Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6795

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
C05/1123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, vordering uit arbeidsongeval tegen inlener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 11 mei 2007

Rolnummer: 05/1123

Zaak/rolnr. rechtbank: 79427 / HA ZA 97-1664

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

DOK-EN WERFMAATSCHAPPIJ WILTON FIJENOORD B.V.,

gevestigd te Schiedam,

appellante,

hierna te noemen: WF,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[Partij A],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [Partij A],

procureur: aanvankelijk mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk.

Het geding

Bij exploot van 18 mei 2005, hersteld bij exploot van 13 juni 2005, is WF in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 februari 2005, door de rechtbank Rotter¬dam gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft WF onder overlegging van twee producties negen grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft [Partij A] de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 2 van het tus¬sen¬vonnis van 9 november 2000 zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger be¬roep niet worden bestreden.

2. Het gaat, kort samengevat, om het volgende.

2.1 [Partij A] is op 6 juni 1992 een bedrijfsongeval overkomen, waarbij hij gewond is aan zijn rechterknie. Ten tijde van het ongeval was [Partij A] als lasser in dienst bij de buitenlandse vennootschap [X], gevestigd te [plaats], met een nevenvestiging in Rotterdam. [Partij A] was echter tewerkgesteld bij, dan wel uitgeleend aan, WF, om laswerk te verrichten aan boord van het motorschip […] dat ter reparatie in een dok van […] lag. Het ongeval gebeurde aan boord van het schip. Bij het ongeval waren geen getuigen aanwezig.

2.2 WF had in verband met de werkzaamheden een zogenoemde project- of afdelingsbaas aangesteld, die geregeld kwam kijken maar niet permanent toe¬zicht hield. Een voorman van WF was wel steeds op de werkplek. Deze gaf in¬struc¬ties aan de lassers voor wat betreft de door hen uit te voeren werkzaam¬heden.

2.3 Van het ongeval is door de afdeling beveiliging van WF een zogenaamd dag- en nachtrapport opgemaakt, verder te noemen het dag- en nachtrapport. In dit rapport staat:

“No. 158/92 van zaterdag 6 juni 1992

13.10 uur Ongeval Via de alarmlijn meldt brandwacht [B], dienstdoende aan boord van het [motorschip]”, dat zich een ongeval heeft voorgedaan. [C] en [D] , begeven zich aan boord. [D] rapporteert: “Terplaatse gekomen hoorde ik het slachtoffer dat opgaf te zijn: [Partij A],. oud 33 jaar, van beroep lasser, in dienst van [X] en als zodanig tewerk gesteld bij WF. Hij verklaarde: “Ik wilde van een luikhoofd sb-zijde, afstappen. Ik stapte op de +/- 1 mtr. hoge kraanrail van het schip. Daardoor kwam ik ten val.” Door rappor¬teur werd geconstateerd , dat de knie ernstig gezwollen was. Naar aanleiding hier¬¬van is te 13.14 uur, een ambulance GGD besteld. Met behulp van de gewondenbak is [Partij A] van het dek naar de gereedstaande ambulance getrans¬porteerd waarna hij voor verdere behandeling is overgebracht naar het Schie¬land¬ziekenhuis. [E] (bedrijfsleiding) en [F](beveiliging) als¬mede [G] van [X] zijn in kennis gesteld. [G] zou de familie van [Partij A] in kennis stellen. [Partij A] droeg veiligheidsschoenen. Een onge¬val¬formulier is opgemaakt en zal worden toegezonden aan [H] en [I]. 15.25 uur Melding. Vanuit het Schielandziekenhuis wordt gemeld, dat de rechterknie van dhr. [Partij A] in het gips is gezet en dat hij per G.G.D. –ambulance naar zijn huisadres wordt vervoerd.”

2.4 De medische dienst van WF heeft een ongevalsrapport opgemaakt, verder te noemen het ongevalsrapport. Hierin onder “Beknopte omschrijving en plaats ongeval staat” vermeld: “tijdens het afstappen van luikhoofd aan boord van het [motorschip] op de rail van de dekkraan uitgegleden, vermoedelijk gescheurde knie¬band.”

