Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA7395

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
938-R-06 en 47-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoerige echtscheidingszaak. Verrekening en verdeling. Woning in Spanje. Vordering tot afgifte stukken aan pensioenactuaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 april 2007

Rekestnummer. : 938-R-06 en 47-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-1799 en F2 RK 06-823

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder

in de zaak met rekestnummer 938-R-06, in hoger beroep,

verzoeker in de zaak met rekestnummer 47-R-07,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster

in de zaak met rekestnummer 938-R-06, in hoger beroep,

verweerster in de zaak met rekestnummer 47-R-07,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J.L.J. Kapteijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

In de zaak met rekestnummer 938-R-06 zijn de volgende stukken ingekomen:

De man is op 11 juli 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 12 april 2006.

De vrouw heeft op 22 augustus 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De man heeft op 14 september 2006 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 19 juli 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 23 februari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

In de zaak met rekestnummer 47-R-07 zijn de volgende stukken ingekomen:

De man heeft op 10 januari 2007 een verzoek ingediend strekkende tot schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 12 april 2006.

De vrouw heeft op 16 februari 2007 een verweerschrift ingediend.

Op 2 maart 2007 zijn de beide zaken mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.E.L. Klein. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam. Bij die beschikking is onder meer, kort weergegeven:

- de echtscheiding uitgesproken;

- bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de echtscheidingbeschikking in de register van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], die aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die thans op nihil wordt gesteld;

- een voorlopige partneralimentatie bepaald van € 2.710,- per maand;

- dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de auto, in die zin dat deze auto op naam van de vrouw wordt gesteld na betaling door de vrouw aan [x] van € 8.394,93;

- voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op overmaking van een nader per datum van ontbinding van het huwelijk te berekenen geconverteerde pensioenafspraak en bepaald dat de man de gegevens/bescheiden dient te verstrekken die [x] Pensioenadviseurs nodig heeft om een nieuwe berekening te vervaardigen;

- de verdeling van de gemeenschap vastgesteld;

- de vrouw veroordeeld ten titel van overbedeling aan de man te betalen een bedrag van € 21.030,-;

- bepaald dat de man de hypothecaire lening bij [x], groot € 272.268,12, waarmee de woning in [woonplaats] is belast en de rekening-courantschuld van de man aan [x], groot € 102.110,54 zal aflossen uit de dividenduitkering van € 499.158,23;

- bepaald dat binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een notariële akte dient te worden verleden in Spanje, waarbij de onroerende zaak te [adres], met onroerend zaak nummer [x] aan de zoons van partijen zal worden geleverd en dat voorts binnen een maand na verlijden van de notariële akte, dan wel akten in Nederland dient/dienen te worden verleden, waarbij de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] aan de vrouw wordt geleverd en de aandelen van de vrouw in [x] aan de man;

- bepaald dat de kosten van de overdracht van de echtelijke woning voor rekening van de vrouw zijn;

- bepaald dat de inmiddels door de man betaalde declaraties van de accountant ter zake van de verdelingsvoorstellen ad circa € 10.000,- voor rekening blijven van de man, zonder nadere verrekening;

- de man veroordeeld tot het verlenen van alle noodzakelijke medewerking aan het stand brengen van de in deze beschikking vastgestelde verdeling;

- een tweetal onzijdige personen benoemd;

- de vrouw veroordeeld tot het verlenen van alle noodzakelijke medewerking aan het tot stand brengen van de in deze beschikking vastgestelde verdeling;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn in de zaak met rekestnummer 938-R-06: de echtscheiding, de overeenkomst betreffende de verkoop en levering van de woning in Spanje, de partneralimentatie, alsmede de verrekening hiervan met een eventuele door de vrouw te ontvangen rentevergoeding.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

I. hetgeen de vrouw bij inleidend verzoekschrift onder c en e heeft verzocht, af te wijzen;

II. ter zake van haar overige verzoeken - naar het hof begrijpt - te beslissen als het hof in goede justitie goeddunkt;

III. en voorts (overeenkomstig de volgorde en onder verwijzing naar het dictum van de bestreden beschikking, welk dictum, voorzien van handmatige aanpassingen en nummering, is bijgevoegd als productie 2 bij het appelschrift):

