Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6763

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
05/1213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen onrechtmatige overheidsdaad. Onschuld van appellant is niet gebleken en niet gezegd kan worden dat de verdenking jegens hem ten onrechte heeft bestaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 31 mei 2007

Rolnummer: 05/1213

Rolnr. rechtbank: 03-1662

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[Appellant],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. A.Th.M. ten Broeke.

Het geding

Bij exploot van 23 februari 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 november 2004, door de rechtbank te ’s-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] negen grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Staat bij memorie van antwoord (met een productie) zijn bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder “1-De feiten” een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is niet opgekomen en er bestaat tussen partijen ook geen geschil over, zodat deze feiten voor het hof als uitgangspunt dienen. Met inachtneming van die feiten en gezien hetgeen overigens uit de stukken is gebleken, gaat het in deze zaak in het kort om het volgende.

2. [Appellant] heeft de periode van 23 september 1999 tot 9 maart 2000 in voorlopige hechtenis doorgebracht, deels onder het regime van beperkingen. Hij werd ervan verdacht een zekere [aangeefster] door geweld of bedreiging met geweld tegen haar wil in een seksclub te hebben laten verblijven. De voorlopige hechtenis werd per 9 maart 2000 geschorst. [Appellant] is bij onherroepelijk vonnis van 9 juni 2000 vrijgesproken van hetgeen hem ten laste werd gelegd. Naast het feit waren waarvoor hij in hechtenis was genomen, waren dat twee andere feiten, bestaand uit bedreiging met geweld tegen genoemde [appellant] en bedreiging met geweld tegen een ander persoon.

3. In deze zaak vordert [appellant] op grond van onrechtmatige daad een schadevergoeding van € 15.882,30 ter zake van de dagen die hij in onrechtmatige detentie en beperkingen heeft doorgebracht, door hem aangeduid als materiële schade, en een bedrag van € 6.806,70 ter zake van stigmatisering door de onterechte tenlastelegging en zijn langdurig verblijf in detentie.

4. Na verweer van de Staat heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. [Appellant] komt daartegen op met zijn grieven.

5. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat als maatstaf gehanteerd dat de Staat alleen aansprakelijk is op grond van onrechtmatige toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen a) indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten of b) indien achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek – uit de einduitspraak of anderszins – blijkt dat de verdenking op grond waarvan de dwangmiddelen zijn toegepast, ten onrechte heeft bestaan. [Appellant] heeft geen bezwaar tegen deze maatstaf, maar betoogt (met zijn eerste grief) dat er nog een geval is waarin de Staat aansprakelijk kan worden gehouden, namelijk indien verzuimd wordt (tijdig) de noodzakelijke strafrechtelijke onderzoeken te (laten) doen.

6. Voor het hof dienen de onder a) en b) genoemde gevallen eveneens als maatstaf. Op het door [appellant] bepleite derde geval komt het hierna terug.

7. Met de tweede en derde grief brengt [appellant] naar voren dat er van meet af aan onvoldoende verdenking tegen hem is geweest. Hij vindt dat de Staat op veel te lichtvaardige gronden tot toepassing van de voorlopige hechtenis is overgegaan. Hij meent dat de toetsing in de strafrechtelijke procedure is tekortgeschoten omdat het onderzoek tekort is geschoten. Vanaf het allereerste begin is de geloofwaardigheid van de aangifte gering geweest en het onderzoek om de waarheid boven tafel te krijgen is niet voortvarend genoeg uitgevoerd.

8. De vraag of op grond van de aangedragen feiten jegens [appellant] een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging bestond en er dus sprake was van voldoende verdenking tegen hem, is in de strafrechtelijke procedure getoetst en bevestigend beantwoord, eerst door de rechter-commissaris en daarna (bij de gevangenhouding) door de rechtbank en na appel van [appellant] tegen het bevel tot gevangenhouding van de rechtbank ook nog door het gerechtshof in Den Bosch.

