroep is beperkt tot de overige op de tenlastelegging vermelde feiten.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie subsidiair bewijsuitsluiting dan wel strafmitigering

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, onder verwijzing naar zijn in eerste aanleg gevoerde pleidooi, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte is gedwongen mee te werken aan de spiegelconfrontaties en derhalve aan zijn eigen veroordeling, doordat hij zich geconfronteerd zag met het geweld dat ten aanzien van zijn medeverdachte bij de uitvoering van de confrontaties werd uitgeoefend en er aldus voor hem een dusdanig bedreigende situatie ontstond dat dit kan worden opgevat als een ongeoorloofde geweldstoepassing jegens hem. Hierbij komt dat nu er een beter alternatief voorhanden was, te weten een Oslo-confrontatie, het optreden van de politie volgens de raadsman ongerechtvaardigd en disproportioneel was.

De bedoelde spiegelconfrontaties zijn gehouden door de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank. Dat brengt mee dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat uitsluitend ziet op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, niet van toepassing is. Het verweer van de verdediging moet in zoverre worden verworpen.

Ambtshalve heeft het hof onderzocht of de door de verdediging gelaakte handelingen van de politieambtenaren de tegen de verdachte gevoerde procedure zodanig in strijd doen zijn met het bepaalde in artikel 6 EVRM of een zodanige ernstige schending opleveren van beginselen van een behoorlijke procesorde dat het gevolg daarvan zou moeten zijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vervolging dan wel dat de op te leggen straf wordt gemitigeerd.

Het hof heeft zich in het licht hiervan op de hoogte gesteld van de resultaten van het tegen de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ingestelde interne onderzoek, terwijl voordien ter terechtzitting de door de verdediging geselecteerde opnames zijn bekeken die van de incidenten zijn gemaakt en die onderdeel van het dossier uitmaken. Ook heeft het hof kennis genomen van de brief van 21 juni 2005 van de officier van justitie te Rotterdam, [officier van justitie], waarin zij gemotiveerd haar beslissing uiteenzet dat de aangifte tegen de betrokken politiemensen niet zal leiden tot nader strafrechtelijk onderzoek of tot vervolging.

Het hof is van oordeel dat er, hoe het optreden van de genoemde verbalisanten ook moet worden beoordeeld en welke gevolgen er eventueel in de ambtelijke sfeer ook aan worden gegeven, in casu niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak – en er dus ook geen sprake is van schending van het beginsel dat de verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling - en overigens hoe dan ook niet kan worden gezegd dat de verdachte in enig opzicht in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Bij dit oordeel speelt een rol dat het hof de resultaten van de spiegelconfrontaties niet voor het bewijs zal gebruiken.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging of voor enige andere vorm van compensatie ziet het hof derhalve geen reden.

Vrijspraak

In de op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vastgestelde feiten en omstandigheden, ziet het hof onvoldoende grond om te concluderen tot het voor poging tot moord vereiste kalm beraad en rustig overleg. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd volgt naar het oordeel van het hof uit het dragen van vuurwapens niet noodzakelijk dat er een afspraak bestond om het slachtoffer om het leven te brengen, terwijl ook uit de tijdspanne tussen het passeren van het latere slachtoffer en het vervolgens omdraaien en op hem schieten door de verdachte en zijn mededader niet zonder meer volgt dat de verdachte aldus de tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot moord) is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 februari 2005 te Rotterdam op de openbare weg, de Schiestraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet meermalen met vuurwapens een kogel heeft afgeschoten op het lichaam van genoemde [slachtoffer 1], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op 06 februari 2005 te Rotterdam op de openbare weg, de Schiestraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk personen genaamd [slachtoffer 2, 3, 4, 5, 6 en 7] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet,

- met één vuurwapen een kogel heeft afgeschoten tegen de rug van genoemde [slachtoffer 2], en

- meermalen met één of meerdere vuurwapens een kogel heeft afgeschoten tegen een been van genoemde [slachtoffer 3], en met één vuurwapen een kogel heeft afgeschoten tegen een been van genoemde [slachtoffer 4], en met één vuurwapen een kogel heeft afgeschoten in een arm van genoemde [slachtoffer 5], en

- met één vuurwapen een kogel heeft afgeschoten in de richting van de buik van genoemde [slachtoffer 6] en,

- meermalen met één of meer vuurwapen(s) een kogel heeft afgeschoten in de richting van genoemde [slachtoffer 7]

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 11 februari 2005 te Rotterdam meermalen tezamen en in vereniging met een anderen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

hij op 11 februari 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,22 gram en 54,03 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 10,37 gram en 24,35 gram van een materiaal bevattende cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.

hij op 11 februari 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen, merk IMI, 9 millimeter en

- een vuurwapen, pistool Beretta, model 1934, 9 millimeter, en

- een vuurwapen merk Baikal Makarov, model 79-8, 9 millimeter en

munitie van categorie III, te weten

- 31 kogelpatronen 9 millimeter (380 Auto) en

- 13 kogelpatronen 9 millimeter (LE), en

- 2 kogelpatronen 9 millimeter en

- 29 kogelpatronen 9 millimeter (GFL) en

- 8 kogelpatronen 9 millimeter (WIN) en

- 8 kogelpatronen 9 millimeter (58B) en

- 29 kogelpatronen 9 millimeter(GFL) en

- 6 kogelpatronen 9 millimeter 380 AUTO (GFL)

voorhanden heeft gehad.

