Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9031

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
C05-1785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kettingbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

1. [Naam],

wonende te Zevenhuizen, gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle,

2. [Naam],

wonende te Rotterdam,

3. [Naam],

wonende te Zevenhuizen, gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle,

in hun hoedanigheid van gezamenlijke erven van [naam], overleden op 21 maart 2004,

4. [Naam],

wonende te Rotterdam,

5. [Naam],

wonende te Swifterbant, gemeente Dronten,

appellanten,

hierna te noemen: appellanten 1 tot en met 4 gezamenlijk de gebroeders [naam] en alle appellanten gezamenlijk [naam] (mannelijk enkelvoud),

procureur: mr. E.J.P. Nolet,

tegen

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 1 juni 2005 (gerectificeerd bij exploot van 30 september 2005) is [naam] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 maart 2005, door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met productie) heeft [naam] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Gemeente bij memorie van antwoord zijn bestreden. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 De gebroeders [naam] hebben op drie tijdstippen in 1992 en 1993 diverse percelen landbouwgrond, gelegen in de toenmalige gemeente Zevenhuizen, verkocht aan Bouwbedrijf [naam] B.V. te Moordrecht (verder: [het bouwbedrijf]). [Het bouwbedrijf] was blijkens de koopovereenkomsten voornemens de percelen te gebruiken ten dienste van zandwinning en vervolgens ter benutting als viskwekerij. In elke koopovereenkomst was naast een nominale koopsom een clausule opgenomen, zakelijk inhoudende dat de koopsom werd verhoogd met 50 cent per m³ gewonnen zand. Deze verplichting (verder: zandsuppletieverplichting) bleef ten laste van de koper gedurende een groot aantal jaren bestaan ook nadat deze de grond had vervreemd en geleverd aan een derde. De koopovereenkomsten hielden voorts het (niet onder bijzondere titel overdraagbare) recht in voor de gebroeders [naam] om de nog niet ontgronde perceelsgedeelten om niet voor hun agrarisch bedrijf te blijven gebruiken (verder: het gebruiksrecht). Twee van de koopovereenkomsten hielden bovendien de clausule in dat de nominale koopsom naar rato zou worden verhoogd indien [het bouwbedrijf] nabijgelegen gronden ten behoeve van de zandwinning zou verwerven voor een hogere prijs dan die welke aan de gebroeders [naam] zou worden betaald (verder: koopsomsuppletieverplichting).

1.2 Op 24 mei 1996 hebben de gebroeders [naam] de onder 1.1 bedoelde gronden (grotendeels) geleverd aan een rechtsopvolgster van [het bouwbedrijf] (verder eveneens: [het bouwbedrijf]). Blijkens de leveringsakte was [het bouwbedrijf] voornemens de percelen voor zandwinning en viskwekerij te gebruiken. De leveringsakte bevat voorts de zandsuppletieverplichting. Op dezelfde datum heeft [het bouwbedrijf] de geleverde percelen doorgeleverd aan Boskalis Oosterwijk B.V. en Grond- en Zand Exploitatiemaatschappij “Rijnland” B.V. (verder: Boskalis). Blijkens de leveringsakte was Boskalis voornemens de percelen te gebruiken voor zandwinning. Voorts blijkt uit de leveringsakte dat Boskalis de zandsuppletieverplichting van [het bouwbedrijf] heeft overgenomen.

1.3 Boskalis heeft de percelen grond op 9 april 2001 geleverd aan de Gemeente. Blijkens de leveringsakte heeft de Gemeente daarbij het gebruiksrecht van de gebroeders [naam] aanvaard. De leveringsakte bevat voorts een verwijzing naar de in rechtsoverweging 1.2 genoemde koopovereenkomsten opgenomen zandsuppletieverplichtingen.

1.4 De Gemeente heeft in juni 2001 en juni 2002 met de gebroeders [naam] overeenstemming bereikt over de beëindiging van het gebruiksrecht tegen betaling van circa 2,3 miljoen gulden. De Gemeente heeft, na bestemmingswijziging, de percelen gebruikt voor de ontwikkeling van woningbouw in de Vinexlocatie Nesselande.