2.5 Andere rapportages zijn destijds niet opgemaakt. Noch [X], noch WF heeft de arbeidsinspectie ingelicht omtrent het ongeval.

2.6 [Partij A] heeft veroordeling van WF tot betalen van de door het ongeval geleden schade gevorderd, op te maken bij staat. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Hiertegen is WF in hoger beroep gekomen.

3. De grieven hebben kennelijk ten doel het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4.1 Beide partijen hebben een verschillende visie over de toedracht van het on¬ge¬val. Volgens WF wilde [Partij A] van een luikhoofd afstappen, stapte hij op een 1 me¬ter hoge kraanrail, gleed hij uit en kwam hij ten val. Volgens [Partij A] kreeg hij opdracht twee pakketten elektroden mee te nemen naar zijn werkplek, moest hij daarbij gebruik maken van een steile muurtrap waarbij hij slechts gebruik van één hand had omdat hij in de andere hand elektroden vast¬hield, verloor hij zijn evenwicht en viel hij. Nu partijen een verschillende visie hebben op de toedracht van het ongeval, rust op WF de bewijslast van de door haar gestelde toedracht van het ongeval. Bij arrest van dit hof in deze zaak van 20 februari 2002 is geoordeeld dat het ziekte/ongevalsrapport 87/’92 en het dag- en nachtrapport d.d. 6 juni 1992, bezien in onderling verband en samenhang met het expertiserapport van 26 april 1995, voldoende bewijs opleveren om voorshands en behoudens tegenbewijs te kunnen aannemen dat [Partij A] op 6 juni 1992 tijdens het afstappen van het luikhoofd op de rails van de dekkraan ten val is gekomen. Het hof zal onderzoeken of WF, na door [Partij A] geleverd tegenbewijs, geslaagd geacht kan worden in het door haar te leveren bewijs.

4.2 De getuige [C] heeft verklaard, dat [Partij A] met gebarentaal duidelijk maakte dat hij van het luikhoofd naar beneden was gekomen op de kraanrail en vervolgens was uitgegleden, dat [Partij A] de stappen die hij daarbij gemaakt had, heeft aangewezen, dat het twee stappen zijn, vanaf de rand rondom het luik¬hoofd op de kraanrail en van de kraanrail naar het gangboord, dat hij op een of andere manier uit de gebaren van [Partij A] heeft afgeleid dat hij uitgegleden was op die kraanrail en dat hij zich geen Nederlands woord kan herinneren dat [Partij A] heeft gebruikt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van de getuige [C] te twijfelen. Het hof gaat dan ook van de juistheid van de verklaring van de getuige [C] uit.

4.3 Uit de verklaring van de getuige [C] kan worden afgeleid dat de passa¬ge uit het dag- en nachtrapport waarin staat dat [Partij A] een tussen aanhalings¬tekens vermelde verklaring heeft afgelegd, onjuist is. [Partij A] heeft deze verklaring niet afgelegd. Dit betekent dat door de verklaring van de getuige [C] volle¬dig tegenbewijs geleverd is tegen deze passage uit het dag- en nacht¬rapport.

4.4 Niet duidelijk is waar de beknopte omschrijving van het ongeval in het onge¬val¬srapport op gebaseerd is. Niet onwaarschijnlijk is dat deze beknopte omschrij¬ving gebaseerd is op de verklaring die [Partij A] volgens het dag- en nachtrapport zou hebben afgelegd. Nu WF niet heeft gesteld dat de beknopte omschrijving van het ongevalsrapport op iets anders is gebaseerd en zulks ook niet anders¬zins is gebleken, gaat het hof ervan uit dat de beknopte omschrijving in het onge¬valsrapport gebaseerd is op hetgeen [Partij A] volgens het dag- en nachtrapport zou hebben verklaard. Nu vast staat dat [Partij A] dit niet heeft verklaard, is volledig tegenbewijs geleverd tegen deze passage uit het ongevalsrapport. Nu niet gebleken is dat het expertiserapport van 26 april 1995 op iets anders is gebaseerd dan op het dag- en nachtrapport en op het ongevalsrapport, acht het hof ook volledig tegenbewijs tegen dit expertiserapport geleverd. Tevens acht het hof volledig tegenbewijs geleverd tegen het bewijs dat deze drie rapporten in onderling verband en samenhang opleveren.