6.

hij in de periode van 01 januari 2004 t/m 11 februari 2005 te Rotterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, (bestaande uit [10 namen] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het te Rotterdam en omstreken meermalen vervoeren en verkopen en afleveren van (gebruikers) hoeveelheden van middelen, vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet, en

- het aanwezig hebben van middelen vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bruikbaarheid getuigenverklaringen

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [betrokkene] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd nu deze, in het bijzonder gelet op de door deze getuigen bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, wisselen. Het hof verwerpt dit verweer – voor zover het betreft de verklaringen van [slachtoffer 1] – op grond van het feit dat hij naar het oordeel van het hof duidelijk en ook consistent heeft verklaard over de betrokkenheid van de verdachte – die hij al jaren goed kende – tijdens het opsporingsonderzoek, ter terechtzitting in eerste aanleg alsook ter terechtzitting in hoger beroep.

Voor twijfel aan de betrouwbaarheid van deze getuige is dus geen reden, terwijl er geen formele grond is waarom zijn verklaringen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

Nu het hof de verklaringen van [betrokkene] buiten beschouwing laat, behoeft het verweer in zoverre geen bespreking.

Voorwaardelijk opzet

Met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde overweegt het hof als volgt.

Uit het technisch sporenonderzoek en de (medische) verklaringen van de slachtoffers en de overige getuigen is gebleken dat de verdachte en diens medeverdachte al rennend in de nabijheid van (de achteruitgang van) discotheek Hollywood waar zich op dat moment, rond sluitingstijd, een grote groep mensen bevond, meermalen gericht op [slachtoffer 1] hebben geschoten. Tengevolge daarvan heeft deze veertien in- en uitschotwonden in zijn rechterhand, beide benen, bil en rug opgelopen. Voorts zijn vier omstanders gewond geraakt. Hun verwondingen bestonden onder meer uit een schampschot aan de rug, een schampschot aan het bovenbeen, een in- en uitschotwond aan het bovenbeen, en een inschotwond in de arm. Bovendien is één van hen nog door zijn pantalon geschoten en een andere omstander door zijn colbert.

Het is een feit van algemene bekendheid dat aan het schieten met een vuurwapen in de richting van een persoon het gevaar is verbonden dat deze persoon daardoor dodelijk wordt getroffen. Nu naar het oordeel van het hof de verdachte samen met diens medeverdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten, heeft hij willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij hem dodelijk zou treffen.

Door al rennend bij een discotheek waar zich rond sluitingstijd veel mensen bevonden, een groot aantal kogels af te vuren heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof voorts willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat ook een of meerdere van die omstanders zou worden geraakt en daarbij het leven zou laten.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26,

eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Nadat de verdachte en zijn medeverdachte in de vroege ochtenduren van 6 februari 2005 [slachtoffer 1] waren tegengekomen, hebben zij hem al rennend achtervolgd tot op het terrein van discotheek Hollywood, waar op dat moment - rond sluitingstijd - veel bezoekers aanwezig waren en een groot aantal kogels op hem afgevuurd. Hierbij hebben zij [slachtoffer 1] minstens zeven maal geraakt en daarnaast nog vier andere mensen die zich bij de achteruitgang van de sluitende discotheek bevonden. De verwondingen van de omstanders bestonden uit schampletsel aan rug en bovenbeen, een in- en uitschotwond aan het bovenbeen en een inschotwond in de arm, terwijl de pantalon van één van hen en het jasje van een andere toevallig aanwezige is doorschoten. [slachtoffer 1] heeft weliswaar blijvend fysiek ongemak aan de schietpartij overgehouden, en wel aan zijn hand en voet, doch ook bij hem zijn geen vitale delen geraakt. Het lijkt, gelet op voormelde omstandigheden, aan weinig meer dan een gelukkig toeval te danken dat de gevolgen voor de slachtoffers niet ernstiger zijn geweest.

De verdachte en zijn medeverdachte, die omtrent de precieze aanleiding voor de schietpartij geen opening van zaken hebben gegeven, hebben door hun handelwijze blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van [slachtoffer 1] en dat van de andere slachtoffers. Zij zijn er niet voor teruggedeinsd om de levens van talrijke aanwezigen op de plaats van de schietpartij ernstig in gevaar te brengen. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat de schietpartij plaatsvond in een publieke ruimte waar veelal jonge mensen voor plezier en ontspanning naar toe gaan.

Bezoekers van dergelijke publieke ruimtes moeten gevrijwaard blijven van bedreigende situaties zoals die zich door toedoen van verdachte en zijn mededader hebben voorgedaan.

