Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA7412

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
1108-R-06 en 1109-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak en partneralimentatie. Peildatum en draagkracht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 30 mei 2007

Rekestnummers : 1108-R-06 + 1109-R-06

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 04-1746

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens inciden¬teel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.D.A. Geleijns,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens inciden¬teel verzoe¬ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Lolcama.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 16 augustus 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2006.

De man heeft op 26 september 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 17 oktober 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 23 augustus 2006, 18 september 2006, 4 oktober 2006, 13 oktober 2006 en 17 april 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 april 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. I. Correljé. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 18 februari 2005 van de rechtbank Rotterdam. Bij de bestreden beschikking is de verdeling van de gemeenschap vastgesteld en een alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald van € 370,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 14 april 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de wijze van de verdeling van de gemeenschap van goederen en de alimentatie ten behoeve van de vrouw.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie en de wijze van de verdeling van de gemeenschap van goederen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de man te veroordelen tot het betalen van een partneralimentatie aan de vrouw van € 875,54 per maand, vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot het moment waarop alle verzekeringspolissen bij helfte zijn verdeeld;

b. de man te veroordelen tot het betalen van een partneralimentatie aan de vrouw van € 370,- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering met ingang van januari 2007, vanaf het moment waarop alle verzekeringspolissen bij helfte zijn verdeeld;

c. de polissen van de (lijfren[x] [x] en de [x] aan de man toe te scheiden en de man wegens overbedeling te veroordelen tot het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 10.539,50;

d. de man te veroordelen tot het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 92,13, zijnde de helft van de over de erfenis ontvangen belastingaanslag;

e. de man te veroordelen tot het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 84,53, zijnde de helft van de naheffing van [x];

f. de man uit hoofde van de wijze waarop de inboedel, de auto en de bankrekeningen door de rechtbank in de bestreden beschikking zijn verdeeld, te veroordelen tot het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 967,73;

g. en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt in principaal appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie en de wijze van vaststelling van de verdeling en de datum van de verdeling van de gemeenschap betreft te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man te veroordelen tot het betalen van een partneralimentatie aan de vrouw naar draagkracht, zijnde € 82,- per maand, ingaande de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers, zijnde 14 april 2005, en voor het overige de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vrouw haar vorderingen te ontzeggen.

In incidenteel appel verzoekt de man:

- de datum van verdeling bij helfte van de (alle) bankrekeningen te bepalen op 21 september 2004, zijnde de datum van het werkelijk uiteengaan van partijen;

- te bepalen dat de nog te verdelen polissen naar actuele waarde worden gescheiden, dan wel te bepalen dat de man een vordering op de vrouw krijgt ter zake van de waardevermindering van de polissen bij aanhouding van de door de rechtbank bepaalde datum van deling, dan wel te bepalen dat de rente gedeeld zal worden uitbetaald met behoud van de polissen;

- de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 1.440,-, zijnde de door toedoen van de vrouw door de man onnodig betaalde extra premie;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel appel af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Splitsing inkomenspolissen

5. De vrouw stelt in haar tweede grief dat de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het zich inmiddels voorgedaan hebbende feit dat de man zijn toezeggingen ten aanzien van de verdeling/splitsing van de diverse verzekeringspolissen niet nakomt. De man heeft slechts de polis van [x] per 1 januari 2006 en de uitkering van de polis bij [x] met ingang van eind september 2006 gesplitst, doch de polissen bij [x], de [x] en [x] zijn niet gesplitst of anderszins verdeeld. Gezien de tekst van de bestreden beschikking kan de vrouw deze beschikking niet executeren wat de verdeling van de verzekeringspolissen betreft; hiervoor is de medewerking van de man vereist. Onder deze omstandigheden, zo stelt de vrouw, heeft zij er recht op en belang bij dat de man wordt veroordeeld tot het betalen van een concreet geldbedrag. De vrouw gaat uit van de helft van de totale afkoopwaardes van € 24.108,- ([x]) + € 8.050,- ([x]) + € 5.000,- ([x], een schatting) en komt in haar appelschriftuur uit op € 10.539,50. Ter terechtzitting is besproken dat vorenstaande opstelsom zou moeten leiden tot een uitkomst van € 18.579,- waarna de vrouw de hoogte van haar eis in voormelde zin heeft aangepast.

