Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA7425

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
499-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke woning en woonboot. Verrekening van inbreng. Vergoedingsrecht en waardestijging. Bewijsopdracht investering uit privémiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 mei 2007

Rekestnummer. : 499-H-06

Rekestnr. rechtbank : 04-2223

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 18 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 17 januari 2006.

De vrouw heeft op 30 juni 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 april 2006, 17 november 2006 en 22 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 14 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 november 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. F.M.J.A. Lohuis en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities, met dien verstande dat de advocaat van de man – in verband met de haar toegemeten spreektijd van 10 minuten - de paragrafen met nummers 1 tot en met 17, 21 tot en met 45 en 53 tot en met 61 niet heeft voorgedragen, zodat de pleitnota in zoverre geen deel uitmaakt van de gedingstukken.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van 17 januari 2006 en de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 22 maart 2005 van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Het hoger beroep richt zich slechts tegen de beschikking van 17 januari 2006. Bij deze beschikking is bepaald dat ter zake van verrekening bij transport van de voormalige echtelijke woning uit de overwaarde van de woning ad € 495.000,-, na aftrek van de makelaarskosten, aan de vrouw een bedrag van € 188.818,- moet worden betaald en dat het resterende bedrag bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. Voorts is voor recht verklaard dat de man en de vrouw ieder voor de helft eigenaar zijn van de woonboot “[x]” met ligplaats te [x]. Tevens is bepaald dat de man de woonboot krijgt toebedeeld, waarbij de man aan de vrouw in het kader van overbedeling dient te vergoeden de helft van de waarde van de woonboot inclusief ligplaats, waarbij als peildatum geldt de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 7 juli 2005. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 7 juli 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw in al haar inleidende verzoeken ter zake van de vermogensrechtelijke afwikkeling niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze als ongegrond en onbewezen te ontzeggen,

en voorts ten aanzien van de woning:

primair: te verklaren voor recht dat de meerwaarde van de echtelijke woning bij helfte moet worden verdeeld en te gelasten dat de vrouw aan de man binnen twee dagen na betekening van de in deze te geven beschikking dient te restitueren het aan haar op 1 maart 2006 in gevolge de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2006 ten onrechte en te veel uitgekeerde bedrag van € 188.818,-, althans € 95.809,-, uitgaande van gelijke verdeling van de overwaarde, één en ander op straffe van een door het hof te bepalen dwangsom, per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de man in plaats van de vrouw een vergoedingsaanspraak heeft ter zake door hem uit privévermogen in de echtelijke woning geïnvesteerde bedragen, ter hoogte van een door het hof vast te stellen bedrag en te gelasten dat de vrouw dit bedrag binnen twee dagen na betekening van de in deze te geven beschikking betaalt en het haar op 1 maart 2006 in gevolge de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2006 ten onrechte en te veel uitgekeerde bedrag van € 188.818,-, althans € 95.809,-, uitgaande van gelijke verdeling van de overwaarde, aan de man dient te restitueren, één en ander op straffe van een door het hof te bepalen dwangsom per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

en voorts ten aanzien van de woonboot “[x]”:

primair: te verklaren voor recht dat de man enig eigenaar is en blijft van de woonboot “[x]” met ligplaats [x], zonder verrekening;

subsidiair: de woonboot toe te delen aan de man tegen een waarde van maximaal € 300.000,-

(de door de man reëel ingeschatte waarde), met dien verstande dat door het hof het bedrag wordt vastgesteld dat de man in verband met die toedeling aan de vrouw dient te vergoeden met inachtneming van de door het hof vast te stellen overbedeling, na aftrek van de vergoedingsaanspraak, welke de man op de vrouw heeft in verband met uit zijn privévermogen in de woonboot gedane investeringen;

meer subsidiair: de verkoop van de woonboot “[x]” te gelasten, met dien verstande dat de man uit die verkoopopbrengst eerst zijn door het hof te bepalen vergoedingsaanspraak op de vrouw in verband met zijn uit privévermogen gedane investeringen in de woonboot uitgekeerd krijgt en dat vervolgens de restant verkoopopbrengst tussen partijen wordt gedeeld.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoek het hof de verzoeken van de man af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

De echtelijke woning

4. De eerste grief van de man heeft betrekking op de verdeling van de opbrengst van de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres] (hierna: “de woning”). Partijen waren gezamenlijk eigenaar van deze woning. De man bepleit primair dat de opbrengst, groot € 495.000,-, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld, zonder verrekening van door partijen of één van hen gedane investeringen. Subsidiair, voor het geval het hof de rechtbank volgt in haar beslissing dat van de opbrengst eerst een bedrag van

€ 188.818,- ( ƒ 416.000,-) als door de vrouw gedane investering dient te worden afgetrokken voordat dit bij helfte wordt gedeeld, bepleit de man dat hem een vergoedingsrecht terzake van de door hem gedane investeringen, welke hij stelt op € 453.780,-, wordt toegekend.