1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

2. te bepalen dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], die aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking;

3. te bepalen dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de Volkswagen Golf met kenteken [x], in die zin dat deze auto op naam wordt gesteld van de vrouw na betaling door de vrouw aan [x] van € 8.394,93;

4. te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op overmaking van een nader per datum van ontbinding van het huwelijk te berekenen geconverteerde pensioenafspraak en bepaalt, het hof verstaat: te bepalen dat de man de gegevens/bescheiden dient te verstrekken die [x] Pensioenadviseurs nodig heeft om een nieuwe berekening te vervaardigen;

5. de verdeling van de gemeenschap als volgt vast te stellen:

5.1 Toedeling aan de vrouw:

5.1.1. De voormalig echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] voor een waarde van € 680.670,-;

5.1.2 De hypothecaire geldlening bij [x] verbonden aan de echtelijke woning met een waarde van -/- € 90.756,-;

5.1.3 De inboedel van de woning in Spanje met een waarde van € 68.067,-;

5.1.4 De grond in Spanje met een waarde van € 96.480,-;

5.1.5 De [x]-rekening met nummer [x] met een saldo op de peildatum van € 8.757,-;

5.1.6 De helft van de polis kapitaalverzekering bij [x] met nummer 7430826, welke polis een totale waarde heeft van € 68.467,-;

5.1.7 De belastingschuld van de vrouw, groot -/- € 10,-;

5.2 Toedeling aan de man:

5.2.1 Het eigen vermogen van [x] na aftrek van de (latente) belasting groot € 1.152.699,-;

5.2.2 De [x]-rekening met nummer [x] met een saldo op de peildatum van € 4.880,-;

5.2.3 De [x]-rekening met nummer [x] met een saldo op de peildatum van € 2.163,-;

5.2.4 De catamaran met een waarde van € 39.706,-;

5.2.5 De schenking [x], groot -/- € 21.906,-;

5.2.6 De [x]-rekening met nummer 693610069 met een saldo op de peildatum van € 81.301,-;

5.2.7 De [x]-rekening met nummer 677560036 met een saldo op de peildatum van € 30,-;

5.2.8 De [x]-rekening met nummer [x] met een saldo op de peildatum van € 5.584,-;

5.2.9 De [x]-rekening met nummer [x] met een saldo op de peildatum van € 5.796,-;

5.2.10 De helft van de polis kapitaalverzekering bij [x] met nummer 7430826, welke polis een totale waarde heeft van € 68.476,-;

5.2.11 Alle overige polissen, bij partijen genoegzaam bekend, met een totale waarde van € 111.986,-;

5.2.12 De effecten in privé met een totale waarde op de peildatum van € 40.562,-;

5.2.13 De betaling [x] inzake meubels d.d. 19 juni 2001”, groot -/- € 7.625,-;

5.2.14 De betaling [x] inzake meubels d.d. 30 augustus 2001”, groot -/- € 7.581,-;

5.2.15 “vaartuigen” met een waarde van € 3.403,-;

5.2.16 (het restant na aflossing uit de dividenduitkering van) de rekening courant-schuld van [x], groot € 2.338,-;

5.2.17 De belastingschuld van de man, groot -/- € 11.518,-;

5.2.18 Woning in Spanje met een waarde van € 680.670,-;

6. te bepalen dat de man de hypothecaire lening bij [x], groot € 272.268,12,-, waarmee de woning in [woonplaats] is belast en de rekening-courantschuld van de man aan [x], groot € 102.100,54, zal aflossen uit de dividenduitkering van € 499.158,23;

7. te verstaan dat de man, nadat de echtscheiding tot stand is gekomen, zal zorg dragen voor genoemde dividenduitkering en genoemde aflossing, uiterlijk op de datum van het passeren van de hierna te noemen notariële aktes;