6. De man stelt dat hij alle medewerking heeft verleend aan de deling van de polissen en dat dit ertoe heeft geleid dat de vrouw inmiddels zelfstandige inkomsten heeft uit twee van de vijf polissen. De polissen kunnen alleen gesplitst worden indien de bank daarvoor toestemming geeft en dat was bij de nog niet gedeelde polissen niet het geval. De man stelt dat afkoping wel mogelijk is, doch dat dit gepaard gaat met hoge kosten en veel verlies. De man acht het niet reëel en onterecht dat de vrouw afkoping van de polissen wenst doch dat zij met het verlies dat dit met zich meebrengt geen enkele rekening wenst te houden. De man stelt dat hij al drie maal de waarde van de polissen heeft opgevraagd en de vrouw voorstellen heeft gedaan, waarop de vrouw niets van zich laat horen. Bovendien gaat de vrouw in het appelschriftuur uit van een waarde die niet meer actueel is. De man stelt ten slotte dat het hem aan de nodige financiën ontbreekt om de vrouw uit te kopen.

7. De man stelt in zijn tweede grief in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de saldi van de inkomenspolissen in de tijd sterk reduceren en binnen een tijdsbestek van minder dan twee jaar na heden “opgebruikt” zijn. De rechtbank heeft op 17 mei 2006 beschikt dat de polissen per datum inschrijving echtscheiding gedeeld moesten worden, zijnde 14 april 2005, waardoor de gehele waardevermindering uitsluitend voor zijn rekening komt. De man verzoekt het hof de polissen bij helfte te delen tegen actuele waarde, dan wel tegen de waarde van datum inschrijving echtscheiding met een verrekening tussen partijen voor de vermindering van de waarde, dan wel te bepalen dat de inkomsten uit de polissen voor zover nog niet gedeeld bij helfte aan de vrouw worden uitbetaald.

8. In haar verweer in incidenteel appel stelt de vrouw dat de diverse stappen zoals geschetst door de man niet met bewijsstukken zijn onderbouwd. Zij stelt dat de polissen die al zijn verdeeld, zijn verdeeld door toedoen en op initiatief van de vrouw. De vrouw stelt dat de man geen schriftelijke voorstellen heeft gedaan en dat met betrekking tot de rente die de man daadwerkelijk ontvangt, geen (recente) bewijsstukken zijn getoond. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het de voorkeur geniet de bewuste polis te splitsen zodat partijen geen bemoeienis met elkaar hebben, doch indien dit niet mogelijk of ongewenst is, dat de man dit met stukken van de verzekeringsmaatschappijen dient aan te tonen en dat de vrouw de helft van de waarde van iedere polis wenst te ontvangen. De betreffende verzekering behoeft niet daadwerkelijk door de man te worden afgekocht.