5. De man stelt daartoe dat onjuist is dat het bedrag, dat rond de aanschaf van de woning door de vrouw via haar vader aan de man ter beschikking is gesteld, is aangewend voor de aanschaf, respectievelijk financiering van de woning. Daarvoor was het volgens hem ook niet bedoeld. De man trekt de andersluidende, schriftelijke verklaring van de vader van de vrouw in twijfel. Hij herroept uitdrukkelijk zijn verklaring in eerste aanleg, inhoudend dat het desbetreffende bedrag niet is aangewend voor het doen van beleggingen. De man stelt thans dat het bedrag met medeweten en goedvinden van de vrouw en haar vader is gestort op zijn beleggingsrekening bij [x], dat hij ermee is gaan beleggen en dat het verdampt is, zodat er niets te vergoeden valt. De man meent voorts dat er geen enkele reden is om de vrouw dat bedrag te vergoeden, nu het diende ter rechtvaardiging van de verwerving van mede-eigendom van de woning, zij door die mede-eigendom deelt in de waardestijging van de woning en tegenover de voormelde investering door de vrouw een investering van de man staat van ongeveer

€ 453.780,-, waarvan hij (in zijn primaire verzoek) evenmin vergoeding vraagt.

6. De man verzoekt in het kader van zijn subsidiaire verzoek om te worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij ongeveer € 453.780,- in de woning heeft geïnvesteerd, onder meer door het horen van getuigen. Voorts verzoekt hij om een deskundigenonderzoek te gelasten ter vaststelling van de hoogte van zijn vergoedingsrecht.

7. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het bedrag, dat op verzoek van de man gestort is op diens rekening bij [x], wel degelijk bedoeld was voor de aanschaf van de woning, althans de aflossing van de daarop betrekking hebbende hypothecaire geldlening. Zij stelt dat er geen enkele reden is om de verklaring van haar vader in twijfel te trekken en wijst erop dat niet aannemelijk is dat haar vader ƒ 416.000,- aan de man ter beschikking zou hebben gesteld om mee te beleggen. De vrouw wijst voorts op de wisselende verklaringen zijdens de man omtrent de bedoeling en besteding van het betreffende bedrag. Zij stelt zich op het standpunt dat, ook nu achteraf is gebleken dat de man het bedrag helemaal niet heeft aangewend ter financiering van de aanschaf van de woning, dan wel aflossing van de hypothecaire geldlening, hoe dan ook sprake is van een verschuiving van vermogen van de vrouw naar de man, zodat de vrouw recht heeft op vergoeding van het betreffende bedrag.

8. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de man betwist de vrouw dat de man enig bedrag uit privémiddelen in de woning heeft geïnvesteerd. Volgens de vrouw is de verbouwing van de woning geheel gefinancierd uit het, van de hypothecaire geldlening deel uit makende, bouwdepot.

9. Het hof overweegt als volgt. Gelet op hetgeen door de vrouw is gesteld en op basis van de zijdens de man in eerste aanleg geproduceerde gedingstukken, alsmede zijn verklaringen ter zitting in hoger beroep, staat vast dat de betaling door de vrouw (via haar vader) van het bedrag van ƒ 416.000,-, bedoeld was ter compensatie van de verkrijging, door haar, van het mede-eigendom van de woning. De visie van partijen loopt uiteen over de vraag waartoe het bedrag diende te worden aangewend. De vrouw stelt dat het bedrag diende ter financiering van de aanschaf van de woning, althans aflossing van de hypothecaire geldlening. De man betwist dat en stelt dat, nu het bedrag door de vrouw, althans haar vader, is gestort op een gesloten beleggingsrekening, zij hebben aanvaard dat de man ermee ging beleggen, met alle risico’s van dien.

