Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA8232

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
1219-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking in de kinderalimentatie. Wijziging omstandigheden; behoefte kinderen: criterium is het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijik; draagkracht vader: verminderd inkomen in casu niet verwijtbaar aan de vader; beoordeling draagkracht aan de hand van de ter discussie staande posten; verzoeken van de vader tot stopzetting van sparen en splitsing van de spaarrekeningen van de kinderen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 juni 2007

Rekestnummer : 1219-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-6411

[appellante],

wonende te ‘s-Gravenzande, gemeente Westland,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A.A.M. Ruys-van Essen,

tegen

[verweerder],

wonende te Monster, gemeente Westland,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 5 september 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 juni 2006.

De vader heeft op 16 november 2006 een verweerschrift tevens houdende een incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 27 september 2006 en 20 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 21 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 4 april 2007 is de zaak, samen met de zaak met rekestnummer 1673-H-06, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.S. Clarenbeek. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking waarbij de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 9 november 2005 op € 216,50 per maand per kind is vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarige [kinderen geboren in 1994 en ] 1996, verder gezamenlijk: de kinderen, die bij de moeder verblijven.

2. De moeder verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het inleidend verzoek van de vader wordt afgewezen en de kinderalimentatie vast te stellen zoals door de moeder verzocht, dan wel op een bedrag als het hof juist acht.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken in appel af te wijzen, dan wel bij het bepalen van een bedrag rekening te houden met opgevoerde posten van de vader en alle overige door de rechtbank gehanteerde posten. Voorts verzoekt de vader te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2006 niet meer hoeft te sparen op de gehandhaafde kinderspaarrekeningen met een bedrag van € 136,13 per jaar per kind. Ten slotte verzoekt de vader het hof te bepalen dat de moeder de vader binnen twee weken na afgifte van een door het hof te geven beschikking, uit hoofde van de verdeling van de spaarrekeningen ten behoeve van de kinderen een bedrag ad € 4.461,87 betaalt.

4. De moeder verzet zich daartegen.

Wijziging van omstandigheden

5. In haar eerste grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie op grond van een wijziging van omstandigheden. Onderzocht dient te worden in hoeverre het samenwonen van de vader met zijn nieuwe partner zijn welstand ten gunste heeft beïnvloed. De moeder stelt dat de rechtbank niet op lichtvaardige wijze had mogen oordelen dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden. De in het convenant vastgestelde kinderalimentatie kan niet los worden gezien van de overige bepalingen in het convenant, waarbij een belangrijke factor is dat de vader geen partneralimentatie is verschuldigd. Bovendien is er geen sprake van gewijzigde omstandigheden gezien de welstand waarin de vader thans leeft.

6. De vader stelt dat de rechtbank volledig terecht het inkomen van de huidige partner van de vader buiten beschouwing heeft gelaten, daar er geen enkele grond is om dit inkomen mee te nemen in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader. Er is destijds afgezien van partneralimentatie, omdat de moeder voornemens was om op korte termijn te gaan samenwonen, zoals ook in het convenant is opgenomen. De vader stelt dat de rechtbank juist heeft overwogen en dat zij vrij is te beoordelen aan welke omstandigheid zij betekenis geeft en welke betekenis.

7. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat het arbeidscontract van de vader bij RVS Levensverzekering N.V. (hierna: RVS) per 1 augustus 2002 is beëindigd en dat de vader op 1 juni 2003 is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner. De gegevens die partijen bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant tot uitgangspunt hebben genomen bij de vaststelling van de kinderalimentatie en bij de beschikking van 19 september 2001 tot uitgangspunt hebben gediend, zijn derhalve zodanig gewijzigd dat het hof van oordeel is dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een beroep van de vader op artikel 1:401 BW rechtvaardigt. Op grond daarvan dient het hof de draagkracht van de vader opnieuw vast te stellen.

Behoefte van de kinderen

8. In haar tweede grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij voorbijgaat aan het door de moeder overgelegde behoefteoverzicht nu zij dat niet heeft onderbouwd met verificatoire bescheiden en zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze kosten daadwerkelijk maakt. Deze bescheiden heeft zij alsnog overgelegd.

Voorts stelt de moeder in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte bij de bepaling van de behoefte van de kinderen is uitgegaan van het Tremarapport en dat zij is uitgegaan van een netto-inkomen van € 2.474,67 per maand. De rechtbank is voorbij gegaan aan hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond, waaronder begrepen het feit dat de vader geen partneralimentatie verschuldigd zou zijn. Daarnaast heeft de rechtbank niet gemotiveerd een lagere kinderalimentatie vastgesteld dan in het convenant is neergelegd.

9. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt bij het bepalen van de behoefte van de kinderen is het netto gezinsinkomen ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen. Niet gebleken is dat partijen van dit uitgangspunt zijn afgeweken bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant. Ter zitting hebben partijen verklaard ten tijde van de echtscheiding gezamenlijk op een behoefte van de kinderen van ƒ 600,- per maand, per kind uit te zijn gekomen gelet op de manier van leven gedurende het huwelijk. De door de moeder overgelegde kostenoverzichten geven voorts naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om thans van dit uitgangspunt af te wijken. Een eventuele verhoging van het inkomen van de vader in vergelijking tot het gezinsinkomen ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen kan worden meegewogen bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen, omdat het alleszins redelijk is dat kinderen mee profiteren van de welvaartstijgingen van de vader. In casu betreft het echter een inkomensachteruitgang van de vader. Het feit dat de vader samenwoont met een partner die in het eigen levensonderhoud voorziet, maakt dit niet anders.

De stelling van de moeder dat de rechtbank niet gemotiveerd heeft waarom zij een lagere kinderalimentatie heeft vastgesteld dan bij het echtscheidingsconvenant is neergelegd, slaagt niet. De rechtbank heeft met inachtneming van de draagkracht van de vader de kinderalimentatie verlaagd.

Draagkracht van de vader

Inkomen

10. In haar vierde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan haar stelling dat voor het bepalen van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van het salaris dat de vader bij RVS verdiende. De moeder stelt dat er sprake is van een vrijwillig ontslag van de vader en dat er voldoende mogelijkheden voor de vader waren om bij RVS werkzaam te blijven. De keuze om bij RVS weg te gaan, dient niet ten laste van de kinderen te komen. De vader had geen enkele ervaring als zelfstandig ondernemer, noch als onroerend goed makelaar en het mislukte ondernemerschap van de vader dient dan ook geheel te zijner laste te komen. De moeder acht het voorts onbegrijpelijk dat de rechtbank eveneens voorbij is gegaan aan het vertrek van de vader bij AEGON. Aangezien in zijn arbeidscontract een uitgebreide provisieregeling stond, zou zijn inkomen aanzienlijk hoger kunnen zijn. De moeder stelt dat zij ervan uitgaat dat de vader binnen afzienbare tijd in staat moet worden geacht een vergelijkbaar inkomen te verwerven zoals hij dat ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant had.

11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden tot haar oordeel is gekomen; het hof neemt deze over. Gelet op de saneringsreorganisatie bij RVS heeft de vader ervoor gekozen om gebruik te maken van beëindiging van het arbeidscontract met een vertrekpremie. Niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de vader deze keuze heeft gemaakt om onder zijn onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen uit te komen. De mogelijkheid voor de vader om bij RVS te blijven, betekende werk op het hoofdkantoor in Ede, hetgeen een lange reisafstand met zich mee zou brengen. Naar het oordeel van het hof zijn de keuzes die de vader heeft gemaakt gerechtvaardigd. De vader is bovendien onmiddellijk weer aan het werk gegaan en hij heeft altijd zorggedragen voor betaling van de kinderalimentatie. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het feit dat het inkomen van de vader thans lager ligt dan ten tijde van het uiteengaan van partijen hem niet te verwijten valt. Het hof houdt daarom bij de bepaling van de draagkracht van de vader rekening met een jaarinkomen van € 34.033,-, zoals dit blijkt uit de door de vader overgelegde jaaropgaaf 2006, vermeerderd met spaarloon.

12. In haar vijfde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de door de vader ontvangen bedragen in de periode na het sluiten van het convenant. Na het sluiten van het convenant heeft de vader een bruto vertrekpremie van de RVS van € 48.203,09 ontvangen, een lening in de vorm van ondernemerskrediet van € 20.000,- en de verkoopopbrengst van het pand aan de [straatnaam] van € 94.596,77, in totaal € 162.799,86. Uit de jaarrekening 2002 van de vader blijkt dat slechts een bedrag van € 11.708,- als eigen vermogen voor de onderneming van de vader is aangewend. Het kan volgens de moeder niet zo zijn dat de vader thans op het hele vermogen heeft ingeteerd, waarbij een gedeelte is aangewend voor de betaling van de kinderalimentatie. Voorts is niets terug te vinden over de opbrengst van de verkoop van de [adres].