9. Het hof overweegt als volgt. Op basis van het bepaalde in artikel 3:185 BW kan de rechter een verdeling vaststellen, rekening houdend naar billijkheid met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. Daarbij kan de rechter een van beide deelgenoten overbedelen tegen vergoeding van de overwaarde. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Aangezien partijen tot op heden voor wat betreft de polissen bij [x], de [x] en [x] niet erin zijn geslaagd om uitvoering te geven aan de bestreden beschikking, zij onderling geen consensus over de splitsing van deze inkomenspolissen kunnen bereiken en bovendien ter terechtzitting is gebleken dat tussen partijen thans geen communicatie mogelijk is, is het hof van oordeel dat de polissen bij [x], de [x] en [x] dienen te worden toegedeeld aan de man. Bij wege van overbedeling zal de man aan de vrouw de helft van de bruto-inkomsten die de man uit hoofde van de inkomenspolissen vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven heeft ontvangen, alsmede de helft van de bruto-inkomsten die de man uit hoofde van voormelde polissen nog zal ontvangen, onverwijld dienen uit te keren aan de vrouw. Het hof overweegt hierbij dat er sprake dient te zijn van bruto-inkomsten, nu deze inkomsten in fiscaal opzicht als periodieke uitkeringen zijn aan te merken en derhalve bij de man fiscaal aftrekbaar zullen zijn en bij de vrouw fiscaal belast. Voor wat betreft de uitkering van de nog te verschijnen termijnen geldt, dat de man binnen een termijn van twee weken na ontvangst van de inkomsten het verschuldigde bedrag aan de vrouw dient te voldoen. Gebruikmakende van de grote mate van vrijheid die de rechter op basis van voormeld artikel toekomt, stelt het hof als voorwaarde voor deze verdeling dat de man verplicht is jaarlijks aan de vrouw de jaaropgaven van de betreffende polissen te doen toekomen. Naar het oordeel van het hof doet deze wijze van verdelen het meest recht aan de belangen van beide partijen, nu hierdoor het verlies dat ontstaat bij de splitsing van inkomenspolissen vanwege de door de verzekeraars in rekening gebrachte (administratieve) kosten, achterwege blijft en er derhalve voor beide partijen per saldo meer overblijft. Aangezien de splitsing van de polissen van [x] en [x] reeds is voltooid en de ongedaanmaking van de splitsingen - voor zover mogelijk - naar verwachting de nodige kosten met zich mee zal brengen, ziet het hof ten aanzien van deze polissen geen aanleiding om de verdeling te wijzigen. Ter zake van de peildatum voor de inkomenspolissen ziet het hof geen aanleiding om een andere datum te bepalen dan de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zoals door de rechtbank is gehanteerd. Deze grief in principaal appel slaagt derhalve gedeeltelijk, de incidentele grief faalt derhalve.

Draagkracht van de man

10. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de man ten onrechte maar de helft van de inkomensverzekeringen als extra inkomen naast de ABP pensioenuitkering en de AOW-uitkering in aanmerking heeft genomen. De rechtbank is ervan uitgegaan dat het door de toezeggingen van de man – om de polissen te splitsen – redelijk is om met de helft van de uitkeringen rekening te houden. De man is zijn toezegging niet nagekomen. De vrouw acht het redelijk om pas met de helft van de uitkeringen aan de zijde van de man rekening te houden vanaf het moment waarop de verzekeringen daadwerkelijk met de vrouw zijn gedeeld. Tot het moment waarop de verzekeringen zijn gedeeld, dient bij de vaststelling van de draagkracht van de man uitgegaan te worden van het gegeven dat de man de volledige uitkeringen ontvangt en een partneralimentatie kan betalen zoals na de voorlopige voorzieningen tussen partijen is afgesproken van € 875,54 per maand.

11. De man stelt dat de vrouw de overweging van de rechtbank niet correct weergeeft. De rechtbank heeft aangegeven dat zij niet uit de in het geding gebrachte stukken kan afleiden hoe hoog de inkomensverzekeringen van de man zijn en dat zij bij gebreke daarvan de helft van het totaal bedrag in aanmerking neemt. De man stelt dat de rechtbank in de draagkrachtberekening eraan voorbij gaat dat, zelfs met inachtneming van het gehele bedrag en indien geen rekening wordt gehouden met de aftrek voor pensioenverevening, de man slechts een vrije draagkracht had van € 215,-, na brutering € 287,- per maand. Indien een draagkrachtberekening wordt gemaakt met inachtneming van de cijfers van de rechtbank, resteert een draagkracht van € 65,-, na brutering € 82,-. Bovendien bedragen de inkomsten uit de resterende polissen volgens de man slechts € 308,- per maand. Echter, de rechtbank heeft een alimentatieverplichting opgelegd van € 370,-. De man acht de eis van de vrouw tot alimentatie van € 875,54 irreëel, nu dit bedrag ver boven de draagkracht van de man ligt en het de vrouw zelf is die de deling van de polissen tegenhoudt en bovendien eigen inkomsten verwerft. Ter terechtzitting heeft de man gepersisteerd in zijn opvatting dat de vrouw inkomsten uit arbeid geniet nu zij geen vrijwilligerswerk, maar een dienstbetrekking bij [x] zou hebben aanvaard. De man verzoekt het hof dan ook de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw naar draagkracht van de man aan te passen.