10. Vast staat dat sprake is geweest van een verschuiving van vermogen (het bedrag van

ƒ 416.000,-) van de vrouw naar de man. Indien de visie van de man juist zou zijn, zou deze vermogensverschuiving niet tot een vergoedingsrecht leiden, nu de vermogensverschuiving alsdan zijn vergoeding reeds zou hebben gevonden in de verkrijging van het mede-eigendom van de woning door de vrouw. De stellingen van de vrouw – indien juist - brengen, nu vast staat dat de aankoop van de woning geheel is gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening en dat daarop niet is afgelost, mee dat, indien het bedrag zou zijn aangewend voor het daartoe beoogde doel, te weten de (gedeeltelijke) financiering van de aanschaf van de woning, dan wel de (gedeeltelijke) aflossing van de hypothecaire geldlening, de opbrengst van de verkoop van de woning hoger zou zijn geweest dan de gerealiseerde € 495.000,-, en haar aandeel daarin evenzeer. Van belang is derhalve om vast te stellen welke visie de juiste is.

11. Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking:

a) vast staat dat het bedrag door de vader van de vrouw in verband met de aanschaf van de echtelijke woning is geschonken;

b) de man heeft in eerste aanleg verklaard dat de vader van de vrouw ƒ 416.000,- heeft meebetaald aan de aanschaf van de woning (pleitnotities van 30 november 2004, sub 46), respectievelijk dat het bedrag van ƒ 416.000,- diende te worden en ook is geïnvesteerd in renovatie/verbetering/nieuwbouw van de echtelijke woning (pleitnotities van 15 november 2005, sub 6 en 14) en is pas na kennisneming van administratieve bescheiden tot het inzicht gekomen dat het bedrag niet voor deze doeleinden is gebruikt;

c) de vader van de vrouw heeft in zijn schriftelijke verklaringen aangegeven dat het zijn bedoeling en die van de vrouw was dat het geld zou worden aangewend om haar deel van het huis te betalen of om haar deel van de hypotheek (het hof leest: hypothecaire geldlening) af te lossen.

In het licht van deze omstandigheden acht het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw destijds voor ogen heeft gehad dat het door haar vader geschonken bedrag van ƒ 416.000,- zou worden aangewend voor de financiering van de woning en dat de man dit ook zo heeft begrepen. Het feit dat het geld op een beleggingsrekening is gestort doet daaraan niet af: dat zegt op zichzelf immers niets over de (uiteindelijke) bestemming. Derhalve kan niet worden gezegd dat de betaling van voormeld bedrag louter diende als tegenprestatie jegens de man voor het verkrijgen, door de vrouw, van mede-eigendom van de woning. De man heeft de desbetreffende betaling die, blijkens het voorgaande, bedoeld was om in de woning te worden geïnvesteerd, ten eigen bate aangewend, hetgeen meebrengt dat de vrouw terzake een vergoedingsrecht heeft. Hoewel op zichzelf juist is dat, nu het bedrag uiteindelijk niet in de woning is geïnvesteerd, dat bedrag niet in mindering dient te worden gebracht op de opbrengst van de woning, komt de uitkomst, te weten dat de man de vrouw een bedrag van € 188.818,- dient te betalen, daar feitelijke wel op neer, zodat het hof geen andere conclusie bereikt dan de rechtbank.

12. Gelet op het bovenstaande wordt het primaire standpunt van de man verworpen en komt zijn subsidiaire verzoek aan de orde. De man heeft gesteld dat hij voor een bedrag van ongeveer

€ 453.780,- in de (verbouwing van de) woning heeft geïnvesteerd. Hij stelt daartoe dat de verbouwing minimaal ƒ 800.000,- heeft gekost en legt daartoe een schriftelijke verklaring over van de heer [x], die de verbouwing als aannemer heeft begeleid. Voorts legt de man een aantal afschriften over van de rekening bij [x] met nummer [x], op naam van beide partijen, waaruit blijkt dat in de tijd van de verbouwing grote opnames zijn gedaan, alsook dat daarop in dezelfde periodes aanzienlijke bedragen, afkomstig van een rekening op naam van de man, zijn gestort.