8. te bepalen dat binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een notariële akte wordt verleden in Spanje, waarbij de onroerende zaak te [adres], met onroerend zaak nummer [x] aan de man zal worden geleverd en dat voorts binnen een maand na het verlijden van de notariële akte in Spanje een notariële akte, dan wel akten in Nederland dient/dienen te worden verleden waarbij de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] aan de vrouw wordt geleverd en de aandelen van de vrouw in [x] aan de man;

9. te bepalen dat de kosten van de overdracht van de echtelijke woning voor rekening van de vrouw zijn;

10. te bepalen dat de inmiddels door de man betaalde declaraties van de accountant ter zake van de verdelingsvoorstellen ad circa € 10.000,- voor rekening blijven van de man, zonder nadere verrekening;

11. de man te veroordelen tot het verlenen van alle noodzakelijke medewerking aan het stand brengen van de in deze beschikking vastgestelde verdeling;

12. een onzijdig persoon te benoemen, om de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen te beheren;

13. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van alle noodzakelijke medewerking aan het tot stand brengen van de in deze beschikking vastgestelde verdeling;

14. een onzijdig persoon te benoemen, om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen zij mocht ontvangen te beheren;

15. de man te veroordelen, ten titel van overbedeling, aan de vrouw een bedrag te betalen van € 659.640,- uiterlijk op de datum van de in Nederland te passeren aktes.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt in het principaal appel - uitvoerbaar bij voorraad - de man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen; en

in het incidenteel appel:

a. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is beslist dat de in Spanje te betalen latente belasting over de verkoopwinst van de woning in Spanje niet wordt meegenomen bij de verdeling, en, opnieuw beschikkende, zonodig onder verbetering van gronden, de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen op de door de rechtbank vastgestelde wijze en de man te veroordelen om aan de vrouw ter zake overbedeling een bedrag te voldoen van € 12.650,-, met opneming in de beschikking van de vermogensverdelingstaat van 14 juli 2005 (productie 5 bij het inleidend verzoekschrift);

b. te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op overmaking van een nader per datum van ontbinding van het huwelijk te berekenen geconverteerde pensioenaanspraak en de man te veroordelen tot het verstrekken van de gegevens/bescheiden die een pensioendeskundige van [x] Pensioen Juristen ([adres]) nodig heeft om een nieuwe berekening te vervaardigen.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof hetgeen de vrouw in incidenteel appel sub a verzoekt, af te wijzen en, het hof verstaat: terwijl, hij zich refereert aan hetgeen zij sub b verzoekt.

5. De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard onder meer ter zake de vaststelling van de verdeling, aangezien geen der partijen hierom heeft verzocht, zodat de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. De man meent ernstig in zijn belangen te zullen worden geschaad als de vrouw tot executie overgaat, en voelt zich derhalve gedwongen appel in te stellen tegen de echtscheiding zelf, om zo zijn rechten te kunnen waarborgen.

In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat de afspraak van begin 2001 tot verkoop van de woning in Spanje aan de zoons niet enkel een afspraak tussen de man en de zoons betrof, hetgeen zij beargumenteert met, casu quo afleidt uit het feit dat de vrouw een zelfstandig belang had bij deze afspraak. Volgens de man heeft het feit dat iemand zelfstandig belang heeft bij een afspraak tussen derden, niet tot logisch gevolg dat deze ook partij wordt bij de desbetreffende afspraak.

In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte zijn stelling passeert dat hij de vrouw mondeling en schriftelijk heeft medegedeeld dat hij niet langer bereid zou zijn het huis in Spanje aan de zoons te verkopen, indien de problemen tussen hem en de zoons niet opgelost zouden worden. Immers, de man heeft in eerste aanleg aangeboden correspondentie uit het vroege voorjaar 2001 dienaangaande over te leggen. Ook uit de fax van de man aan de vrouw van 26 maart 2001 blijkt dat de man niet langer bereid was het huis in Spanje aan de zoons te verkopen. De man verwijst tevens naar de conceptconvenanten van 26 maart 2002 en 4 september 2002 waarin verschillende varianten ter zake de Spaanse woning zijn opgenomen.

