Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6752

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
C05/853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: geen kennelijk onredelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 25 mei 2007

Rolnummer: 05/853

Zaak/Rolnummer rechtbank: 552160-04-17067

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Partij A],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [Partij A],

procureur: mr. E. Kars,

tegen

1. [Partij B],

2. [Partij C],

3. [Partij D],

gevestigd respectievelijk wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen in enkelvoud: [Partij BCD],

procureur: mr. P.J.L.J. Duijsens.

Het geding

Bij exploot van 25 mei 2005 is [Partij A] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 maart 2005 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) zijn twee grieven opgeworpen, die door [Partij BCD] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het dossier van [Partij BCD] ontbreken stukken, die in verband met de comparitie van partijen aan de rechtbank zijn toegezonden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het vonnis van 2 maart 2005 heeft de rechtbank op pagina 2 bovenaan een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [Partij A] is op 11 januari 1988 bij [Partij BCD], een bloementeeltbedrijf, in dienst getreden. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 1.833,50 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.2 Het dienstverband is beëindigd per 1 januari 2004 na opzegging door gedaagden na toestemming van het CWI in verband met bedrijfsbeëindiging.

2.3 [Partij A] heeft in eerste aanleg gevorderd [Partij BCD] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een naar billijkheid te bepalen vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en de buiten rechte gemaakte kosten ad € 750,--.

2.4 De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.1 Grief I luidt: “Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis van 2 maart 2005 bij de beoordeling van het geschil overwogen: Dat geen financiële vergoeding is gegeven brengt op zich niet mee dat de gevolgen van het ontslag voor eiser te ernstig zijn in vergelijking met het belang van gedaagden.”

3.2 In de toelichting op grief I betoogt [Partij A], dat hetgeen de rechtbank allemaal overweegt, te weten dat [Partij A] in een vroeg stadium, al in maart 2003, bekend was met de aanvraag van de ontslagvergunning, dat de arbeids¬over¬een¬komst met een langere opzegtermijn is opgezegd dan vereist en dat een aanbod ter ondersteuning bij het krijgen van een andere baan is gedaan, juist mag zijn, maar dat de inspanningen van [Partij BCD] in geen enkele verhouding staan tot waarop [Partij A] aanspraak had kunnen maken bij een ontbinding van de ar¬beidsover¬een¬komst met toepassing van een neutraal berekende kantonrechters¬formule. Volgens zijn berekening komt deze berekening uit op € 32.672,97 bruto. De inspanningen van [Partij BCD] door [Partij A] drie maanden langer in dienst te houden en ondersteuning aanbieden bij het verkrijgen van een andere baan staan in geen enkele verhouding tot het toucheren van genoemd bedrag. Dit bedrag had aan hem toegekend dienen te worden als beëindigingsvergoeding. In dat licht is het onbegrijpelijk dat de rechtbank impliciet van mening is dat [Partij BCD] met de aangeboden vergoeding van € 400,-- per gewerkt dienstjaar een passende afvloeiingsregeling had aangeboden. [Partij A] had goede reden om een dergelijk mager aanbod niet te accepteren.

3.3 Uit de toelichting op deze grief begrijpt het hof, dat [Partij A] zich op het standpunt stelt, dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, omdat hem geen beëindigingsvergoeding is gegeven gelijk aan het bedrag van € 32.672,97 dat hij volgens zijn berekening gekregen zou hebben indien de arbeidsovereenkomst door de rechter ontbonden zou zijn. Dit standpunt is onjuist. Het staat een werkgever vrij, in geval hij de arbeidsovereenkomst met een werknemer wenst te beëindigen, te kiezen tussen het aanvragen van een ontslagvergunning bij de CWI en het indienen van een verzoek tot ontbinding bij de rechtbank. Het kiezen voor de weg via de CWI en het vervolgens opzeggen van de arbeidsover¬een¬komst zonder aanbieding van het bedrag dat mogelijk door de rechtbank aan de ontbinding zou zijn verbonden, maakt de opzegging niet reeds daarom kennelijk onredelijk. De grief faalt.

4.1 Grief II: “Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis d.d. 2 maart 2005 overwogen: Gedaagden hebben eiser voldoende aanbiedingen en voorzieningen geboden bij de beëindiging van het dienstverband. Eiser heeft (het hof leest:) daar om hem moverende redenen geen gebruik van gemaakt. Gelet op het bovenstaande kan het ontslag niet kennelijk onredelijk worden geoor¬deeld. De vordering zal worden afgewezen en eiser zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.”