In deze procedure kan niet met vrucht worden betoogd dat deze rechterlijke instanties, die de aangifte kennelijk voldoende geloofwaardig hebben bevonden, daarmee een onjuiste beslissing hebben genomen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat de burgerlijke rechter toetst of de stafrechter een juiste beslissing heeft genomen. [Appellant] betoogt dat in zijn geval een uitzondering op dat beginsel moet worden gemaakt, maar wat hij daarvoor aanvoert zijn dezelfde omstandigheden als op grond waarvan hij betoogt dat van een redelijk vermoeden van schuld geen sprake is.

Deze beide grieven falen.

9. [Appellant] voert met zijn eerste grief aan, dat de duur van het onderzoek onaanvaardbaar lang is geweest. Hij klaagt erover dat er blijkbaar geen aanleiding is gezien om de aangeefster nader te horen en dat het vijf maanden heeft geduurd voordat zij andermaal is gehoord. [Appellant], die overeenkomstig het bepaalde in art. 208 Wetboek van Strafvordering zelf het recht had om de aangeefster als getuige op te geven en van dat recht kennelijk geen gebruik heeft gemaakt, kan er in deze civielrechtelijke procedure niet over klagen dat het verhoor niet eerder heeft plaatsgevonden.

10. Met de vijfde, zesde en zevende grief wil [appellant] ingang doen vinden dat achteraf van zijn onschuld is gebleken. Hij acht voldoende bewijs gelegen in het feit dat hij is vrijgesproken.

11. In het vonnis waarbij [appellant] werd vrijgesproken heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [aangeefster] haar werk als prostituee vrijwillig heeft aanvaard en dat niet is gebleken dat zij tegen haar zin in diverse clubs als prostituee werkte. Uit haar liefdesbrieven aan [appellant] is niet gebleken van enige dwang daartoe en toen [appellant] gedetineerd was, heeft zij haar werkzaamheden voortgezet, aldus nog steeds de rechtbank in haar vonnis. De rechtbank kwam tot de slotsom dat “geen sprake is van vrouwenhandel”.

Voor zover er bewijs was voor de bedreiging tegen [aangeefster] en een andere persoon, overwoog de rechtbank dat dat bewijs slechts is gebaseerd op de verklaringen van [aangeefster] en die ander, welke verklaringen volgens de rechtbank los van elkaar moesten worden gezien.

12. De voorlopige hechtenis is toegepast, zoals hiervoor reeds werd overwogen, in verband met de verdenking van – kort gezegd – het met geweld of bedreiging met geweld [aangeefster] dwingen tot prostitutie. Een strafrechtelijk element van dit feit is de subsidiair ten laste gelegde bedreiging met geweld van [aangeefster]. Dit is een feit waarvoor op zichzelf ook voorlopige hechtenis kan worden toegepast. De officier van justitie heeft de bedreiging niet als zelfstandig of subsidiair feit ten grondslag gelegd aan de vordering tot voorlopige hechtenis, maar in dat stadium van de strafrechtelijke procedure behoefde van hem ook niet verlangd te worden dat hij alle strafrechtelijke (subsidiair en meer subsidiair etc. ten laste te leggen) varianten die in het onderliggende feitencomplex besloten liggen, omschreef. Aangezien de rechtbank de bedreiging met geweld tegenover [aangeefster] (slechts) niet bewezen heeft geacht, omdat de enkele verklaring van [aangeefster] daarvoor onvoldoende is, kan niet worden gezegd dat van de onschuld van [appellant] is gebleken en dat de verdenking jegens hem ten onrechte heeft bestaan.

13. Ook anderszins is niet van zijn onschuld gebleken. [Appellant] biedt in dit verband bewijs aan door overlegging van het gehele stafdossier, maar dit is een onvoldoende gespecificeerd aanbod en het hof gaat daaraan voorbij. Deze grieven falen ook.

14. De achtste en negende grief hebben geen zelfstandige betekenis. Zij delen het lot van de overige grieven.

15. Aangezien alle grieven schipbreuk leiden, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd, bij welke uitslag een proceskostenveroordeling van [appellant] past.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van de Staat bepaald op € 680 aan griffierecht en op € 1.158 aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2007 in aanwezigheid van de griffier.