Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA7419

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
1368-M-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en draagkracht. Man verschijnt in persoon en mag geen stukken meer inbrengen. Zijn stellingen zijn niet aannemelijk en hem wordt draagkracht toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 mei 2007

Rekestnummer : 1368-M-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-1064

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. drs. H. Ferment.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 2 oktober 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Middelburg van 5 juli 2006.

De vader heeft op 18 december 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 4 oktober 2006 en 7 december 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Bij schrijven van 14 maart 2007 heeft de procureur van de man het hof bericht dat hij zich als procureur en mr. B. Vermeirssen zich als advocaat van de man onttrekt.

Op 30 maart 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.T.E. Kranenburg, en de vader. Partijen en de advocaat van de moeder hebben het woord gevoerd. De vader heeft verklaard dat hij geen geld heeft voor een advocaat en procureur en derhalve zelf verweer voert.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 29 maart 2006 van de rechtbank Middelburg. Bij de bestreden beschikking is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie bepaald op € 78,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 12 juni 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum], verder: [kind], die bij de moeder verblijft.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderbijdrage ten laste van de vader met ingang van 5 juli 2006 vast te stellen op € 400,- per maand, dan wel een dusdanig hoger bedrag dan € 78,- zoals het hof mag vermenen te behoren.

3. De vader bestrijdt haar verzoek en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bevestigen, althans wat het dictum betreft, subsidiair een kinderalimentatiebedrag vast te stellen dat lager is dan door de moeder in beroep is verzocht.

Behoefte

4. In haar eerste grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van [kind] heeft vastgesteld op € 140,- per maand. Ondanks herhaaldelijke en uitdrukkelijke verzoeken van de rechtbank heeft de vader nagelaten om de belastingaanslagen en belastingaangiften over de jaren 2003 en 2004 te overleggen. Voor wat betreft de bepaling van het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk, kan de moeder zich vinden in het feit dat de rechtbank in de bestreden beschikking bij gebreke van financiële gegevens de bedragen die partijen in privé aan de onderneming van de vader hebben onttrokken, als uitgangspunt heeft genomen. Echter, deze vertonen een aanmerkelijke opgaande lijn en deze stijgende lijn dient volgens de moeder, evenals de definitieve aanslag voor de inkomstenbelasting uit het jaar 2002, bij de vaststelling van de behoefte in aanmerking te worden genomen. De moeder stelt zich in haar beroepschrift op het standpunt dat bij de bepaling van de behoefte van [kind] dient te worden uitgegaan van een netto gezinsinkomen per maand van minimaal € 2.198,25, gebaseerd op de laatstelijk bekende privé-opnames over 2002. Gelet op dit gezinsinkomen acht de moeder de door haar verzochte bijdrage van € 400,- redelijk. De moeder stelt dat de rechtbank heeft nagelaten te motiveren waarom het redelijk is om zich bij de bepaling van de behoefte te baseren op bedragen die betrekking hebben op jaren die niet meer relevant zijn. Het uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van [kind] is volgens de moeder de welstand gedurende met name de laatste jaren danwel het laatste jaar van het huwelijk.

5. De vader stelt dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de gemiddelde onttrekkingen over de drie laatst relevante jaren. Aangezien de vader en de moeder feitelijk in mei 2004 uit elkaar zijn gegaan, zijn de relevante jaren 2000, 2001 en 2002. Dat er rekening gehouden dient te worden met een stijgende lijn is volgens de vader geen standpunt dat steun vindt in het recht, waarbij hij in zijn verweerschrift naar de Trema-normen en de vaste jurisprudentie op dit punt verwijst. Van een stijgende lijn is volgens de vader overigens geen sprake; de onderneming heeft al jaren een dusdanige schuldenpositie dat de onderneming feitelijk failliet is. Het standpunt van de vader is dat gezien de vele schulden er feitelijk sprake is van een faillissementssituatie, zodat er geen sprake kan zijn van enig bedrag aan behoefte.

6. Het hof is van oordeel dat bij de bepaling van de behoefte van [kind] het jaar 2002 als referentiejaar dient te worden genomen, gelet op het feit dat de vader geen financiële gegevens over de jaren 2003 en 2004 heeft overgelegd en de opgelegde naheffingsaanslag voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2002 van € 52.511,- doet vermoeden dat een hoger resultaat in de onderneming is behaald dan door de vader na voldoening van zijn lasten wordt gesteld. Voormeld oordeel wordt ondersteund door het feit dat de vader ter terechtzitting in hoger beroep, te kennen heeft gegeven dat zijn onderneming weliswaar voldoende perspectief bood en hij zelfs werknemers in dienst heeft gehad, doch dat hij niet in staat is geweest een deugdelijke administratie te voeren. Uitgaande van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen per maand van minimaal € 2.198,25, acht het hof een behoefte van € 340,- redelijk. Deze grief slaagt derhalve.

