Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9097

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
BK-06/00046
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2003; eerder verleende aftrek advocatenkosten in verband met ontslagprocedure bij het opleggen van de definitieve aanslag niet gevolgd. Bij de vaststelling van een definiteve aanslag in de inkomstenbelasting is de inspecteur niet verplicht eenzelfde standpunt in te nemen als die ten grondslag heeft gelegen aan een vooorlopige aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/42.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

29 mei 2007

nummer BK-06/00046

UITSPRAAK

op het hoger beroep van belanghebbende te plaatsnaam tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 januari 2006, nummer AWB 05/4500 IB/PVV betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag, bezwaar, uitspraak en geding voor de rechtbank

1.1 Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.485.

1.2 Het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakt bezwaar is door de Inspecteur afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.889. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag gehandhaafd zoals die is komen te luiden na ambtshalve vermindering, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten groot € 644 en de Staat gelast het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 103. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 21 november 2006. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Het Hof stelt in hoger beroep de feiten vast overeenkomstig de vaststelling daarvan door de rechtbank zoals opgenomen in 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van advocaatkosten tot een bedrag van € 19.196, welke kosten hij heeft gemaakt in verband met een ontslagprocedure die is gevoerd in de jaren 1996 tot en met 2004, welke aftrek door belanghebbende wordt verdedigd en door de Inspecteur bestreden.

4.2 Het standpunt van belanghebbende is dat tijdens de behandeling van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag de Inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat deze kosten, welke betrekking hebben op de jaren vóór 2001, in het onderhavige jaar in aftrek konden komen.

4.3 De Inspecteur houdt de juistheid van de aanslag na de toegepaste ambtshalve vermindering staande.

4.4 Voor de grieven en weren die partijen ten grondslag leggen aan hun standpunten verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1 De conclusie van belanghebbende is dat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar dienen te worden vernietigd en de aanslag dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.693.

5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Zoals de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, nr. 37 463, LJN: AF2996,

BNB 2003/188 heeft overwogen is de inspecteur in het algemeen niet ertoe verplicht bij de vaststelling van de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag heeft gelegen aan een voorlopige aanslag of een vermindering daarvan. Deze regel dient uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld.

6.2 Het is aan belanghebbende die zich op een schending van het vertrouwensbeginsel beroept, omstandigheden te stellen en, bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit kan worden afgeleid dat aan de in 6.1 vermelde voorwaarden voor het honoreren van dit beroep is voldaan. Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende gelijktijdig met het indienen van de aangifte de kwestie van de aftrekbaarheid van de onderwerpelijke kosten bij brief van 12 maart 2004 met een beroep op een redelijke wetstoepassing aan de orde heeft gesteld en daarvan nogmaals melding heeft gemaakt in het bezwaarschrift van 17 mei 2004 tegen de naar aanleiding van de aangifte opgelegde voorlopige aanslag en vervolgens in zijn brief van 7 juli 2004. In deze laatste brief is het bedrag van € 19.196,51 aan advocaatkosten genoemd. In zoverre kan worden gezegd dat belanghebbende deze aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd.

6.3 Wat de voorwaarde van de bijkomende omstandigheden betreft overweegt het Hof als volgt. Weliswaar is, naar aanleiding van de in 6.2 vermelde brieven van belanghebbende bij verminderingsbeschikking van 1 september 2004 en teruggaafbeschikking van 2 september 2004 met een aftrekpost van € 19.196 rekening gehouden, maar dat geldt niet, zoals de Hoge Raad in vorengenoemd arrest uitdrukkelijk heeft overwogen, als een bijzondere omstandigheid. Voorts heeft de Inspecteur niet, zoals belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld, zelfstandig het bedrag van deze kosten berekend. Hij heeft bij het vaststellen van de beschikkingen van 1 en 2 september 2004 kennelijk de brief van 7 juli 2004 van belanghebbende gevolgd. Van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs de indruk kon krijgen dat de Inspecteur met betrekking tot de advocaatkosten weloverwogen een standpunt heeft ingenomen, kan derhalve niet worden gesproken. Ook de verdere correspondentie en telefoongesprekken die belanghebbende naar aanleiding van de voorlopige aanslag met de Belastingdienst heeft gevoerd, leiden niet tot een ander oordeel.

6.4 Op grond hetgeen hiervoren is overwogen is het hoger beroep ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Savelbergh, Van Walderveen en Albert. De beslissing is op 29 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van de Vijver)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

nummer BK-06/00046 blz. 5/5