13. Noch de door de man overgelegde verklaring van de aannemer, noch de door hem in het geding gebrachte afschriften, zijn voldoende om te kunnen aannemen dat de man het door hem genoemde bedrag in de woning heeft geïnvesteerd. In dit verband is van belang dat de man ter zitting heeft verklaard dat op voormelde rekening ook het bouwdepot ter hoogte van ƒ 400.000,- is gestort, zodat de opnames van die rekening op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigen dat deze ten laste van zijn privémiddelen zijn gedaan. Voorts brengt die verklaring ter zitting mee dat op de gestelde investeringen in elk geval het bedrag van het bouwdepot in mindering dient te worden gebracht. Het feit dat de man in deze periode vanaf zijn privérekening bedragen overmaakte naar genoemde rekening leidt op zichzelf evenmin tot de conclusie dat deze bedragen zijn geïnvesteerd in de woning. Bovendien beloopt het totaal van deze stortingen geenszins de gestelde € 453.780,-. De man heeft evenwel aangeboden om zijn stelling te bewijzen. Voor zover dat aanbod ziet op het in het geding brengen van nadere stukken, treft dat geen doel. Immers, stukken dienen spontaan in het geding te worden gebracht. Voor zover het ziet op het horen van getuigen, zal het hof de man daartoe in de gelegenheid stellen.

14. De man verzoekt in het kader van zijn eerste grief nog – zij het dat dit niet in het petitum is opgenomen - om de vrouw te gelasten de ontbrekende administratie over te leggen. De vrouw heeft betwist over de door de man bedoelde administratie te beschikken. Gelet hierop, alsmede op de verklaring van de man in zijn pleitnota voor het kort geding dat heeft geleid tot het proces-verbaal van 6 augustus 2004 (bijlage 16 bij productie 2m bij het appelschrift), inhoudende dat de administratie van de man (zakelijk en privé) ligt opgeslagen op de woonboot, waarvan hij krachtens genoemd proces-verbaal het uitsluitend gebruik heeft verkregen, zal het hof dit verzoek dan ook afwijzen.

15. Het hof ziet in dit stadium van het geding evenmin aanleiding tot het gelasten van een deskundigenonderzoek.

De woonboot

16. De tweede grief van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat de woonboot “De malle Jan” aan beide partijen in eigendom toebehoort. De man betoogt in dat kader dat de rechtbank ten onrechte voetstoots een bevoordelingsbedoeling van de man ten gunste van de vrouw heeft aangenomen, terwijl daar feitelijk nooit sprake van is geweest; de rechtbank heeft volgens de man de juridische positie van partijen opgehangen aan flarden privé-correspondentie waaraan door de vrouw (en in navolging daarvan door de rechtbank) een onjuiste interpretatie wordt gegeven; de man stelt totaal onwetend te zijn geweest met betrekking tot zijn juridische positie. Partijen zijn volgens de man niet gezamenlijk eigenaar van de woonboot geworden, nu sprake was van koude uitsluiting, slechts de ontheffing van de provincie (de ligplaats) op naam van beide partijen staat en de man via de rekening-courant van zijn apotheek (een B.V.) nagenoeg alle gelden tot aankoop van de eerste en tweede woonboot, alsmede de renovatie van de tweede woonboot, heeft gefinancierd. Zo er al sprake zou zijn van mede-eigendom, dan heeft de man, zo betoogt hij, in ieder geval een vergoedingsaanspraak op de vrouw terzake van verschuiving van privévermogen; de werkzaamheden van de vrouw waren voornamelijk van decoratieve aard en leveren geen vergoedingsaanspraak op.

17. De vrouw wijst erop dat de man geen nieuwe bewijsstukken in het geding brengt, behalve de brief van medio 2003; de vrouw betwist deze brief: zij kent deze brief niet en heeft deze nooit ontvangen. Volgens de vrouw is het altijd de bedoeling geweest dat partijen gezamenlijk eigenaar zouden zijn; de man heeft haar een halve woonboot cadeau gedaan; bovendien had zij recht op mede-eigenaarschap, omdat zij door haar huwelijk met de man alles wat zij in Amsterdam had opgebouwd diende prijs te geven. De vrouw brengt in het geding een besluit woonforensenbelasting van 26 februari 1990, waaruit blijkt dat zij en de man samen een woonschip beschikbaar hadden. Zij brengt voorts een taxatie van 12 april 2006 in het geding, waarin de waarde van woonboot met ligplaats wordt gesteld op € 365.000,-.

18. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de boot, die aanvankelijk aan de man toebehoorde nu deze aan hem is geleverd, door schenking van de helft van de eigendom van de boot zijdens de man gezamenlijk eigendom van partijen is geworden. Het hof hecht daarbij betekenis aan de ook door de rechtbank genoemde stukken. Uit de verklaringen van de man blijkt dat ook hij er aanvankelijk vanuit ging dat de boot mede-eigendom van partijen was geworden. Thans stelt hij dat sprake was van een misvatting van zijn kant. Voor zover hij daarmee een beroep doet op artikel 3:33 BW en stelt dat zijn verklaring niet correspondeerde met zijn wil, stuit dit betoog af op het bepaalde in artikel 3:35 BW: nu de man geen omstandigheden heeft gesteld die erop duiden dat de vrouw destijds, ten tijde van de schenking, aanleiding hadden moeten geven om te twijfelen omtrent de wil tot schenking van de man en dergelijke omstandigheden ook niet zijn gebleken, heeft de vrouw er op mogen vertrouwen dat de verklaring van de man overeenstemde met zijn wil en is de rechtshandeling (de schenking) rechtsgeldig tot stand gekomen. Het beroep van de man op een brief die hij in 2003 aan de vrouw zou hebben geschreven kan hem daarom niet baten, nog daargelaten dat de vrouw betwist deze brief ooit ontvangen te hebben. Voor zover de man bedoelt te betogen dat de rechtshandeling onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, faalt dat betoog evenzeer. Immers, indien sprake is geweest van dwaling, betreft dit, gelet op de inhoud van voormelde brief uit 2003, een dwaling in het recht. Hoewel ook een dwaling in het recht onder omstandigheden tot vernietiging kan leiden, is dat niet het geval wanneer van de dwalende gevergd kon worden dat deze zich op de hoogte stelde van de inhoud van het recht. Het hof is van oordeel dat, ervan uitgaande dat dit, zoals hij stelt, voor de man wezenlijk was, hij had dienen te onderzoeken of het op beider naam stellen van de ligplaats tot gezamenlijk eigendom van partijen leidde, nog daargelaten of voor de vrouw voldoende kenbaar was dat dit aspect voor de man van essentiële betekenis was.

19. De stelling van de man dat hem in elk geval een vergoedingsrecht toekomt terzake van de door hem in de boot gedane investeringen stuit af op het feit dat hij de boot, toen deze gereed was en derhalve met alles wat daarin, ook door de man, geïnvesteerd is, in mede-eigendom aan de vrouw heeft geschonken.

20. Nu de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel en de beslissing van de rechtbank dat, bij toedeling van de boot aan de man, hij de helft van de waarde daarvan per datum inschrijving echtscheiding (7 juli 2005) aan de vrouw dient te vergoeden, zal het hof deze beslissing bekrachtigen. De vrouw heeft weliswaar een taxatierapport overgelegd, maar dit betreft een taxatie per 12 april 2006, zodat deze niet zonder meer bepalend is, te meer niet nu de getaxeerde waarde ( € 365.000,-) afwijkt van de door de man gestelde waarde (€ 300.000,-).

21. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

Ten aanzien van de echtelijke woning

laat de man toe door middel van een getuigenverhoor het bewijs te leveren van zijn stelling dat hij tot een bedrag van € 453.780,- uit privémiddelen in de voormalige echtelijke woning heeft geïnvesteerd;

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in één der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage, ten overstaan van mr. Stille als raadsheer-commissaris, op dinsdag 14 augustus 2007 om 9.30 uur;

de man dient tenminste veertien dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de procureur van de vrouw en aan de griffier op te geven en voor oproeping van de getuigen zorg te dragen;

indien de vrouw eventueel tegenbewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, kan dit bij voorkeur in aansluiting op het verhoor der voor het bewijs gehoorde getuigen plaatsvinden; in dat geval dient de vrouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de procureur van de man en aan de griffier op te geven en voor oproeping van de getuigen zorg te dragen;

voor het geval een der partijen uiterlijk binnen veertien dagen na heden opgeeft verhinderd te zijn op bovengenoemde datum, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de door de man op te geven getuigen voor de maanden augustus en september 2007, zal het getuigenverhoor plaatsvinden op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt, gelet op het vorenstaande, dat de zaak te dien einde pro forma wordt aangehouden tot 1 september 2007;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Ten aanzien van de woonboot

bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Tanja-van den Broek en Plaggemars, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2007.