In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat aan zijn argumenten niet zoveel gewicht kan worden toegekend dat hij niet langer gehouden zou zijn aan afspraken met de vrouw. Volgens de man gaat de rechtbank met name ten onrechte en ongemotiveerd voorbij aan het belang van de man ter zake van het gebruik van de woning in Spanje en evenzo aan het belang aangaande zijn recht uit de overeenkomst van 25 januari 2001, dat bij verkoop aan de zoons de man een gestaffeld aandeel in de verkoopopbrengst zou verkrijgen ingeval de zoons binnen 10 jaar de woning zouden verkopen, terwijl beide belangen en rechten de man impliciet worden ontnomen waar de rechtbank oordeelt dat de woning in Spanje aan de zoons moet worden verkocht. Volgens de man is er geen sprake van afwijking van afspraken als de woning aan hem wordt toegedeeld. Hij stelt voorts dat er nimmer wilsovereenstemming heeft bestaan omtrent de Spaanse woning. De man sluit aan bij het Haviltex-criterium en stelt dat - voor zover in het eerste conceptconvenant zou zijn opgenomen dat de woning in Spanje aan de zoons zou worden verkocht - deze overeenkomst dient te worden verworpen aangezien zowel de zoons als de vrouw op de hoogte waren van de afspraken van 25 januari 2001 tussen de man en de zoons en de latere vaststellingsovereenkomst tussen de man en de zoons. Tot slot stelt de man dat de vrouw zelf een aantal met de man gemaakte afspraken niet is nagekomen, hetgeen door de vrouw wordt betwist.

In zijn vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte, althans volstrekt overbodig de vrouw voorlopig een uitkering tot levensonderhoud heeft toegekend ten laste van de man van € 2.710,-. Immers, deze bijdrage is reeds in het kader van voorlopige voorzieningen bij beschikking van 21 juni 2005 vastgesteld.

In zijn zesde en laatste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte ten overvloede (slechts) heeft opgemerkt dat bij de verdeling van het vermogen van partijen de ontvangen alimentatie in mindering dient te worden gebracht op de eventuele rentevergoeding over het aan de vrouw toekomende vermogen. Volgens de man heeft de vrouw geen rentevergoeding gevorderd en is het daarom onbegrijpelijk en onterecht dat hieraan alsnog een rechtsoverweging wordt gewijd.

6. De vrouw stelt ter zake van de eerste grief van de man dat zij in haar inleidende verzoekschrift tot echtscheiding heeft verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat deze grief faalt. Bovendien is hoger beroep tegen een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding volgens haar niet mogelijk.

De vrouw stelt inzake de tweede grief van de man dat er wel degelijk sprake is van een overeenkomst van drie partijen. De rechtbank heeft, naar zij meent, dit terecht geconcludeerd op basis van het door haar vastgestelde feitencomplex en het feit dat een dergelijke overeenkomst eveneens volgt uit het convenant van 26 maart 2002, waarin de afspraak tot verkoop van de woning in Spanje aan de zoons onbetwist is vastgelegd, aldus de vrouw.

Ten aanzien van de derde grief van de man betwist de vrouw dat de man in maart 2001 niet langer bereid was het huis in Spanje aan de zoons te verkopen. Volgens de vrouw blijkt dit niet uit de door de man aangehaalde correspondentie. Zij stelt dat er tussen partijen volstrekte duidelijkheid bestaat over de verplichtingen uit de overeenkomst zoals vastgelegd in het conceptconvenant van 26 maart 2002.

Inzake de vierde grief van de man stelt de vrouw zich op het standpunt dat partijen nimmer hebben afgesproken dat de Spaanse woning aan de man zou worden toegedeeld. Mocht het hof echter van oordeel zijn dat deze woning niet aan de zoons dient te worden verkocht, dan is de meest gerede manier om recht te doen aan de gemaakte afspraken dat de woning aan haar wordt toegedeeld voor een bedrag van f 1.500.000,-, conform haar subsidiaire verzoek, aldus de vrouw. De vrouw betwist het door de man gestelde gebrek aan wilsovereenstemming omtrent verkoop van de woning in Spanje aan de zoons en verwijst hierbij naar de inhoud van de correspondentie die tussen de wederzijdse advocaten is gevoerd ná de voormelde fax van 26 maart 2001. Volgens de vrouw is de in oktober 2001 in correspondentie vastgelegde overeenkomst tussen partijen - waarvan de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons deel uitmaakte - volstrekt helder en duidelijk, zodat zij van de man nakoming van deze overeenkomst mag verwachten.