1.5 [Naam] heeft gevorderd dat de rechtbank de Gemeente veroordeelt tot betaling van € 2.005.708,50, subsidiair een in goede justitie te betalen bedrag, met rente en kosten. De rechtbank heeft [appellant sub 5] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en heeft de vordering voor het overige afgewezen.

2. Geen grief is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van [appellant sub 5] en tegen de daaraan ten grondslag liggende overweging; deze niet-ontvankelijkverklaring wordt in de memorie van grieven in het geheel niet aan de orde gesteld. Het hof zal [appellant sub 5] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

3. De eerste grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat uit de bewoording van de leveringsakte tussen Boskalis en de Gemeente niet kan worden opgemaakt dat de zandsuppletieverplichting als verplichting op de Gemeente is overgegaan, en dat, ook als daarvan uitgegaan zou moeten worden, daaruit geen verplichting tot betaling van een aanvulling op de koopprijs voortvloeit, nu deze kort gezegd slechts betrekking heeft op een vergoeding per m³ gewonnen zand en geen ruimte biedt voor het vergoeden van de waardestijging van de grond. [Naam] voert aan dat partijen wel degelijk de bedoeling hebben gehad dat zowel de zandsuppletieverplichting als de koopsomsuppletieverplichting zou worden overgedragen aan de (opvolgend) rechtsverkrijger; hij biedt daarvan bewijs aan. Subsidiair voert [naam] aan dat de zorgplicht van de Gemeente jegens [naam] kan worden gebaseerd op het vertrouwen dat [naam] in de prestatie van de Gemeente mocht stellen. [naam] stelt dat de Gemeente, hoewel zij wist van het belang van [naam] bij de ontgronding, niettemin willens en wetens de bestemming heeft gewijzigd in woningbouw en dat de Gemeente daarbij de aanspraken van [naam] heeft gefrustreerd. Volgens [naam] houdt de zandsuppletieverplichting niet alleen een verplichting in jegens [naam] tot betaling van ƒ 0,50 per m³, maar tevens de verplichting tot daadwerkelijke zandwinning. De Gemeente heeft, aldus [naam], door de bestemming onder deze omstandigheden te wijzigen, jegens [naam] wanprestatie gepleegd; subsidiair is zij daardoor ongerechtvaardigd verrijkt ten laste van [naam]. De tweede grief keert zich ertegen dat de rechtbank de vordering, voor zover gebaseerd op (aanvulling op) de schadevergoeding voor beëindiging van het gebruik, niet in haar beoordeling heeft betrokken en dat de rechtbank heeft overwogen dat uit de overeenkomst tot beëindiging van het gebruiksrecht geen schadevergoedingsplicht voor de Gemeente is ontstaan, dan wel een verplichting om aan [naam] de waardestijging van de percelen te vergoeden. Hij stelt dat de gemeente hem gelijk moet behandelen als andere grondeigenaren, die een hogere vergoeding per m² hebben gekregen. Hij meent recht te hebben op de werkelijke waarde van zijn grond als bouwgrond en vermeerdert daartoe zonodig zijn vordering. De derde grief valt de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering aan en strekt ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Noch uit de overgelegde koopovereenkomsten (tussen de gebroeders [naam] en [het bouwbedrijf]), noch uit de overgelegde leveringsakten en de gedeelten daarvan die onbetwist in de onderscheidene conclusies en memories zijn opgenomen (tussen de gebroeders [naam] en [het bouwbedrijf], tussen [het bouwbedrijf] en Boskalis en gedeeltelijk tussen Boskalis en de Gemeente) blijkt van enig kettingbeding; evenmin blijkt dat de Gemeente jegens de gebroeders [naam] enige andere verplichting op zich heeft genomen dan uit hun gebruiksrecht voortvloeit. De in de leveringsake tussen Boskalis en de Gemeente opgenomen verwijzing naar de zandsuppletieverplichting houdt naar het oordeel van het hof geen overname van die verplichting door de Gemeente in, zeker niet nu in de akte een bepaling is opgenomen, inhoudende dat in de door de Gemeente betaalde koopprijs alle eventueel door de Gemeente aan de gebroeders [naam] te betalen vergoedingen (behoudens voor woningbouw en groenvoorzieningen) zijn verdisconteerd en dat Boskalis de Gemeente tegen aanspraken terzake vrijwaart. [naam] heeft in hoger beroep gesteld dat de Gemeente de bedoeling had de beide suppletieverplichtingen op zich te nemen, maar de Gemeente heeft dit van meet af aan betwist. [naam] wenst in hoger beroep tot bewijslevering op dit punt te worden toegelaten, maar onder deze omstandigheid had het op zijn weg gelegen zijn stelling te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten passeert het hof dit bewijsaanbod.

