Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA7797

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
2200649406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte verbleef op het moment van aanhouding in Nederland, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard: artikel 197 Sr. Verweer niet-ontvankelijkheid OM verworpen: De verdachte geeft er in zijn woorden blijk van voortzetting van zijn verblijf in Nederland na te streven en is daar niet op teruggekomen. Voorts is niet gebleken dat de verdachte zich tot effectuering van zijn vertrek naar het land van herkomst of naar een derde land, voorafgaand aan de thans te berechten zaak, voldoende heeft ingespannen. Reeds daarom kan de verdachte zich er niet op beroepen dat uitzetting niet mogelijk zou zijn en dat derhalve geen redelijk strafrechtelijk doel met de vervolging van de verdachte zou zijn gediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006494-06

Parketnummer(s): 10-641292-06

Datum uitspraak: 15 juni 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 6 november 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1964,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 juni 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie om twee redenen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Ten eerste zou het openbaar ministerie het hof misleiden door ten laste te leggen dat de verdachte eerst op of omstreeks 9 augustus 2006 illegaal in Nederland verbleef, terwijl hij dat feit door toedoen van de autoriteiten reeds op het moment van vrijlating op 6 juli 2006 heeft gepleegd en de verboden situatie sindsdien heeft voortgeduurd.

Ten tweede is er met de herhaalde vervolging ter zake van dit feit geen strafrechtelijk doel gediend. Er is immers geen zicht op uitzetting. De omstandigheid dat het verdachtes eigen verantwoordelijkheid is om Nederland te verlaten levert geen vrijbrief op om hem levenslang te detineren, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

1. De eerste stelling van de raadsman, betreffende de misleiding van het openbaar ministerie en het daaraan te verbinden gevolg, vindt geen steun in het recht. Het hof merkt nog op dat niet is tenlastegelegd dat de verdachte eerst op of omstreeks 9 augustus 2006 illegaal in Nederland verbleef, doch enkel dát hij op of omstreeks die dag illegaal alhier verbleef. Bovendien heeft het openbaar ministerie de vrijheid te bepalen of vervolging wordt ingesteld en, zo vervolging plaatsvindt, heeft het de vrijheid te bepalen welke strafbare feiten en welke periode(n) worden tenlastegelegd. Van misleiding is derhalve geen sprake.

2. De tweede stelling van de raadsman treft geen doel, reeds omdat de verdachte tegenover de politie op 9 augustus 2006 heeft aangegeven Nederland niet te willen verlaten (pv-nr. 2006274002-5). Letterlijk: “Ik heb nergens ter wereld familie of vrienden. (…) Ik wil nergens heen. Ik hou van jullie, waarom houden jullie niet van mij?” De verdachte geeft er in zijn woorden blijk van voortzetting van zijn verblijf in Nederland na te streven en is daar niet op teruggekomen.

Voorts is niet gebleken dat de verdachte zich tot effectuering van zijn vertrek naar het land van herkomst of naar een derde land, voorafgaand aan de thans te berechten zaak, voldoende heeft ingespannen.

Het hof verwerpt de verweren.

Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte verbleef op het moment van aanhouding in Nederland, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. De verdachte ondermijnt hiermee het Nederlandse vreemdelingenbeleid.

Mede gelet op het feit dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatie-register d.d. 2 mei 2007, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor hetzelfde feit, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 197 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. D.J.C. van den Broek, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juni 2007.