4.2 In de toelichting op deze grief voert [Partij A] aan, dat de door [Partij BCD] geboden aanbiedingen en voorzieningen niet opwegen tegen hetgeen waarop [Partij A] redelijkerwijze aanspraak had moeten krijgen. De kantonrech¬tersformule is vanuit de kring van kantonrechters zelf opgesteld met het oog op een redelijke en billijke oplossing voor de ontslagproblematiek. Waar noch aan werkgever noch aan werknemer een verwijt valt te maken, is het niet meer dan logisch dat de werknemer schadeloos wordt gesteld voor het verliezen van zijn inkomsten. Dat nu is in deze zaak nauwelijks gedaan, aldus [Partij A].

4.3 Het hof stelt voorop, dat de aanbevelingen voor procedures ex artikel 7:685 BW van de Kring van Kantonrechters, de zogenaamde kantonrechters¬formule, betrekking hebben op ontbindingsprocedures en niet opgesteld zijn voor andere ontslag- dan wel opzeggingszaken. Zoals bij grief I reeds is overwogen, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting, dat het niet aanbieden van het bedrag dat mogelijk de uitkomst geweest zou zijn in geval een ontbindingsproce¬dure zou zijn gevoerd, de opzegging kennelijk onredelijk maakt. Evenzo vindt de stelling, dat een werknemer in geval van een (volgens de regels gedane) opzeg¬ging schadeloos voor het verlies van zijn inkomsten dient te worden gesteld en dat bij het achterwege blijven hiervan, de opzegging kennelijk onredelijk is, geen steun in het recht. Overigens zal [Partij A] niet al zijn inkomsten verloren heb¬ben. Aangenomen mag toch worden dat hij een WW-uitkering heeft ontvan¬gen voor de, naar vast staat, drie maanden dat hij zonder werk was.

4.4 Bij een vordering op grond van kennelijk onredelijke opzegging, in dit geval gebaseerd op lid 2 b van artikel 7:681 BW, dienen alle omstandigheden van het geval te worden bezien. De volgende omstandigheden staan tussen partijen vast. Het gaat hier om een werknemer, die ten tijde van de uitdienst¬treding 40 jaar oud was en bijna 16 jaar bij zijn werkgeefster had gewerkt. Er is hem in maart 2003 medege¬deeld dat het bedrijf aan het eind van dat jaar zou worden beëindigd en dat een ontslagvergunning zou worden aangevraagd. Deze vergunning is in juni 2003 verleend. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 de¬cem¬ber 2003 en niet per 30 september 2003, zodat daarmee een langere opzeg¬termijn in acht is genomen dan vereist was. Door [Partij BCD] is in juni 2003 aan [Partij A] een aanbod gedaan tot ondersteu¬ning bij het verkrijgen van een andere baan (outplacement). [Partij A] is hier niet op inge¬gaan. [Partij BCD] heeft zich ingespannen [Partij A] elders aan het werk te krijgen. [Partij A] heeft dit geweigerd. De rechtbank heeft overwogen dat sprake was van een ruim aanbod van vacatures. [Partij A] heeft hier niet tegen gegriefd, zodat ook dit tussen partijen vast staat. Voorts is hem een vergoeding aangeboden van € 400,-- bruto per gewerkt jaar. [Partij A] heeft dit aanbod van de hand gewezen. Hem is aangeboden om tot mei 2004 op de loonlijst van [Partij BCD] te blijven staan, hoewel het bedrijf toen al was beëindigd. [Partij A] heeft dit geweigerd. Deze omstandig¬heden brengen naar het oordeel van het hof niet mee dat de gevolgen van de opzegging voor [Partij A] te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van [Partij BCD] bij de opzegging. Van kennelijk onredelijk ontslag is geen sprake. Ook grief 2 faalt.

5. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [Partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 2 maart 2005 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt [Partij A] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Partij BCD] begroot op € 1.402,-- (waarvan € 244,-- voor griffierecht en € 1.158,-- voor salaris procureur);

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, C.G. Beyer-Lazonder en J.W. van Rijkom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2007 in bijzijn van de griffier.