Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9057

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
BK-07/00072
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eén van de 42 gesplitste zaken BK-07/00063 t/m BK-07/00104 in vervolg op de tussenuitspraak van 9 januari 2007 inzake BK-03/01566 (LJN: BA9037) betreffende WOZ-waardering van 864 woningen uit het bestand van stichting Vestia Groep (Delft).

Het beroep betreffende 73 onroerende zaken is gegrond. De heffingsambtenaar heeft de door hem verdedigde waarden van de woningen, tegenover de betwisting door belanghebbende, onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl de door belanghebbende verdedigde waarden aannemelijk zijn. De door belanghebbende voorgestane waarden staan ook in een betere verhouding tot de waarden van de woningen waarop de zaak met het kenmerk BK-07/00071(LJN: BA9054) betrekking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

22 februari 2007

nummer BK-07/00072

UITSPRAAK

op het beroep van de stichting Stichting Vestia Groep, statutair gevestigd te Rotterdam, tegen de uitspraken van de Inspecteur, het Hoofd Belastingen van de gemeente Delft, betreffende na te noemen beschikkingen.

1. Tussenuitspraak en splitsing

1.1 Het Hof verwijst naar hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in zijn tussenuitspraak van 9 januari 2007 in de zaak met het kenmerk 03/01566 (hierna: de tussenuitspraak).

1.2 Voor het procesverloop verwijst het Hof in de eerste plaats naar hetgeen daaromtrent is vermeld onder 1 tot en met 3.2 van de tussenuitspraak.

1.3 Na de tussenuitspraak is die zaak gesplitst in 42 zaken, waaronder deze, in welke zaken heden uitspraak wordt gedaan. Ook wordt heden in de zaak met het kenmerk 03/01566 de (eind)uitspraak gedaan.

1.4 Het onderhavige beroep is gericht tegen de uitspraken van de Inspecteur op het bezwaar tegen 73 beschikkingen, waarbij de Inspecteur het bezwaar gegrond heeft verklaard en de waarde van elk van de onroerende zaken heeft verminderd. Die beschikkingen en uitspraken hebben betrekking op de volgende 73 onroerende zaken:

Object Waarde bij beschikking Waarde bij uitspraak op bezwaar

[...] [...] [...]

2. Geschil en standpunten van partijen

2.1 Voor het geschil en de standpunten van partijen verwijst het Hof in de eerste plaats naar hetgeen in de tussenuitspraak onder 4 is vermeld. Wat het subsidiaire standpunt van belanghebbende en de bestrijding daarvan door de Inspecteur betreft, is voorts het volgende van belang.

2.2 Partijen hebben ieder voor zich de woningen, die in Delft bij belanghebbende in eigendom zijn, gegroepeerd, zoveel mogelijk voor elk van die groepen een - al dan niet tot die groep behorende - representatieve woning aangewezen (referentiewoning) en de waarde hiervan getaxeerd. Vervolgens hebben partijen - wederom ieder voor zich - de waarde van de woningen in elk van de groepen afgeleid van de getaxeerde waarde van de desbetreffende referentiewoning. Ter schraging van de waarde van die referentiewoning zijn objecten genoemd die werkelijk zijn verkocht, met vermelding van enkele kenmerkende gegevens van zowel de referentiewoning als de verkochte objecten, zoals verkoopprijs- en datum, bouwvolume, perceel- of tuinoppervlakte, woningtype, bouwjaar en wijknummer, terwijl ook een of meer foto's zijn bijgevoegd.

2.3 Partijen hebben de (referentie-)woningen volgens verschillende methoden getaxeerd. De Inspecteur heeft gebruik gemaakt van een taxatiemodel van Kafi, volgens welk de waarde is samengesteld uit een aantal elementen en waarbij bedragen zijn toegekend aan het bouwvolume, de perceel- of tuinoppervlakte, aanhorigheden en dakkapellen. In beroep heeft de Inspecteur dezelfde methode gehanteerd om de waarde van door hem of belanghebbende gekozen referentiewoningen te schatten. Belanghebbende heeft in beroep voor de door haar gekozen referentiewoningen vergelijkbare objecten genoemd en de verkoopprijzen daarvan gedeeld door het bouwvolume om met het gemiddelde daarvan en ook rekening houdend met belangrijke verschillen, de waarde van de referentiewoning te schatten.

2.4 Een en ander heeft ertoe geleid dat belanghebbende de woningen anders heeft gegroepeerd dan de Inspecteur, dat voor de te waarderen woningen in de meeste gevallen door partijen is gerefereerd aan verschillende referentiewoningen en dat zij voor specifieke woningen op verschillende resultaten zijn uitgekomen.