Ten aanzien van de vijfde grief van de man stelt de vrouw dat deze beslissing niet overbodig is. Zou de rechtbank deze alimentatie niet voorlopig hebben vastgesteld, dan zou de voorlopige alimentatie ingevolge artikel 826 lid 1 sub c Rv drie maanden na de datum van de beschikking zijn geëindigd, aldus de vrouw.

Nu van een vordering van betaling van rente geen sprake is, verwerpt de vrouw de zesde grief van de man.

Tot slot acht zij het onbegrijpelijk dat de man de woning in Spanje toebedeeld wil krijgen, doch de inboedel aan de vrouw wil laten voor f 150.000,-.

7. Het hof overweegt het volgende. De eerste grief van de man treft geen doel nu de vrouw, zoals zij stelt, in haar inleidend verzoek heeft verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de rechter bovendien ambtshalve hiertoe kan besluiten.

8. De tweede, derde en vierde grief van de man lenen zich voor gezamenlijke behandeling, daar zij alle zien op de vraag of er al dan niet een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of tussen partijen een bindende overeenkomst is ontstaan betreffende de verkoop van de woning in Spanje aan der partijen zoons. Ook bij de beantwoording van die vraag komt het (zoals de man met juistheid stelt) aan op de zin die partijen in de omstandigheden van het geval over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij dienaangaande redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit kader is het van belang om de diverse verklaringen en gedragingen te inventariseren en vast te stellen welke betekenis de partijen daar in de - eveneens te inventariseren - omstandigheden van het geval over en weer aan mochten toekennen.

9. De man stelt in zijn appelschrift dat partijen eind 2000 hebben gekozen voor “variant c”, in zijn oorspronkelijke uitwerking inhoudend dat het huis in Spanje naar de man zou gaan. Vervolgens echter heeft de man, zo stelt hij, het huis in Spanje op 25 januari 2001 in een zakelijke deal met zijn zoons betrokken, teneinde een win-win-win situatie te creëren, dat wil zeggen: een situatie die zowel de man, als de vrouw én hun zoons voordeel zou brengen. Volgens die deal zou het huis voor een bedrag van f 1.500.000,- aan de zoons worden verkocht, waarbij de verkoopopbrengst aan de vrouw zou toekomen. Voorwaarde voor de uitvoering van deze deal was - uiteraard - dat de vrouw daarmee akkoord zou gaan. Tussen partijen is in confesso dat aan die voorwaarde is voldaan, waardoor de betreffende “deal” onderdeel is gaan uitmaken van de afspraken tussen de man en de vrouw.

10. De man stelt vervolgens dat er reeds in maart 2001 (weer) problemen tussen hem en zijn zoons ontstonden en dat hij de vrouw reeds toen heeft medegedeeld dat, wanneer die problemen niet zouden worden opgelost, hij het huis in Spanje niet langer aan de zoons zou willen verkopen. De vrouw betwist dit. De man stelt voorts dat er ook tussen hem en de vrouw problemen ontstonden, inhoudende dat de vrouw weigerde om een afspraak, inhoudende dat zij haar medewerking zou verlenen aan de levering van een woning aan de man op 1 maart 2001, niet nakwam. De vrouw betwist ook dit. De man biedt aan op om dit punt de accountant van partijen te horen. Het hof gaat aan dit aanbod voorbij nu dit niet terzake dienend is. Immers, zoals blijkt uit de door de rechtbank op bladzijde 3 en 4 van de bestreden beschikking samengevatte correspondentie is - veronderstellenderwijs uitgaande van de door de man geschetste obstakels - nadien toch overeenstemming tussen partijen ontstaan, welke zijn sluitstuk vindt in de brief van de advocaat van de man van 24 oktober 2001.