12. In het verweerschrift in incidenteel appel merkt de vrouw op, dat in het petitum van het verweerschrift van de man onder het kopje “incidenteel appel” geen verzoek tot verlaging van de partneralimentatie wordt gedaan en dat hij daartoe bovendien geen grieven heeft aangevoerd zodat in ieder geval het bedrag van € 370,- per maand dat door de rechtbank is opgelegd dient te worden opgelegd en maximaal een bedrag van € 875,54 per maand, zijnde het bedrag dat door de vrouw in appel is verzocht. Voor zover het hof van mening is dat in het verweerschrift van de man toch een hoger beroep van de vastgestelde partneralimentatie kan worden gelezen, voert de vrouw aan dat de man nimmer naar voren heeft gebracht en ook niet heeft aangetoond dat de polissen aflopend zijn en binnen twee jaar ten einde zullen zijn. Bovendien is de man ten onrechte uitgegaan van een bijstandsnorm van € 1.154,-, terwijl de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 808,- dient te worden gehanteerd. Daarnaast is de gemiddelde basishuur van destijds € 193,- niet in mindering gebracht en is de man uitgegaan van een maandelijkse ziektekostenpremie van € 125,-, terwijl de rechtbank is uitgegaan van € 100,-. De vrouw stelt dat zij de beschikking van de rechtbank heeft nagerekend en dat hieruit volgt dat de man wel voldoende draagkracht heeft. Hoewel de man stelt dat de vrouw eigen inkomsten zou hebben, is haar behoefte niet bestreden. Ter terechtzitting heeft de vrouw betwist dat zij thans enige inkomsten uit arbeid geniet.

13. Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking is de rechtbank in zijn draagkrachtberekening voor wat betreft de inkomsten uit de verzekeringen uitgegaan van de helft van het totaalbedrag van € 9.163,- bruto per jaar. Uit de in het geding gebrachte stukken kan niet worden vastgesteld hoe hoog de inkomsten van de man uit deze polissen daadwerkelijk zijn. Hoewel de man in zijn verweerschrift heeft gesteld dat de inkomsten uit de resterende polissen thans slechts € 308,- per maand bedragen, heeft de man deze stelling niet met de benodigde financiële gegevens onderbouwd. Het hof overweegt, dat door voormelde toedeling van de drie inkomenspolissen aan de man weliswaar zijn inkomen wordt verhoogd, doch dat hij uit hoofde van overbedeling tevens is gehouden om aan de vrouw de helft van de inkomsten te voldoen, zodat zijn draagkracht per saldo niet zal vermeerderen of verminderen. Immers, datgene wat de man door zijn overbedeling extra aan inkomen toekomt, zijnde de helft van de inkomenspolissen, dient hij in het geheel aan de vrouw af te dragen. Met betrekking tot de verlaging van de partneralimentatie is het hof van oordeel dat de stellingen van de man en hetgeen hij in zijn petitum heeft gevorderd, in onderlinge samenhang gelezen, als incidenteel appel kunnen worden aangemerkt. Ter zake van de draagkracht van de man overweegt het hof dat de man inderdaad ten onrechte is uitgegaan van een bijstandsnorm van € 1.154,-, ten onrechte de gemiddelde basishuur van € 193,- niet in mindering heeft gebracht en dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat uitgegaan dient te worden van een maandelijkse ziektekostenpremie van € 100,- nu de man geen gegevens hierover heeft overgelegd. Derhalve overweegt het hof dat de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening kan worden gevolgd, waaruit blijkt dat aan de man een draagkracht kan worden toegekend van € 381,50. Ten aanzien van de door de man gestelde dienstbetrekking van de vrouw overweegt het hof dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw inkomen uit arbeid geniet. Het hof zal bij de vaststelling van de alimentatie geen rekening houden met enig inkomen uit arbeid aan de zijde van de vrouw. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 381,50 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Successieaanslag

14. De vrouw stelt in haar derde grief dat de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het zich inmiddels voorgedane feit dat na de behandeling ter terechtzitting de dato 5 december 2005 een belastingaanslag is opgelegd en zij een bedrag van € 184,25 aan successierechten dient te voldoen in verband met haar verkrijging uit de nalatenschap van haar moeder ten bedrage van € 1.450,-. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de helft van deze aanslag voor rekening van de man komt, te weten € 92,13.