2.5 Het Hof heeft partijen gevraagd of zij het eens kunnen worden over de groepsindeling en de daarbij behorende referentiewoningen, doch partijen hebben hierover geen overeenstemming bereikt.

2.6 De Inspecteur heeft onder meer gesteld dat met betrekking tot een aantal verkochte woningen, die in de taxatierapportages van belanghebbende zijn vermeld, de taxateur is uitgegaan van een onjuist bouwvolume. Belanghebbende heeft hieromtrent ter zitting te kennen gegeven dat de door de Inspecteur genoemde bouwvolumes voor juist moeten worden gehouden.

2.7 Partijen bestrijden elkaars taxatiemethoden en stellen dat bij een taxatie met de eigen methode de waarde van de woningen beter kan worden benaderd. Voor de argumenten die partijen daarbij bezigen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

3. Vaststaande feiten

Het Hof merkt het in de tussenuitspraak onder 1 en 3 vermelde als vaststaand aan. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is verder, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 De onderhavige woningen zijn portiekwoningen, gelegen in wijk 12. De woningen hebben een bouwvolume van 155 m3. Zeventien woningen hebben een tuin van 65 m2 en zes woningen hebben een tuin van 50 m2. De andere woningen hebben geen tuin. De Inspecteur heeft de woningen ingedeeld in groep 01293 met als referentiewoning de portiekwoning aan de Tweemolentjeskade 82, terwijl belanghebbende de woningen heeft ingedeeld in groep 19 met als referentiewoning de portiekwoning aan de Elzenlaan 17.

3.2 De Inspecteur heeft de waarde van zijn referentiewoning geschat op € 79.411. Belanghebbende heeft de waarde van haar referentiewoning geschat op € 67.500. Voor de grondslagen van die taxaties verwijst het Hof naar de desbetreffende rapporten.

3.3 In het taxatierapport van de Inspecteur betreffende de referentiewoning Tweemolentjeskade 82 zijn gegevens omtrent de verkoop van drie objecten vermeld waarop de taxatie berust. In het taxatierapport van belanghebbende betreffende de referentiewoning Elzenlaan 17 zijn gegevens omtrent de verkoop van vijf objecten vermeld waarop de taxatie berust.

3.4 De referentiewoning van de Inspecteur heeft een bouwvolume van 155 m3 en geen tuin. De referentiewoning van belanghebbende heeft een bouwvolume van 155 m3, een woonoppervlakte van 55 m2 en een tuin van 65 m2.

3.5 Beide partijen rekenen aan de bij enkele woningen behorende tuinen een waarde toe van € 8.600 (65 m2) of € 6.800 (50 m2).

4. Beoordeling van het beroep

Vorm en wijze van bekendmaking van de beschikkingen

4.1 Wat betreft de vorm en wijze van bekendmaking van de onderwerpelijke beschikkingen verwijst het Hof naar hetgeen in de tussenuitspraak onder 5.3 en 5.4 is overwogen en geoordeeld.

De waarde van de onroerende zaken

4.2 De waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever 'de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding' (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).

4.3 De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de inspecteur. Indien de inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.

4.4 Het Hof is na afweging van de door partijen over en weer aangedragen feiten en argumenten en op grond van zijn waardering van de door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen tot het oordeel gekomen dat de Inspecteur de door hem verdedigde waarden van de onderscheidene woningen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, tegenover de betwisting daarvan door belanghebbende, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de door belanghebbende verdedigde waarden door haar aannemelijk gemaakt zijn. De door belanghebbende voorgestane waarden staan naar het oordeel van het Hof ook in een betere verhouding tot de waarden van de door de Inspecteur in groep 01297 en door belanghebbende in groep 14 ingedeelde woningen (zie kenmerk BK-07/00071).

4.5 Het vorenoverwogene betekent dat de bestreden uitspraken niet in stand kunnen blijven en dat die waarden moeten worden vastgesteld op de hierna vermelde bedragen.

5. Proceskosten

5.1 Nu het beroep gegrond is, heeft te gelden wat het Hof in de tussenuitspraak onder 6 heeft overwogen.

5.2 Mitsdien komt aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van (73 x € 15,90 is) € 1.160,70 en een schadevergoeding van (73 x € 11,60 is) € 846,80 toe.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de 73 bestreden uitspraken van de Inspecteur,

- wijzigt de beschikkingen aldus, dat de waarde van de onroerende zaken nader wordt vastgesteld op de hieronder vermelde bedragen:

Object Waarde

[...] [...]

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.160,70, en wijst de gemeente Delft aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- veroordeelt de gemeente Delft tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade, vastgesteld op € 846,80.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Schuurman, Vierhout en Visser. De beslissing is op 22 februari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Otto) (Vierhout)

Deze uitspraak is ondertekend door mr. Vierhout omdat de voorzitter daartoe verhinderd was.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.