Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6990

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
BK-06/00153
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking verkrijgingsprijs als bedoeld in art. 20c lid 3 Wet IB 1964 staat onherroepelijk vast. Art. 20i bedt een belastingplichtige geen recht herziening te verzoeken om te bewerkstelligen dat de verkrijgingsprijs op een hoger bedrag wordt vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/46.8 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

29 mei 2007

nummer BK-06/00153

UITSPRAAK

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de recht-bank ’s-Gravenhage van 27 april 2006, nummer AWB 05/5490, betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1 Ten aanzien van belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, een beschikking met dagtekening 4 december 2003 genomen waarbij de verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 20c, derde lid, juncto artikel 70c, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkom-stenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van de hierna te noemen aandelen is gehandhaafd op ƒ 200.000.

1.2 Het door belanghebbende tegen deze beschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar met veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten groot € 644.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 105. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 23 januari 2007. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting en de premieheffing voor het jaar 2000, kenmerk Hof BK-06/00154. Voor zover in die zaak stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige zaak te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvol-doende weersproken, het volgende vast.

3.1 Op 1 januari 1997 is belanghebbende houder van vier aande-len uitmakende tien percent in het kapitaal van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V.. Met ingang van genoemde datum vormt dit pakket een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a, derde lid, van de Wet. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 20i, eerste lid, van de Wet de verkrijgingsprijs van deze aandelen vastgesteld op

ƒ 100.000 en heeft vervolgens na bezwaar deze verkrijgingsprijs bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 17 december 1998, nader vastgesteld op het door belanghebbende bepleite bedrag van

ƒ 200.000. Tegen deze uitspraak is door belanghebbende geen rechtsmiddel aangewend.

3.2 Op 16 mei 2000 heeft belanghebbende de in 3.1 vermelde aandelen vervreemd en daarbij een opbrengst behaald van

ƒ 620.000.

3.3 Bij brief van 15 maart 2002 heeft belanghebbendes gemach-tigde aan de Inspecteur verzocht om met toepassing van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de verkrijgingsprijs te herzien en vast te stellen op ƒ 620.000. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur, met dagte-kening 4 december 2003, de in 1.1 vermelde (nieuwe) beschikking genomen en daarbij de verkrijgingsprijs gehandhaafd op

ƒ 200.000.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

In geschil is of belanghebbende ontvankelijk is in het bezwaar tegen de beschikking van 4 december 2003 en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, de verkrijgingsprijs terecht op

ƒ 200.000 is gehandhaafd. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend, terwijl de Inspec-teur deze vragen in tegenovergestelde zin beantwoordt. Voorts klaagt belanghebbende dat hij niet is gehoord tijdens de be-zwaarfase.

5. Conclusies van partijen

5.1 De conclusie van belanghebbende is primair dat de uit-spraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar dienen te worden vernietigd en dat de verkrijgingsprijs op ƒ 620.000 moet worden vastgesteld. Subsidiair dient de zaak te worden teruggewezen naar de Inspecteur.

5.2 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uit-spraak van de rechtbank.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Na het onherroepelijk worden van de uitspraak op bezwaar van 17 december 1998 staat de verkrijgingsprijs van de aandelen rechtens vast, zulks behoudens de mogelijkheid van herziening op de voet van artikel 20i, tweede lid, van de Wet. Het is hierbij niet van belang dat in bedoelde uitspraak ten onrechte staat vermeld dat het een beschikking op grond van artikel 20i, eerste lid, van de Wet betreft. Belanghebbende is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

6.2 Het tweede lid van artikel 20i van de Wet geeft aan de inspecteur de mogelijkheid de verkrijgingsprijs te herzien ingeval deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Voor een herziening moet aan dezelfde voorwaarden zijn voldaan als voor navordering. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, ver-leent genoemd wetsartikel niet aan een belastingplichtige een recht om herziening te vorderen. Alleen met toepassing van artikel 65 AWR en het daarop gestoelde beleid kan een eenmaal onherroepelijk vaststaande verkrijgingsprijs door de inspecteur worden verhoogd. Hierbij is geen ruimte voor een toetsing door de belastingrechter behoudens indien en voor zover bij de uit-voering van bedoeld beleid toepassing van enig beginsel van behoorlijk bestuur aan de orde zou zijn. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.

6.3 De mededeling in de brief van de Inspecteur van 4 december 2003, in antwoord op de brief van belanghebbende van 15 maart 2002, dat sprake is van een beschikking in de zin van artikel 20i, eerste lid, van de Wet en de daarin opgenomen rechtsmid-delverwijzing zijn derhalve onjuist. Zulks neemt niet weg dat, nu belanghebbende deze brief kennelijk heeft opgevat als een voor bezwaar vatbare beschikking en zulks, gelet op de vorm en inhoud daarvan, redelijkerwijs ook heeft kunnen en mogen doen, de mogelijkheid van bezwaar open staat (vergelijk HR 1 maart 2000, nr. 35 041, LJN: AA4984, BNB 2000/171*.) De rechtbank heeft belanghebbende derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar en in zoverre is het hoger beroep gegrond. Het beroep dat belanghebbende in dit kader op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, behoeft geen behandeling meer.

6.4 Aangezien, zoals is overwogen in 6.1 en 6.2, de verkrij-gingsprijs onherroepelijk vaststaat en aan belanghebbende rech-tens niet de mogelijkheid toekomt een verhoging daarvan in een procedure voor de belastingrechter te vorderen, is het hoger beroep voor het overige ongegrond.

6.5 Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende in de aan-vulling op het bezwaarschrift heeft verzocht te worden gehoord. De Inspecteur heeft hieraan geen gevolg gegeven en hij heeft hiervoor in beroep en hoger beroep geen omstandigheden aange-voerd welke zouden kunnen leiden tot een afwijking van de ver-plichting van belanghebbende te horen. In de gedingstukken kan geen aanwijzing worden gevonden dat belanghebbende hierdoor is geschaad. Hij heeft zulks ook niet gesteld. Het Hof neemt hier-bij in aanmerking dat de in geschil zijnde beschikking formele rechtskracht heeft verkregen en het een gebonden beschikking betreft. Het Hof zal op grond van vorengenoemde omstandigheden niet tot terugwijzing overgaan. Wel ziet het Hof in de schen-ding van de hoorplicht aanleiding aan belanghebbende een extra bedrag aan proceskostenvergoeding, groot € 1.000, toe te ken-nen.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbin-ding met artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, zou er toe lei-den dat deze kosten zouden worden vastgesteld op € 966 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de hoger beroepsproce-dure (2 punten à € 322 maal 1,5 (gewicht van de zaak)). Gelet op hetgeen in 6.4 is overwogen, bedraagt de proceskostenvergoe-ding derhalve € 1.966.

7.2 Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- handhaaft de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.966, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechts-persoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast die rechtspersoon aan belanghebbende een bedrag van € 142 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Savelbergh,

Van Knobelsdorff en Van den Steenhoven. De beslissing is op

29 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Postema) (Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.