Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9857

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
1413-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Tussenbeschikking of deelbeschikking. Hoor en wederhoor. Belang bij appel gezien vonnis voorzieningenrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 juli 2007

Rekestnummer : 1413-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-148

[appellante],

wonende te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.W. Bogaardt,

tegen

[verweerder],

wonende te Zoetermeer,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. Th.P.H. van Kesteren.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2006, welke beschikking op 3 november 2006 is verbeterd in dier voege, dat het tekstblok onderaan de beschikking betreffende de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen, is aangevuld met de passage dat van de beschikking hoger beroep kan worden ingesteld “voor zover dit een eindbeslissing is”.

De vader heeft op 19 april 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 25 oktober 2006 en 16 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 mei 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur en de vader, bijgestaan door zijn procureur en namens de raad: mevrouw Timmers. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 25 april 2006 van de rechtbank Rotterdam.

Bij de tussenbeschikking van 25 april 2006 is de raad verzocht om onderzoek of andere bemoeienis te verrichten met betrekking tot de omgang tussen de vader en de minderjarige.

Bij de bestreden beschikking is een voorlopige omgangsregeling bepaald, in die zin dat de vader in de gelegenheid zal worden gesteld de minderjarige minimaal zes maal te ontmoeten in het Rotterdams Omgangshuis, waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de medewerkers van de Rotterdamse Omgangsbegeleiding, na overleg met de ouders, en is de Rotterdamse Omgangsbegeleiding verzocht de rechtbank omtrent het verloop van de begeleide omgang te berichten. De verdere behandeling is aangehouden.

Bij beschikking van 3 november 2006 is de bestreden beschikking verbeterd voor wat betreft de vermelding van de mogelijkheid van hoger beroep.

Bij vonnis van 29 november 2006 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is de vordering van de vader tot nakoming door de moeder van de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige op straffe van een dwangsom afgewezen, nu het onderzoek door de raad binnen enkele dagen zal beginnen en de resultaten daarvan afgewacht dienen te worden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige [geboren in] 15 juli 2004, verder: [het kind], die bij de moeder verblijft. De vader heeft [het kind] erkend.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vader in zijn inleidend verzoek niet te ontvangen, althans een beslissing te nemen zodanig als het hof zal vermenen te behoren.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar dit te ontzeggen, dan wel haar verzoek af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4. De vader stelt vooraf dat het beroep van de moeder niet-ontvankelijk is, aangezien er sprake is van een tussenbeschikking. Niets van het oorspronkelijk verzochte – te weten: vaststelling van een definitieve omgangsregeling – is volgens de vader definitief afgedaan in de bestreden beschikking.

5. De moeder stelt dat in het familieprocesrecht hoger beroep slechts is uitgesloten tegen voorlopige voorzieningen die in een echtscheidingsprocedure zijn getroffen. In casu is er geen sprake van een dergelijke procedure. De algemene wetgeving is derhalve van toepassing, waarin is neergelegd dat hoger beroep slechts openstaat tegen een beschikking waarin een eindbeslissing is opgenomen. Aangezien de rechtbank in de bestreden beschikking heeft beslist dat er omgang moet plaatsvinden in het omgangshuis, is er volgens de moeder sprake van een eindbeslissing die appellabel is.

6. Het hof oordeelt als volgt. Van een eindbeschikking is sprake indien in het dictum uitdrukkelijk wordt beslist omtrent enig deel van het verzochte. Het hof is van oordeel dat er over enig deel is beslist, nu er een omgangsregeling voor de in de bestreden beschikking opgenomen periode is vastgesteld. Daarbij gaat het niet om proefcontacten, maar om een omgangsregeling voor een bepaalde duur. De moeder is derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep.

Belang

7. Ter terechtzitting is voorts aan de orde geweest of de moeder nog belang heeft bij haar hoger beroep, nu de Voorzieningenrechter bij vonnis van 29 november 2006 heeft beslist dat de vader, hangende het raadsonderzoek, geen nakoming kan vorderen van de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling.

8. De moeder stelt dat het belang van de onderhavige procedure is gelegen in het feit dat de vader wederom bij de voorzieningenrechter een procedure aanhangig zou kunnen maken, nu het rapport van de raad inmiddels is afgerond. Op dit moment heeft de rechtbank volgens de moeder nog geen datum bepaald waarop de mondelinge behandeling zal plaatsvinden.

9. Van de zijde van de vader is desgevraagd ter zitting opgemerkt dat de vader in principe de mondelinge behandeling bij de rechtbank Rotterdam zal afwachten.