5. Voor zover [naam] aanvoert dat de Gemeente jegens hem wanprestatie levert door de bestemming van de percelen te wijzigen en de gronden niet verder te ontgronden, overweegt het hof als volgt. Geen bepaling in de overgelegde overeenkomsten staat eraan in de weg dat de Gemeente gebruik maakt van haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot wijziging van de bestemming. Evenmin vloeit uit één van de overeenkomsten een verplichting voort om te ontgronden. Zodanige verplichting gold jegens de gebroeders [naam] niet voor [het bouwbedrijf]; tussen hen en [het bouwbedrijf] is blijkens de koopovereenkomsten slechts overeenstemming bereikt over een te betalen vergoeding voor zover [het bouwbedrijf] overeenkomstig zijn voornemen tot ontgronding zou overgaan. Evenmin valt zodanige verplichting te lezen in één van de leveringsakten; zulks volgt, anders dan [naam] aanvoert, ook niet uit de redactie van de zandsuppletieverplichting. [naam] mocht er daarom niet op rekenen dat van de mogelijkheid tot ontgronden uitputtend gebruik zou worden gemaakt, doch diende zich te realiseren dat de snelheid en mate van ontgronden afhankelijk waren van marktomstandigheden en onderhevig waren aan gewijzigde inzichten. [naam] heeft nog wel aangeboden te bewijzen dat er een zandwinningsverplichting is overeengekomen, maar van hem mocht worden verwacht dat hij zijn stellingen op dit punt in dit stadium van het debat tussen partijen zou onderbouwen en zijn bewijsaanbod zou specificeren; bij gebreke daarvan passeert het hof ook dit bewijsaanbod. [naam] heeft nog aangevoerd dat de Gemeente door niet te ontgronden ook zijn recht op aanvulling van de koopsomsuppletieverplichting frustreert, doch deze verplichting (die uitsluitend te lezen valt in twee van de overeenkomsten tussen de gebroeders [naam] en [het bouwbedrijf] en niet in de leveringsakten is opgenomen) houdt blijkens die overeenkomsten slechts verband met de aankoopprijs van door [het bouwbedrijf] voor ontgronding aangekochte percelen en heeft niets van doen met de vraag of op die percelen feitelijk ontgronding plaatsvindt. Waar voor de Gemeente ingevolge de bedoelde overeenkomst geen winningsplicht jegens [naam] geldt, is zij in dat opzicht jegens [naam] niet tekortgeschoten.

6. De tekst van de overeenkomst tussen de Gemeente en de gebroeders [naam] betreffende de beëindiging van hun gebruik van de percelen is niet aan het hof voorgelegd. Voor de inhoud daarvan gaat het hof uit van de wederzijdse stellingen dienaangaande. Tussen partijen staat vast dat tussen hen in het kader van een vaststellingsovereenkomst overeenstemming is bereikt over beëindiging van het gebruik van alle van belang zijnde percelen, dat de Gemeente in verband daarmee een bedrag van ongeveer ƒ 2.300.000,- aan [naam] heeft betaald en dat deze zich daarbij het recht heeft voorbehouden om in een eventuele civiele dan wel arbitrale procedure een aanvulling op deze vergoeding te vorderen. Hierin vermag het hof niet te lezen dat de Gemeente zich bij die overeenkomst heeft verbonden om [naam] méér te betalen voor de beëindiging van het gebruiksrecht dan zij al heeft gedaan. [naam] heeft geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden waaruit volgt dat die verbintenis onderdeel van de vaststellingsovereenkomst was.

7. Uit het bovenstaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de Gemeente jegens [naam] toerekenbaar is tekortgeschoten bij de nakoming van enige contractuele verplichting.