11. Als gesteld en niet betwist staat vast dat de advocaat van de man vervolgens een convenant heeft opgesteld waarin tussen partijen gemaakte afspraken, waaronder de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons, zijn opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat de man op enig moment in deze cruciale fase een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de problemen tussen hem en zijn zoons. De man stelt dat niettemin geen overeenkomst tot stand is gekomen, nu de vrouw voormeld concept niet heeft getekend vanwege een eveneens opgenomen niet wijzigingsbeding met betrekking tot het nihilbeding inzake de alimentatie. De vrouw erkent dat zij het desbetreffende convenant om die reden niet heeft ondertekend. De vraag is dan of het ontbreken van overeenstemming over dit - nieuwe - element in de weg staat aan de conclusie dat in elk geval over de woning in Spanje tussen partijen overeenstemming bestond. De vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij het tot stand komen waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, is afhankelijk van de bedoeling van partijen, zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen. Vast staat dat de vrouw er, ook in de nadien gevolgde onderhandelingen en correspondentie, steeds vanuit is blijven gaan dat partijen overeenstemming hadden over de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons. Naar het oordeel van het hof mocht zij daar, gelet op de reeds op 24 oktober 2001 bereikte overeenstemming, ook vanuit gaan. Dat de man in het conceptconvenant een beding inbracht dat volgens hem voor de hand lag, maar kennelijk geen uitdrukkelijk onderdeel had uitgemaakt van de onderhandelingen tussen partijen, kan daaraan niet in de weg staan.

12. Ook het feit dat de man op 5 februari 2004 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met zijn zoons, waarin laatstgenoemden verklaren geen rechten geldend te zullen maken tegen hun vader tot verkoop en levering aan (één) van hen van de woning in Spanje, en waarin zij voor zover nodig uitdrukkelijk afstand doen van een door hun vader aan hen toegekend recht de woning te kopen tegen een bepaalde waarde, kan niet afdoen aan de rechtskracht van de overeenkomst tussen de man en de vrouw, inhoudend dat zij de woning in Spanje voor een bedrag gelijk aan f 1.500.000,- aan hun zoons zullen verkopen.

13. Gelet op het voorgaande falen de grieven 2 tot en met 4 van de man. In aanvulling op het voorgaande geldt dat de klacht, dat de rechtbank geen doorslaggevende betekenis had mogen hechten aan de vaststelling dat de vrouw een zelfstandig belang had bij de afspraak tussen de man en de zoons, blijkens het voorgaande afstuit op het feit dat dit slechts één van de omstandigheden is die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of tussen de man en de vrouw op dit punt een overeenkomst tot stand is gekomen. Ten aanzien van het betoog, dat hem aldus zowel het gebruik van de woning in Spanje, als een gestaffeld aandeel in de eventuele verkoopopbrengst wordt ontnomen, geldt in de eerste plaats dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat dit het geval zal zijn. Het gaat hier immers om afspraken tussen de man en zijn zoons. Om deze laatste reden kunnen deze consequenties, indien zij zich al zouden voordoen, niet afdoen aan het bestaan en de rechtskracht van de overeenkomst tussen de man en de vrouw.

14. Voor zover de man ook in hoger beroep heeft willen betogen dat het vasthouden aan de overeenkomst met betrekking tot het huis in Spanje onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, verwerpt het hof dit betoog onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen op bladzijde 5, tweede en derde alinea van de bestreden beschikking.

15. Gezien het vorenstaande zal het hof, nu de zoons geen partij zijn bij deze procedure, het inleidende verzoek van de vrouw toewijzen als volgt. Het hof begrijpt het petitum aldus dat de vrouw verzoekt dat de man veroordeeld wordt tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning in Spanje aan der partijen zoons en bij gebreke daarvan dat zij gemachtigd wordt om die woning mede namens hem aan genoemde zoons te verkopen en leveren. Het hof zal dit verzoek, aldus gelezen, toewijzen.