10. Het hof is van oordeel dat er belang aan het verzoek in hoger beroep kan worden toegekend, nu het onderzoek en het rapport van de raad zijn voltooid en de vader de mogelijkheid heeft opnieuw in kort geding nakoming van de opgelegde omgangsregeling te vorderen.

Schending van het beginsel van hoor en wederhoor

11. In haar eerste grief stelt de moeder dat de vader blijkens de bestreden beschikking enige malen op eigen titel aan de rechtbank heeft geschreven. Deze stukken zijn de moeder niet bekend en worden ook niet ten grondslag gelegd aan de bestreden beschikking. De rechtbank heeft verzuimd de moeder in te lichten over het verzoek van de vader om de zaak bij vervroeging opnieuw op de rol te plaatsen en heeft de moeder niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De moeder is van mening dat de termijn te kort is geweest voor een behoorlijke voorbereiding. Het verweer van de moeder is zonder nadere motivering door de rechtbank gepasseerd.

12. De vader stelt dat de rechtbank in het geheel niet heeft verzuimd de moeder, alsmede haar procureur in te lichten omtrent de geplande zitting van 11 augustus 2006. Aan de procureur van de moeder heeft de rechtbank de oproepingsbrief op gebruikelijke wijze verzonden. De moeder heeft zich verzet tegen de doorgang van de zitting omdat het onderzoek van de raad nog niet was begonnen.

13. Het hof overweegt als volgt. Nu is gebleken dat de moeder en haar advocaat op de hoogte waren van de datum waarop de mondelinge behandeling plaats zou vinden en van het feit dat deze behandeling doorgang zou vinden, is er geen sprake van de schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Het enkele feit dat het moeilijk was om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, is daartoe onvoldoende. Al zou dit anders zijn, dan is dit gebrek naar het oordeel van het hof alsnog in hoger beroep geheeld, omdat de moeder in dit hoger beroep alsnog voldoende heeft kunnen reageren op de stukken van de vader.

Afwachten van het rapport van de raad

14. In haar tweede grief stelt de moeder dat het deskundigenrapport van de raad moet worden afgewacht alvorens de rechtbank tot een eventuele omgangsregeling kan beslissen en dat het omgangshuis onvoldoende is uitgerust voor de omgang. Contacten tussen vader en zoon zonder behoorlijke voorbereiding en het deskundigenadvies zullen het kind in hoge mate schaden.

15. De vader stelt dat deze grief geen doel treft omdat de grief achterhaald is door de feiten. De omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking wordt momenteel niet nagekomen omdat de voorzieningenrechter bij vonnis van 29 november 2006 heeft bepaald dat het onderzoek van de raad diende te worden afgewacht. Thans is het rapport voltooid en wordt in dit rapport door de raad geconcludeerd dat [het kind] hoort te weten wie zijn vader is en dat uit het onderzoek geen zwaarwegende belangen zijn gebleken die een contact tussen de vader en [het kind] onmogelijk zouden maken.

16. Het hof is van oordeel dat deze grief faalt, nu deze betrekking heeft op het afwachten van het raadsrapport en uit de stukken blijkt dat het raadsrapport op 16 februari 2007 is voltooid.

Motivering van de bestreden beschikking

17. In haar derde grief stelt de moeder dat de reden van de rechtbank tot toewijzing van het verzoek tot het treffen van een omgangsregeling onvoldoende is gemotiveerd. Een kind van deze leeftijd zal mogelijk enige tijd na de scheiding een wat eenkennig gedrag vertonen ten opzichte van zijn vader. Volgens de moeder zal door een liefdevolle tegemoettreding deze drempel echter al spoedig verdwijnen. Indien [het kind] een negatieve ervaring heeft met zijn vader, zal deze ervaring een herstel van het contact in aanzienlijke mate bemoeilijken.

18. De vader stelt dat de bestreden beschikking wel degelijk voldoende is gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat onbegeleide omgang niet tot de mogelijkheden behoorde en dat de vader [het kind] al meer dan negen maanden niet had gezien. De rechtbank achtte de vrees van de vader dat zijn zoontje van hem zou vervreemden, niet irreëel en achtte begeleide omgang in het Rotterdams Omgangshuis gewenst.

19. Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij kent het hof in het bijzonder belang toe aan het feit dat de rechtbank heeft beslist dat er sprake is van begeleide omgang, zodat ook aan de moeder de geruststelling is gegeven dat op een verantwoorde manier met [het kind] zal worden omgegaan. Daarenboven neemt het hof in overweging dat ook de raad blijkens het thans ter beschikking gekomen rapport van oordeel is dat er - begeleide - omgang tussen de vader en [het kind] dient plaats te vinden. Deze grief faalt derhalve.

20. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Tanja-van den Broek, Reinking en Draijer-Udo, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2007.