8. Met betrekking tot de door [naam] subsidiair aangevoerde ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeente als grond voor schadevergoeding overweegt het hof als volgt. De Gemeente heeft gesteld dat zij de percelen (deels) ten behoeve van woningbouw heeft aangekocht; [naam] heeft dat niet betwist. Uit de leveringsakte tussen Boskalis en de Gemeente, voor zover aangehaald in de processtukken, blijkt dat ook. [naam] heeft niet gesteld dat Boskalis bij het sluiten van de koopovereenkomst van het door de Gemeente beoogde gebruik niet op de hoogte was. Evenmin is gesteld of gebleken dat de Gemeente aan Boskalis een andere dan de marktconforme prijs heeft betaald, zodat enige verrijking aan de zijde van de Gemeente niet is komen vast te staan. Reeds daarom kan van ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeente geen sprake zijn.

9. Voor zover [naam] aanvoert dat de redelijkheid en de billijkheid dan wel het gelijkheidsbeginsel ertoe moet(en) leiden dat de Gemeente alsnog aan hen het verschil tussen de waarde van de percelen voor zandwinning en de waarde voor woningbouw betaalt, heeft het volgende te gelden. In aansluiting op hetgeen in rechtsoverweging 5 is overwogen, staan ook de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg dat de Gemeente, gebruik makend van haar publiekrechtelijke bevoegdheid, de bestemming van de percelen naar aanleiding van gewijzigde inzichten aanpast. Niet is gesteld of gebleken dat de Gemeente zich tegenover [naam] heeft verbonden dat na te laten; evenmin is gesteld of gebleken dat [naam] daardoor schade heeft geleden, laat staan schade die op grond van het beginsel van gelijkheid voor de publieke last door de Gemeente dient te worden vergoed. [naam] heeft immers niet meer te klagen dan dat hij onder de huidige omstandigheden wellicht een hogere opbrengst had verkregen. Het hof vermag niet in te zien waarom uitsluitend dit gegeven reeds ertoe zou moeten leiden dat de Gemeente op grond van de redelijkheid en billijkheid aan [naam] alsnog een aanvullend bedrag zou moeten betalen, laat staan een bedrag van ruim € 2.000.000,-.

10. Bij zijn beroep op het gelijkheidbeginsel voert [naam] aan dat de Gemeente zich heeft verbonden om aan andere voormalige eigenaren van percelen in verband met de bestemmingswijziging een extra vergoeding te betalen bij wijziging van de bestemming van zandwingebied naar woongebied. Hij legt ter onderbouwing een koopovereenkomst tussen een derde en [het bouwbedrijf] over en stelt dat de Gemeente de daarin terzake opgenomen betalingsverplichting heeft overgenomen. De gemeente heeft reeds in eerste aanleg betwist dat zij met voormalige eigenaren zodanige afspraken heeft gemaakt en betwist in hoger beroep ook dat zij ten behoeve van de betrokken derde een dergelijke afspraak heeft gemaakt. Uit de door [naam] overgelegde overeenkomst blijkt niet dat de tussen de derde en [het bouwbedrijf] gemaakte afspraak door de Gemeente is overgenomen. Ter zake van deze stelling doet [naam] geen (laat staan een voor deze fase van het debat tussen partijen voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod. Ander bewijs is evenmin bijgebracht. Derhalve is niet komen vast te staan dat de Gemeente jegens [naam] het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door hem geen aanvulling op de door hem van [het bouwbedrijf] ontvangen koopsom te betalen.

11. Het in de rechtsoverwegingen 9 en 10 overwogene leidt het hof tot de slotsom dat de Gemeente het door [naam] gevorderde ook niet op grond van onrechtmatige daad behoeft te betalen. Een andere rechtsgrond heeft het hof evenmin kunnen ontwaren. Dit leidt ertoe dat de grieven falen en het vonnis dient te worden bekrachtigd. Daarbij past een proceskostenveroordeling ten laste van [naam].

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appelant sub 5] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [naam] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op deze uitspraak begroot op € 5.731,- aan verschotten en € 4.580,- aan salaris voor de procureur;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.H. de Wild en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2007 in aanwezigheid van de griffier.