Zij hebben door aldus te handelen meerdere malen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, waarbij ook de personen die getuige zijn geweest van de schietpartij een buitengewoon traumatische ervaring te verwerken hebben gekregen. Deze feiten zijn door hen allen als zeer beangstigend en schokkend ervaren en te verwachten valt dat zij nog geruime tijd de psychische gevolgen zullen ondervinden van hetgeen de verdachte en zijn medeverdachte hen hebben aangedaan, nog daargelaten dat een aantal van de slachtoffers nog dagelijks wordt geconfronteerd met de fysieke gevolgen ervan. Dergelijke voor de rechtsorde schokkende delicten dragen bovendien bij aan de reeds in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid.

Voorts heeft de verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die zich vanuit een pand aan [adres] te Rotterdam gedurende een periode van meer dan een jaar bezighield met de handel in harddrugs. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten ook een hoeveelheid cocaïne en heroïne in dat pand aanwezig gehad. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich kennelijk enkel laten leiden door hun financiële belangen en zich geen rekenschap gegeven van de schade en onrust die dergelijke ernstige schendingen van de in de Opiumwet gegeven verbodsnormen veroorzaken. Door de handel in harddrugs wordt de volksgezondheid immers ernstig bedreigd en het gebruik van dergelijke middelen heeft voorts een aanzuigende werking op diverse vormen van criminaliteit.

Ook heeft de verdachte samen met anderen diverse vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Tegen het onbevoegdelijk en ongecontroleerd voorhanden hebben van dergelijke wapens dient krachtig te worden opgetreden ter bescherming van de maatschappij en haar burgers en ter voorkoming van een schietpartij als de onderhavige.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige delicten die de rechtsorde in hoge mate hebben geschokt. Het hof rekent de verdachte deze gedragingen zwaar aan en met name de kennelijk lichtvaardige wijze waarop hij tot het gebruik van een vuurwapen is overgegaan en waarmee hij het volstrekt onaanvaardbare risico heeft genomen dat toevallige aanwezigen door de afgevuurde kogels dodelijk zouden worden getroffen.

De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft geen blijk gegeven het strafwaardige en de ernst daarvan in te zien. Nu hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 14 maart 2007 reeds eerder onder meer is veroordeeld voor gewelds- en vermogensmisdrijven en een Opiumdelict en dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige ernstige delicten te plegen – nota bene gedurende bij twee eerdere veroordelingen vastgestelde proeftijd -, en hij voorts daarnaar gevraagd geen beeld heeft kunnen schetsen van een toekomstig leven buiten de criminaliteit, bestaat de vrees dat de verdachte na zijn vrijlating wederom zal vervallen in het bewezenverklaarde of andersoortig strafwaardig gedrag.

Hoewel het hof met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit poging tot doodslag en niet poging tot moord bewezen acht, komt het hof, gelet op de aard en de ernst van de feiten, op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden en ter generale en speciale preventie, tot een hogere straf dan door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] als benadeelde partij gevoegd en

een vordering ingediend tot vergoeding van een bedrag van

€ 485,50 ter zake van geleden materiële schade en van een bedrag van € 1.300,- ter zake van geleden immateriële

schade, derhalve in totaal tot een bedrag van € 1.785,50,

als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.523,50, bestaande uit € 223,50 voor geleden materiële schade en € 1.300,- voor geleden immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is voorts aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich leent voor gehele toewijzing.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot

aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in

de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.523,50 ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van een bedrag van € 1.319,53 ter zake van geleden materiële schade en van een bedrag van € 3.400,- ter zake van geleden immateriële schade, derhalve in totaal tot een bedrag van € 4.719,53, als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.815,53, bestaande uit € 315,53 voor geleden materiële schade en € 1.500,- voor geleden immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is voorts aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich leent voor gehele toewijzing.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.815,53 ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van € 1.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich leent voor gehele toewijzing.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 maart 2004, onder parketnummer 09-054022-03, is de verdachte - voor zover te dezen van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Voorts is de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2004, onder parketnummer 10-030030-04, – voor zover te dezen van belang – veroordeeld tot een gevangennisstraf voor de duur van drie maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vorderingen van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straffen, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijden nog niet waren verstreken.

De vorderingen van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straffen zijn derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerleggingen gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet, de artikelen 36f, 45 (oud), 47, 57,

140 (oud) en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 55 (oud) en art. 26 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.523,50 (duizend vijfhonderddrieëntwintig euro en vijftig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4], van een bedrag van € 1.523,50 (duizend vijfhonderddrieëntwintig euro en vijftig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen voor zover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het gevorderde bedrag van € 1.815,53 (duizend achthonderdvijftien euro en drieënvijftig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3], van een bedrag van € 1.815,53 (duizend achthonderdvijftien euro en drieënvijftig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen voor zover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het gevorderde bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen voor zover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 maart 2004, onder parketnummer 09-054022-03, opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2004, onder parketnummer 10-030030-04, opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. M.J. Bax-Luhrman en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. N.V.N.J. de Laurente.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2007.