Draagkracht

7. In haar tweede grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte bij het vaststellen van het inkomen van de vader is uitgegaan van de gemiddelde privé-onttrekkingen van de vader uit de onderneming in de jaren 2000-2002. Hierbij verwijst de moeder naar haar toelichting bij de eerste grief. Primair stelt de moeder dat bij gebrek aan de benodigde financiële gegevens uitgegaan dient te worden van de potentiële verdiencapaciteit. Het feit dat de vader enerzijds een ogenschijnlijk slecht zaakvoerder is en anderzijds nalaat zich een voldoende inkomen te verschaffen, dient niet op de moeder en [kind] te worden afgewenteld. Subsidiair stelt de moeder dat de middeling van de privé-opnames van de jaren 2000 tot en met 2002 volstrekt onredelijk is. Als de meest recente gegevens als uitgangpunt moeten dienen, dan dient redelijkerwijs van een inkomen van minimaal € 26.379,- per jaar netto te worden uitgegaan.

8. De vader verwijst ter zake van de tweede grief naar zijn verweer bij de eerste grief.

9. In haar derde grief stelt de moeder dat de rechtbank de draagkracht van de vader ten onrechte heeft bepaald op € 78,- per maand. Uitgaande van de in de toelichting van de tweede grief bepleitte bedragen aan inkomen van de vader, dient hij geacht te worden over voldoende inkomsten te beschikken danwel te kunnen beschikken om de door de moeder verzochte bijdrage te kunnen voldoen.

10. De vader stelt dat hij uitvoerig heeft aangetoond dat hij geen enkele draagkracht heeft en verwijst naar de door hem in eerste aanleg overgelegde stukken. Hij stelt dat momenteel zijn schuldenlast meer dan € 170.000,- bedraagt en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze lasten.

11. Ter terechtzitting heeft de vader ten aanzien van zijn draagkracht opgemerkt dat zijn onderneming in grote financiële moeilijkheden verkeert en dat beslag is gelegd op zijn bankrekening. Hij stelt de onderneming te hebben verkocht, maar dat die verkoop nog niet is geëffectueerd. Hij heeft vervolgens de stelling van de moeder, dat de vader de zaak aan zijn vriendin heeft verkocht, niet weersproken. De vader stelt dat zijn onderneming is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. De vader heeft ter terechtzitting desgevraagd bovendien verklaard dat de onderneming nog steeds open is en dat hij niet kan ontkennen dat deze op zichzelf winstgevend is. Hij heeft drie à vier werknemers in dienst. Doordat de vader zeven dagen per week in zijn onderneming werkte, heeft hij zijn administratie in de afgelopen jaren niet naar behoren kunnen bijhouden. Tenslotte heeft de vader verklaard dat op 18 april 2007 zowel een verzoek van de Belastingdienst tot faillietverklaring, als zijn verzoek om toegelaten te worden tot schuldsanering wordt behandeld.

12. Gelet op de onderlinge samenhang van de grieven 2 en 3 van de moeder, ziet het hof aanleiding deze grieven gezamenlijk te behandelen. Nu de rechtbank geen ingangsdatum heeft bepaald, moet de door haar opgelegde alimentatieverplichting geacht worden in te gaan op de datum van de beslissing, te weten: 5 juli 2006. De vader heeft geen stukken overgelegd die zijn stelling, dat hij vanaf die datum geen draagkracht heeft voor de door de moeder verzochte bijdrage, onderbouwen: de meest recente stukken dateren uit 2002. De man heeft aangeboden nog stukken in het geding te brengen. Gelet op het feit dat hij geen procureur meer heeft, is de vader echter niet in staat om nog proceshandelingen te verrichten. Het hof passeert dat aanbod dan ook. Nu de vader het gestelde gebrek aan draagkracht, mede gelet op zijn verklaringen ter zitting, zoals onder rechtsoverweging 11. weergegeven, niet aannemelijk heeft gemaakt, gaat het hof ervan uit dat hij voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. De tweede en de derde grief slagen derhalve.

13. Vanwege het vorenstaande zal het hof een kinderalimentatie ten laste van de vader bepalen van € 340,- per maand, zodat de bestreden uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de hoogte van de opgelegde kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 juli 2006, op € 340,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Tanja-van den Broek en Breederveld, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2007.