4.5 WF heeft een beroep gedaan op de volgende omstandigheden:

a. [C] en [D] hebben uit de gebaren van [Partij A] afgeleid dat het ongeval zich heeft voorgedaan als door WF gesteld;

b. tussen de plaats waar [Partij A] is gevonden en de trap waarvan [Partij A] volgens hem is afgevallen, bevond zich een kraanrail en tussen deze kraanrail en de trap bevond zich enige afstand;

c. er zijn geen elektroden aangetroffen die [Partij A] volgens hem bij zich gehad zou hebben;

d. [Partij A] komt pas jaren later met zijn versie van de toedracht van het ongeval.

e. [Partij A] is naar zijn eigen verklaring om 12.30 uur aan het werk gegaan, terwijl hij om 13.10 uur is aangetroffen, zodat aannemelijk is dat hij van zijn werkplek terugkwam en niet op weg was naar zijn werkplek.

4.6 Naar aanleiding van deze omstandigheden overweegt het hof het volgende.

4.6.1 ad a. Volgens de verklaring van de getuige [C] heeft [Partij A] de stap¬pen aangewezen vanaf de rand rondom het luikhoofd op de kraanrail en vanaf de kraanrail naar het gangboord. Verder verklaart hij dat hij op een of andere manier uit de gebaren van [Partij A] heeft afgeleid dat [Partij A] is uitgegleden op de kraanrail. Uit de verklaring van de getuige [C] kan worden afgeleid dat de communi¬ca¬tie met [Partij A] geheel in gebarentaal heeft plaats gevonden. Verder heeft de getuige [C] verklaard dat zo’n kraanrail ook hartstikke glad is en die onder het vet zit. Het is zeer wel mogelijk dat [C] en [D] onder invloed van hun bekendheid met de gladheid van de kraanrail de gebaren van [Partij A] ver¬keerd hebben geïnterpreteerd.

4.6.2 ad b. De getuige [C] heeft verklaard dat hij en [D] niet alleen [Partij A], maar ook nog 2 à 3 anderen aantroffen. Het is zeer wel mogelijk dat [Partij A], die alleen was toen het ongeval plaats vond, òf zich zelf heeft verplaatst om aan¬dacht te trekken, òf door anderen is verplaatst, voordat [C] en [D] arriveerden.

4.6.3 ad c. De getuige [C] heeft verklaard dat hij en [D] niet alleen [Partij A], maar ook nog 2 à 3 anderen hebben aangetroffen. Het is zeer wel mogelijk dat iemand anders de elektroden en de lasschoenen heeft verwijderd voordat [C] en [D] arriveerden.

4.6.4 ad d. Niet gesteld of gebleken is dat [Partij A], afgezien op de dag van het ongeval in gebarentaal, eerder dan een aantal jaren later in de gelegenheid is gesteld zijn versie van de toedracht van het ongeval te geven.

4.6.5 ad e. Uit de getuigenverklaring van [Partij A] blijkt absoluut niet dat hij om 12.30 uur aan het werk is gegaan. Hij heeft verklaard dat hij gelijk na de lunch naar zijn werkplek is gegaan – maar hij verklaart niet wanneer dat was – en hij heeft verklaard dat hij volgens zijn schatting zo’n 20 minuten om hulp heeft geroepen voordat mensen hem vonden.

4.6.6 Mede gezien het feit dat [Partij A] als getuige heeft verklaard dat de toedracht van het ongeval anders was, acht het hof, gelet ook op het voorgaande, WF niet geslaagd in de door haar gestel¬de toedracht van het ongeval. Dit betekent dat WF zich bij het aantonen dat zij haar verplichtingen uit art. 7:658 lid 1 BW is nagekomen, niet kan beperken tot het bewijs van het nakomen van op de aard van het ongeval toegespitste ver¬plich¬tingen.