15. De man stelt dat de erfenis naar haar privé-rekening is overgemaakt en dat het geld uitsluitend aan de vrouw is besteed en niet ten goede is gekomen aan de gemeenschappelijke huishouding. Het is de man niet duidelijk op welke belastingaanslag wordt gedoeld, nu de vrouw niet belastingplichtig was gezien de hoogte van de erfenis en er geen bewijs van de successieaanslag is overgelegd.

16. Het hof constateert dat de door de vrouw aangemerkte belastingaanslag die zij als bijlage bij haar schrijven de dato 12 oktober 2007 heeft overgelegd, niet een aanslag voor het recht van successie betreft, doch een beschikking tegemoetkoming buitengewone uitgaven. Aangezien de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij een bedrag van € 184,25 aan successierechten ter zake van haar verkrijging in de nalatenschap van haar moeder is verschuldigd, is het hof van oordeel dat deze grief van de vrouw dient te worden verworpen. Daarenboven overweegt het hof dat bij de door de vrouw gestelde verkrijging van € 1.450,- in verband met de daartoe opgenomen vrijstelling in de Successiewet 1956 de vrouw in beginsel over haar erfdeel geen successierechten verschuldigd zou zijn. Gesteld noch gebleken is, dat dit in het onderhavige geval uitzondering anders is.

Naheffing [x]

17. De vrouw stelt in haar vierde grief dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op haar verzoek om de naheffing van [x] in de verdeling te betrekken. De naheffing van € 169,07 betreft de periode 25 augustus 2003 tot en met 26 augustus 2004. De vrouw heeft dit bedrag voldaan en stelt zich op het standpunt dat de man aan haar de helft is verschuldigd, zijnde een bedrag van € 84,53. De vrouw stelt dat zij ter zitting in eerste aanleg aandacht voor deze vordering heeft gevraagd, doch in de beschikking niets hierover is vermeld en gaat ervan uit dat de rechtbank vergeten is hierover een beslissing te nemen.

18. De man ziet niet in dat de rechtbank is vergeten over de vordering over de energierekening een beslissing te nemen. De man gaat ervan uit dat de rechtbank de vordering dermate gering achtte dat er geen aparte beslissing over werd genomen.

19. Het hof overweegt dat de naheffing van [x] als schuld van de inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient te worden gekwalificeerd en derhalve uit de ontbonden gemeenschap dient te worden voldaan. Partijen zijn gehouden ieder voor de helft deze schuld te dragen. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij een schuld van € 169,07 in het geheel heeft voldaan, heeft zij een regresvordering ter grootte van de helft van de schuld, zijnde

€ 84,53, op de man. Deze grief slaagt derhalve.

Inboedel, auto en bankrekeningen

20. De man stelt in zijn eerste grief in incidenteel appel dat de rechtbank heeft beslist dat de verdeling van de boedel per inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking zal moeten plaatshebben en dat zij geen reden heeft hiervan af te wijken, doch de rechtbank wel voor enkele bankrekeningen heeft bepaald dat de verdeling per 25 mei 2004 dient te geschieden. De man stelt dat deze datum zeer willekeurig is omdat er toen nog sprake was van een gezamenlijke financiële huishouding. De financiële huishouding is pas uiteengevallen op het moment dat de man een eigen huurwoning kon betrekken, zijnde 21 september 2004. De man verzoekt het hof te beslissen de deling bij helfte van alle bankrekeningen per laatstgenoemde datum te gelasten.

21. De vrouw stelt dat de man in de periode van 25 mei 2004 tot 21 september 2004 geen gemeenschappelijke huishouding met de vrouw heeft gevoerd, doch bij zijn nieuwe partner verbleef. De vrouw stelt dat het hoogst onredelijk zou zijn om van de peildatum van 21 september 2004 uit te gaan: immers, partijen hebben na het uiteengaan eind mei 2004 geen invloed meer gehad op elkaars uitgavenpatroon.

22. Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt voor de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap heeft in beginsel de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te gelden, zijnde 14 april 2005. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank ter zake van de bankrekeningen anders bepaald. Het hof leest in de incidentele grief van de man dat hij zich niet zozeer verzet tegen het door de rechtbank gehanteerde criterium van het feitelijk uiteengaan van partijen, doch dat hij de datum van het feitelijk uiteengaan betwist. Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2005 volgt dat de rechtbank een peildatum zou vaststellen voor de bepaling van de omvang van de banksaldi. De rechtbank heeft in haar beschikking gekozen voor een datum die gelegen is voor de datum van de ontbinding van het huwelijk. Nu partijen van mening verschillen over de te hanteren peildatum, is het hof van oordeel dat voor de bepaling van de omvang van de banksaldi uitgegaan dient te worden van de datum van de ontbinding van de gemeenschap zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het enkele feit dat de man na de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen nog gelden van de bankrekening heeft opgenomen rechtvaardigt niet dat van een eerdere peildatum dient te worden uitgegaan.

23. De vrouw heeft in haar appelschriftuur het hof verzocht om de man te veroordelen tot de betaling van een bedrag van € 967,73 in verband met de verrekening van de vordering uit overbedeling van de vrouw terzake van de inboedel en auto met hetgeen haar uit hoofde van de saldi van de bankrekeningen toekomt.

24. Ten aanzien van de verdeling van de inboedel en de auto constateert het hof dat de vrouw in haar appelschriftuur hiertegen niet heeft gegriefd. Derhalve staat in rechte vast dat de verdeling van deze goederen dient te geschieden op de wijze als door de rechtbank is bepaald. Nu het hof geen gegevens heeft ontvangen waaruit de hoogte van de bankrekeningen blijkt op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, zijnde de peildatum zoals uit rechtsoverweging 22 blijkt, kan het hof niet bepalen of er sprake kan zijn van een verrekening en om welk bedrag het gaat. Het hof zal derhalve het verzoek van de vrouw, zoals verwoord in haar petitum onder f., niet honoreren.

Kosten autoverzekering

25. De man verzoekt het hof in zijn tweede grief in incidenteel appel de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem terzake van de door de vrouw behouden autoverzekering, een bedrag van € 1.440,-. Hoewel de man de auto toebedeeld heeft gekregen, behield de vrouw deze verzekering nodeloos en heeft zij willens en wetens de premiekorting wegens schadevrij rijden laten verlopen. Ter terechtzitting heeft de man hier aan toegevoegd, dat de vrouw binnen een termijn van twee jaar een auto had moeten aanschaffen om gebruik te kunnen maken van de korting. Nu deze termijn is verstreken, is de korting komen te vervallen.

26. In haar verweerschrift in incidenteel appel stelt de vrouw dat zij de verzekering heeft voortgezet omdat zij van plan was een auto aan te schaffen, doch dit nog niet is gebeurd aangezien haar de financiële middelen daartoe ontbreken. Het verzochte bedrag is niet onderbouwd en niet aannemelijk.

27. Het hof overweegt als volgt. Ter zake van de door de man verzochte veroordeling van de vrouw tot betaling van € 1.440,- in verband met de gestelde premiekorting, overweegt het hof dat nu ter terechtzitting is gebleken dat het recht op premiekorting inmiddels is verlopen, er geen waarde kan worden toegekend aan deze premiekorting, zodat er geen sprake kan zijn van een veroordeling van de vrouw tot betaling van voormeld bedrag. Deze grief faalt derhalve.

28. Het hof ziet geen aanleiding om één van de partijen - ex-echtelieden - in de kosten te veroordelen en zal de daartoe strekkende verzoeken van partijen afwijzen.

29. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat in het kader van de verdeling van de tussen de partijen bestaande ontbonden gemeenschap van goederen aan de man de polissen bij [x], de [x] en [x] worden toegescheiden, onder de verplichting:

- dat de man aan de vrouw in verband met vorenstaande overbedeling dient te voldoen de helft van de door de man uit voormelde polissen te ontvangen bruto-inkomsten vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen, binnen een termijn van twee weken na ontvangst van de desbetreffende inkomsten;

- dat de man aan de vrouw jaarlijks de jaaropgaven van voornoemde polissen dient te overleggen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking is, te weten 14 april 2005 op € 381,50 per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 84,53, zijnde de helft van de naheffing van [x], dient te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Labohm en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2007.