16. Het hof oordeelt voorts dat de man geen belang heeft bij zijn vijfde grief, wat daar ook van zij, nu door de rechtbank geen ander bedrag aan partneralimentatie is vastgesteld dan het bij voorlopige voorziening bepaalde bedrag, hetgeen door de man ter terechtzitting is erkend.

17. De man heeft eveneens geen belang bij zijn zesde grief, nu hij uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden beschikking, waar deze spreekt van een eventuele rentevergoeding.

Echtscheiding

18. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen de echtscheiding, nu hij daartegen geen grief heeft aangevoerd.

Incidenteel appel

19. In haar eerste drie grieven in incidenteel appel stelt de vrouw zich - kort gezegd - op het standpunt dat de rechtbank inzake de waardering van de verkoopopbrengst betreffende de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons ten onrechte is uitgegaan van de vermogensopstelling van 3 juli 2001. Dit in verband met het feit dat in deze opstelling geen rekening is gehouden met de door de verkopers, in casu de man en de vrouw, verschuldigde latente belasting en de zogenaamde “plusvalia”. Deze kosten behoren volgens de vrouw voor rekening van de man en de vrouw te komen en kunnen niet worden gekwalificeerd als door de zoons te dragen ‘kosten koper’, zoals de rechtbank heeft overwogen. De vrouw is derhalve van mening dat de in Spanje verschuldigde winstbelasting ad € 64.061,- en de “plusvalia” ad € 3.300,- alsnog in de verdeling dienen te worden betrokken, zodat de netto verkoopopbrengst van de woning ad € 613.309,32 bedraagt. Op grond van het voorgaande stelt de vrouw dat de gemeenschap niet verdeeld dient te worden conform het door de rechtbank aan de bestreden beschikking gehechte verdelingsvoorstel van 16 september 2004, waarin geen rekening is gehouden met de latente belasting en de “plusvalia”, maar conform de vermogensopstelling van 14 juli 2005 waarin daarmee wel is gerekend. De zoons dienen hierbij in hun hoedanigheid van kopers wél de overdrachtsbelasting en de notariskosten, tezamen een bedrag van € 49.646,92, te dragen, aldus de vrouw. Bij brief gedateerd 22 februari 2007 en ingekomen bij het hof op 23 februari 2007 heeft de vrouw nadere informatie overgelegd betreffende de belastingvorderingen. Daaruit volgt dat € 29.327,12 en € 4.100,- verschuldigd zullen zijn en dat de netto verkoopopbrengst derhalve € 647.243,- zal bedragen. Daarvan uitgaande dient de vrouw, conform de door haar bijgewerkte vermogensverdelingsstaat, een bedrag van € 9.512,- aan de man te betalen. In haar vierde en laatste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man gegevens dient te verstrekken aan [x] pensioenadviseurs, aangezien dit bureau inmiddels is opgegaan in [x] Pensioen Juristen.

20. De man stelt dat de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons voor een bedrag van f 1.500.000,- kosten koper, deel uitmaakte van een pakket aan afspraken en dat hij er bepaalde voorwaarden aan had verbonden. Volgens de man is de vermogensopstelling van 14 juli 2005, in tegenstelling tot die van 16 september 2004, niet in opdracht van beide partijen gemaakt en heeft de rechtbank derhalve terecht de vermogensopstelling van 16 september 2004 aangehouden. Voorts stelt de man dat het in principe juist is dat in Spanje latente verkoopbelasting verschuldigd is, maar dat buitenlandse verkopers in de praktijk geen aangifte doen van de overwaarde. De man refereert zich aan de vierde grief van de vrouw.

21. Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de latente belastingvordering. Nu de man erkent dat deze belasting formeel is verschuldigd en hij de berekeningen van de vrouw dienaangaande niet betwist, dient het verschuldigde bedrag in de verdeling te worden betrokken. Immers, de door de verkopers verschuldigde winstbelasting en de “plusvalia” behoren naar hun aard niet tot de “kosten koper”. Gelet op het vorenstaande kan de verdelingsstaat van 14 juli 2005, zoals aangepast bij brief van 22 februari 2007, worden gehanteerd en aan deze beschikking worden gehecht. Voor zover de man met zijn stelling aangaande een geheel van afspraken en bepaalde voorwaarden inzake de verkoop van de woning in Spanje aan de zoons die afspraak wederom ter discussie beoogt te stellen, verwijst het hof naar het hierboven onder overweging 7 overwogene. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover het betreft de verstrekking van pensioengegevens door de man ten behoeve van de vrouw vernietigen en opnieuw vastleggen, nu partijen het hierover eens zijn.

