Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9082

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
2200128004
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de veroordeling van de verdachte in eerste aanleg is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat er eveneens als betrouwbaar aangemerkte CIE informatie bij de politie voorhanden was welke ook al bekend was toen de eerste rechter over de zaak oordeelde, inhoudende dat de verdachte niet de schutter was, maar het feit zou hebben uitgelokt. Eerst vlak voor het verhoor van de teamleider CIE door de rechter-commissaris is genoemde informatie bekend geworden. Uit het verhoor van de teamleider van het onderzoeksteam ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat van de laatstgenoemde CIE informatie geen proces-verbaal is opgemaakt en dat deze informatie ook niet is besproken met de zaaksofficier. In het team was men er van overtuigd dat de verdachte de dader was en er is derhalve niet verder gerechercheerd.

Naar het oordeel van het hof is door deze gang van zaken in het opsporingsonderzoek, mede gelet op de ontkenning van de verdachte, sprake van deels onherstelbare fouten, die een zodanige veronachtzaming opleveren van de belangen van de verdachte, dat aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging terzake van

het onder 1 tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 218

Uitspraak

Rolnummer: 22-001280-04

Parketnummer: 10-030092-03

Datum uitspraak: 5 juli 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[[verdachte]achte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1966,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 19 september 2005, 28 november 2005, 5 februari 2007 en

21 juni 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 oktober 2003 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een vuurwapen heeft geschoten op en/of in de richting van [slachtoffer];

2.

hij op of omstreek 5 november 2003 te Den Haag een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, model 57, kaliber 7.62 mm voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 5 november 2003 te Den Haag munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten:

- 15 kogelpatronen van het merk NNY, kaliber 7.62 mm en/of

- 9 kogelpatronen van het merk S&B, kaliber 9 mm

voorhanden heeft gehad.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat in het opsporingsonderzoek sprake is van grove nalatigheid van het onderzoeksteam van de politie, doordat vitale CIE-informatie is achtergehouden en DNA-onderzoek op sigarettenpeuken achterwege is gebleven. Het niet voegen van essentiële informatie in het dossier en het niet onderzoeken van mogelijk ontlastend sporenmateriaal dient volgens de raadsvrouw te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de feiten 1, 2 en 3.

Het hof overweegt het volgende.

Op 20 oktober 2003 is te Rotterdam op [slachtoffer] geschoten. Het slachtoffer heeft op 20 oktober 2003 verklaard dat de schutter [verdachte] zou zijn en dat deze eigenaar was van de [horecagelegenheid] te ’s-Gravenhage. Later heeft het slachtoffer deze verklaring ingetrokken. De politie heeft een en ander onderzocht, waarna [verdachte] als verdachte werd aangemerkt. Uit onderzoek van telefoongegevens bleek dat de verdachte op het tijdstip van de schietpartij daar in de buurt is geweest. Uit als door de politie betrouwbaar aangemerkte CIE informatie van november 2003 kwam naar voren dat de verdachte degene was geweest die op [slachtoffer] had geschoten.

Na de veroordeling van de verdachte in eerste aanleg is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat er eveneens als betrouwbaar aangemerkte CIE informatie bij de politie voorhanden was welke ook al bekend was toen de eerste rechter over de zaak oordeelde, inhoudende dat de verdachte niet de schutter was, maar het feit zou hebben uitgelokt. Eerst vlak voor het verhoor van de teamleider CIE door de rechter-commissaris is genoemde informatie bekend geworden. Uit het verhoor van de teamleider van het onderzoeksteam, [getuige], ter terechtzitting in hoger beroep op 28 november 2005 is gebleken dat van de laatstgenoemde CIE informatie geen proces-verbaal is opgemaakt en dat deze informatie ook niet is besproken met de zaaksofficier. In het team was men er, aldus [getuige], van overtuigd dat de verdachte de dader was en er is derhalve niet verder gerechercheerd.

Naar het oordeel van het hof is door deze gang van zaken in het opsporingsonderzoek, mede gelet op de ontkenning van de verdachte, sprake van deels onherstelbare fouten, die een zodanige veronachtzaming opleveren van de belangen van de verdachte, dat aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging terzake van

het onder 1 tenlastegelegde.

Terzake van de feiten 2 en 3 is het openbaar ministerie ontvankelijk, omdat gelet op de verklaring van het slachtoffer de verdachte als zodanig aangehouden kon worden en bij de aanhouding het wapen en de munitie is aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 5 november 2003 te Den Haag een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava, model 57, kaliber 7.62 mm voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 5 november 2003 te Den Haag munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten:

- 15 kogelpatronen van het merk NNY, kaliber 7.62 mm en

- 9 kogelpatronen van het merk S&B, kaliber 9 mm

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken terzake van het onder 1 tenlastegelegde en terzake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onbevoegd bezit van een pistool met voor dat wapen geschikte munitie. Tegen onbevoegd wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid onderstrepen de noodzaak hiervan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. D. Jalink en mr. N.C. van Bellen, in bijzijn van de griffier M. van der Mark.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juli 2007.