13. Ook deze grief van de vrouw treft geen doel. Zoals hiervoor overwogen acht het hof de inkomensachteruitgang van de vader niet verwijtbaar en het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met een eventueel bedrag aan vermogen van de vader. De vader heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij reeds grotendeels ingeteerd heeft op zijn vermogen, mede ter nakoming van zijn onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen.

Huur

14. Het hof houdt aan de zijde van de vader rekening met een huurlast in 2006 van € 217,- zoals deze blijkt uit de door de vader overgelegde stukken.

Begrafenisverzekering

15. In haar zesde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde premie begrafenisverzekering. Gezien het tijdstip van het sluiten van de verzekering op 26 augustus 2005 en de mogelijkheid de polis af te kopen en premievrij te maken, is de moeder van mening dat deze louter is gebruikt om de maandlasten van de vader tijdelijk te verzwaren en dienen deze derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

16. Het hof acht het redelijk rekening te houden met de door de vader opgevoerde premie begrafenisverzekering voor hem en de kinderen van € 40,- per maand, welke kosten onvoldoende onderbouwd zijn bestreden door de moeder.

Lening ABN Amro

17. In haar zevende grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde rente en aflossing bij de ABN Amro Bank van € 71,44 per maand. De moeder verwijst naar hetgeen zij in grief 5 heeft gesteld en merkt op dat de vader geen bewijs heeft geleverd van het door hem gestelde interen op vermogen, noch dat hiermee de kinderalimentatie is voldaan. De moeder stelt dat er sprake is van een zakelijk krediet, zoals uit de stukken van de onderneming van de vader vanaf 2003 is terug te vinden. Daarnaast stelt de moeder dat de afgesloten flexibele lening na het beëindigen van het mislukt ondernemerschap is opgehoogd.

18. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde rente en aflossing van de schuld bij de ABN AMRO van € 71,- per maand; het hof neemt deze over. De vader heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft moeten interen op zijn vermogen door de kosten van de huizen, zijn levensonderhoud, de kinderalimentatie en de kosten van zijn onderneming. Met de door de vader gestelde verhoging van de rente en aflossing houdt het hof geen rekening, nu er te dien aanzien geen enkel bewijs van is overgelegd en de noodzaak daarvan niet is gebleken.

Omgangskosten

19. In haar achtste grief stelt de moeder dat de rechtbank bij de berekening van de omgangskosten ten onrechte uitgaat van een gemiddeld verblijf van de kinderen bij hun vader van 6 dagen per maand. De moeder stelt dat de omgang plaatsvindt van zaterdagochtend tot zondagavond, derhalve 4 dagen per maand, alsmede twee weken in de zomervakantie en een week in de kerstvakantie. De totale omgangskosten bedragen dan per maand € 58,33.

20. Ter zitting is vast komen te staan dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen plaats heeft. Het hof zal daarom geen rekening houden met omgangskosten.

Ziektekosten

21. Het hof houdt aan de zijde van de vader rekening met een ziektekostenpremie van € 129,- zoals deze blijkt uit de door de vader overgelegde premieblad van 27 november 2006 en de inkomensafhankelijke premie. De stelling van de vader dat deze premie met € 10,- zal stijgen, zal het hof passeren gelet op het feit dat het hof uitgaat van zowel het inkomen als de lasten over 2006.

22. Uitgaande van de hierboven weergegeven inkomsten en lasten, alsmede de niet bestreden lasten, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vader met ingang 9 november 2005 een kinderalimentatie toelaat ter hoogte van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen van € 273,67 per maand per kind.

Spaarrekeningen kinderen

23. De vader heeft het hof verzocht te bepalen dat hij niet meer een bedrag van € 136,13 per jaar per kind hoeft te sparen ten behoeve van de kinderen, zoals in artikel 6.2 van het convenant is neergelegd. Tevens verzoekt de vader het hof te bepalen dat partijen de saldi op de rekeningen van de kinderen bij helfte zullen verdelen, nu partijen niet in staat zijn gebleken samen iets te kunnen regelen.

24. Nog afgezien van de vraag of deze procedure zich leent voor een wijziging van het convenant van partijen op dit punt, zal het hof eerstgenoemd verzoek afwijzen op grond dat het hof hetgeen de vader daaraan ten grondslag legt, onvoldoende acht.

Het door de moeder bestreden verzoek om de spaarrekeningen van de kinderen bij helfte te verdelen, zal het hof eveneens afwijzen, omdat het de spaarrekeningen van de kinderen betreft en voorts onvoldoende is gebleken van de noodzaak c.q. nut van splitsing.

25. Gelet op het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 9 november 2005 op € 273,67 per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Leuven, van Nievelt en Punselie, bijgestaan door mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2007.