5.1 Beoordeeld moet worden of WF voldaan heeft aan de verplichtingen als om¬schre¬ven in art. 7:658 lid 1 BW en of er geen causaal verband is tussen een e¬ven¬tueel gebrek aan zorg van WF en het plaats vinden van het ongeval.

5.2 WF heeft erop gewezen, dat de getuige [I] heeft verklaard, dat hij controleerde hoe de lassers werkten en of er een veilige toegangsweg tot het werk was etcetera en dat hij de lassers en projectbazen erop aansprak als hij constateerde dat de lassers de verkeerde weg terug namen. De getuige [I] heeft echter ook verklaard dat hij de bewuste zaterdag niet aanwezig was en [Partij A] heeft als getuige – door WF onbetwist – verklaard, dat hij die dag voor het eerst aan dat werk zou gaan werken. Verder heeft [Partij A] als getuige ver¬klaard dat hem nooit veiligheidsvoorschriften zijn gegeven en dat hij nooit een veiligheidsfunctionaris van WF heeft gesproken.

5.3 WF heeft er verder op gewezen dat de getuige [I] heeft ve¬r¬klaard, dat werknemers bij binnenkomst op het terrein van WF en na melding bij de afdeling beveiliging een toegangsbewijs kregen waarop een samenvatting van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften viel te lezen. [Partij A] heeft echter bij ge¬le¬genheid van zijn verhoor als getuige een toegangsbewijs getoond van 30 a¬pril 1992, waar op de achterzijde geen veiligheidsvoorschriften zijn gedrukt.

5.4 WF heeft er verder op gewezen dat de veiligheidsvoorschriften voor iedereen zichtbaar hingen in het kantoortje van de beveiliging en ook op de andere koffie¬punten. Echter is niet gesteld of gebleken, dat deze veiligheidsvoorschriften in een voor [Partij A] begrijpelijke taal zijn gesteld. Het plaatsen van deze veiligheids¬voorschriften was dan ook ten aanzien van [Partij A] niet effectief.

5.5 WF heeft verwezen naar producties C en D bij conclusie na enquête. Deze stukken dateren echter van na het ongeval. WF heeft geen enkele schriftelijke veiligheidsinstructie overgelegd die dateert van vòòr het ongeval.

5.6 Naar het oordeel van het hof heeft WF, buiten de ten aanzien van [Partij A] niet effectieve ophanging van veiligheidsvoorschriften in het kantoortje en de koffie¬punten, niet aangetoond dat zij enige veiligheidsinstructie aan [Partij A] heeft gege¬ven. Dat [Partij A] eerder die dag een veilige weg gewezen zou zijn, is niet gebleken. Daaruit volgt dat zij niet heeft bewezen dat zij voldaan heeft aan haar ver¬plich¬tingen als omschreven in art. 7:658 lid 1 BW. Nu WF niet heeft aangetoond dat zij [Partij A] enige effectieve veiligheidsinstructie heeft gegeven, heeft zij niet bewezen dat er geen causaal verband is tussen het niet geven van effectieve veiligheidsinstructie en het ongeval. De stelling dat [Partij A] de elektroden op het plateau had kunnen leggen alvorens de trap te beklimmen, is daartoe on¬vol¬doende. Het verwijt dat WF niet in de gelegenheid is gesteld het ontbreken van dit causaal verband te bewijzen, gaat niet op, aangezien zij bij arrest van het hof van 20 februari 2002 daartoe in de gelegenheid is gesteld. Het hof zal WF niet toelaten tot nadere bewijslevering, aangezien haar aanbod niet voldoet aan de daaraan in dit geval, na bewijslevering in eerste aanleg, te stellen eisen.

6 Uit het bovenstaande volgt dat de beslissing van de rechtbank juist is. Hetgeen WF overigens in de grieven en de toelichting op de grieven aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal WF als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep ver¬oor¬delen.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2005;

veroordeelt WF in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Partij A] begroot op € 1.185,-, waarvan € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, C.G. Beyer-Lazonder en Th.W.H.E. Schmitz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2007 in aanwezigheid van de griffier.