22. De vrouw heeft in hoger beroep het hof verzocht diens beschikking in dit hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ofschoon de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, begrijpt het hof dat de bezwaren van de man zoals die gelden ten aanzien van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking mutatis mutandis ook hier aanwezig zijn. Gelet op de wederzijdse stellingen van partijen, zal het hof de belangen van partijen dienen af te wegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat de man niet, althans onvoldoende heeft aangegeven welke zijn belangen zijn om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet uit te spreken. De mededeling van de man dat een executie ingrijpende gevolgen zal hebben, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, maakt dat niet anders, nu daarmee aan het hof niet duidelijk wordt gemaakt de aard en de omvang van die gevolgen. Evenmin is aan het hof duidelijk geworden wat het voor de man betekent dat de executie moeilijk ongedaan gemaakt kan worden. Dit laatste geldt evenzeer de stelling van de man - indien al juist - dat het terugdraaien van de levering van de woning in Spanje op veel problemen zal stuiten. Ook het feit dat voor een overdracht aan der partijen zoons, de medewerking van laatstgenoemden vereist is, maakt dit niet anders. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Schorsingsverzoek

23. In geschil is in de zaak met rekestnummer 47-R-07: de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

24. De man verzoekt het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ter zake van de bij de bestreden beschikking aan de man opgelegde verplichting om mee te werken aan levering van de woning te Spanje aan de zoons van partijen, [zonen], te schorsen.

25. De vrouw bestrijdt zijn verzoek en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking af te wijzen.

26. De man stelt - kort gezegd - dat er in de onderhavige zaak sprake is van ingrijpende gevolgen van de executie door de vrouw van het door de rechtbank met betrekking tot de woning in Spanje bepaalde die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Op grond van de geldende jurisprudentie had de rechtbank deze omstandigheid mee dienen te wegen bij haar beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aldus de man.

27. Volgens de vrouw kunnen de gronden waarop de man schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking verzoekt, niet leiden tot toewijzing van zijn verzoek. Bovendien, zo stelt de vrouw, is zij niet doende de beschikking te executeren, zodat de man geen belang heeft bij de toewijzing van zijn verzoek.

28. Nu het hof de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verkoop en levering van de woning in Spanje aan der partijen zoons zal vernietigen en daar een andere, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beslissing voor in de plaats stelt, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek en zal het hof dit afwijzen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het de echtscheiding van partijen betreft;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin ten aanzien van de geconverteerde pensioenaanspraak van de vrouw is bepaald dat de man gegevens dient te verstrekken aan [x] pensioenadviseurs en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de man gegevens dient te verstrekken aan [x] Pensioen Juristen;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat met de in Spanje te betalen belasting over de verkoopwinst met betrekking tot de woning in Spanje geen rekening wordt gehouden bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt de verkoopopbrengst van de woning in Spanje in contanten op € 647.243,-, conform de aan deze beschikking gehechte, bij brief van 22 februari 2007 herziene verdelingsstaat van 14 juli 2005, en veroordeelt de vrouw ten titel van overbedeling aan de man te voldoen een bedrag van € 9.512,-;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de woning in Spanje aan de zoons van partijen dient te worden geleverd, en in zoverre opnieuw beschikkende: veroordeelt de man tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan het adres [adres] (Spanje) met het onroerende zaaknummer [x], voor een bedrag van € 680.670,- aan der partijen zoons, en, bij gebreke van zodanige medewerking, machtigt de vrouw die woning mede namens de man aan genoemde zoons te verkopen en te leveren voor gemelde koopsom;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

wijst af het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Tanja-van den Broek, Stille en Plaggemars, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2007.