Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6663

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
1535-D-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang, kinder- en partneralimentatie. Omgang: een verzoek tot vaststellen van een gedetailleerde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is. Alimentatie: behoefte, kinderen en vrouw en draagkracht man leiden ertoe dat de man geacht kan worden de met de behoefte van de kinderen sporende alimentatie te voldoen. Draagkracht om aanvullend partneralimentatie te betalen, ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 mei 2007

Rekestnummer. : 1535-D-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 04-8474

[appellant],

wonende te Papendrecht,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. C.N.M. Otto,

tegen

[verweerster],

wonende te Dordrecht,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J.C. Meijroos.

Als belanghebbende is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 november 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 2 augustus 2006.

De vrouw heeft op 20 december 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 19 januari 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 27 november 2006, 6 maart 2007 en 9 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 29 januari 2007 laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen. Bij voornoemde brief heeft de raad zijn raadsrapport van 20 juni 2006 gevoegd.

Op 16 maart 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.H. Silfhout, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.R. Dill. Namens de raad is verschenen de heer H.J. Ramstijn. Partijen en hun raadslieden en de raad hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, de beschikking van 27 juli 2005 en de herstelbeschikking van 11 oktober 2006 van de rechtbank te Dordrecht. Bij de bestreden beschikking in onder meer een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld, een kinderalimentatie van € 300,- per maand en een alimentatie ten behoeve van de vrouw van € 880,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige, geboren in]i 2001, verder: [de minderjarige], die bij de moeder verblijft. Voorts is in geschil de door de man te betalen kinderalimentatie en de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog te bepalen dat:

a. [de minderjarige] wekelijks van zondagmorgen 09.00 uur tot woensdagmiddag 12.00 uur bij de man zal zijn;

b. onder de vakantieperiode wordt verstaan, de vakantiedagen zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids, zijnde de dagen gelegen tussen de weekenden in, waarbij de regeling ten aanzien van de weekenden doorloopt;

c. [de minderjarige] in de even jaren tijdens schoolvakanties zonder officiële feestdagen, te weten: de herfstvakantie, de voorjaars- en meivakantie van maandag 09.00 uur tot woensdag 13.00 uur bij de vrouw verblijft en van woensdag 13.00 uur tot einde vakantie bij de man en in de oneven jaren andersom;

d. ten aanzien van de schoolvakanties met officiële feestdagen, te weten: de Kerst-, Paas- en Pinkstervakantie, [de minderjarige] in de even jaren op de eerste officiële feestdag zijnde kerstdag, Paasdag en Pinksterdag van 09.00 uur tot 09.00 uur de volgende dag bij de vrouw verblijft en in de oneven jaren andersom;

e. voor de overige vakantiedagen verzoekt de man het hof te bepalen dat [de minderjarige] in de even jaren, de eerste helft hiervan bij de vrouw verblijft en de tweede helft bij de man en dat deze regeling in de oneven jaren andersom geldt;

f. ten aanzien van de verjaardagen van beide ouders [de minderjarige] bij de verjaardag hebbende/vierende ouder zal verblijven, de dag voorafgaand aan de eigenlijke verjaardag van 18.30 uur tot daags na de verjaardag 09.00 uur;

g. ten aanzien van moederdag en vaderdag [de minderjarige] bij de man zal verblijven op vaderdag van 09.00 uur ‘s morgens tot 09.00 uur de volgende dag en datzelfde voor de moederdag bij de vrouw;

h. ten aanzien van de verjaardagen van naaste familieleden te weten: broer, zus, oma en opa, [de minderjarige] de verjaardag hiervan mag bijwonen op de datum van de verjaardag van 09.00 uur tot de volgende dag 09.00 uur;

i. het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie wordt afgewezen, althans de partneralimentatie met ingang van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van burgerlijke stand op nihil wordt gesteld;

j. subsidiair: bij toewijzing van alimentatie, deze in duur wordt beperkt tot maximaal zes jaar, te rekenen vanaf de datum inschrijving echtscheiding;

k. Aanvulling verzoek:

De man verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw gehouden is in het kader van de omgangsregeling aan de man, dan wel aan [de minderjarige] voldoende benodigdheden (kleding, schoeisel en dergelijke) mee te geven voor het verblijf bij de man;

l. althans een uitspraak te doen die het hof juist acht.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen, althans ongegrond te verklaren. Ten aanzien van de verzoeken sub d tot en met g refereert de vrouw zich aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het verzoek sub h, verzoekt de vrouw tevens te bepalen dat [de minderjarige] op de verjaardagen van haar tante (10 januari), haar nicht (11 mei), haar neef (7 september), haar oom (11 november), opa (26 juli) en oma (7 april) bij de vrouw verblijft.

In incidenteel appel verzoekt de vrouw te bepalen dat wat betreft de onderdelen B en C onder de vakantieperiode wordt verstaan, de vakantiedagen zoals te doen gebruikelijk, vanaf het sluiten van de school, althans het uitgaan van [de minderjarige], totdat zij weer naar school gaat, zonder dat de regeling als door de rechtbank vastgesteld in de bestreden beschikking, ten aanzien van de weekenden in deze perioden, doorloopt en te bepalen dat [de minderjarige] in de even jaren tijdens de schoolvakanties zonder officiële feestdagen, te weten: de herfst-, voorjaars- en meivakantie van de vrijdag, wanneer de schoolvakantie ingaat, tot woensdag 13.00 uur totdat [de minderjarige] weer naar school zal moeten gaan, bij de man en in de oneven jaren andersom.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof het door de vrouw ingestelde incidenteel appel af te wijzen, althans ongegrond te verklaren.

5. Kernpunten in het onderhavige geschil zijn de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige], de behoefte van [de minderjarige], de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Het hof zal het geschil per geschilpunt bespreken.

Omgangsregeling

6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof duidelijk geworden dat partijen een gedetailleerde omgangsregeling voorstaan. Namens de raad is ter zitting de zorg uitgesproken over de grote behoefte van partijen om alles tot in detail te regelen. De raad is van mening dat een goede omgangsregeling veel wijsheid, flexibiliteit en een goede communicatie vergt. Het belang van het kind dient daarbij voorop te staan en de rustige, stabiele omgeving van een kind mag niet verstoord worden. De raad ziet vooralsnog geen aanleiding om zijn advies te wijzigen.

7. Gezien de stellingen van partijen en gelet op het advies van de raad, zoals verwoord in zijn raadsrapport van 20 juni 2006, alsmede gelet op hetgeen de raad ter zitting naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat een gedetailleerde omgangsregeling zoals door elk van partijen wordt verzocht niet in het belang van [de minderjarige] is. Het hof is voorts van oordeel dat het belang van [de minderjarige] het meest gediend is bij de omgangsregeling zoals door de rechtbank is bepaald. Daarbij merkt het hof nog op dat het van belang is dat de ouders zich omwille van [de minderjarige] flexibel zullen opstellen en zich er voor inzetten de communicatie tussen hen te verbeteren.

8. Voor zover partijen in appel hun oorspronkelijke verzoeken ten aanzien van de omgangsregeling hebben aangevuld, oordeelt het hof dat deze verzoeken – gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7 is overwogen – moeten worden afgewezen.

De behoefte van [de minderjarige]

Netto gezinsinkomen

9. De man stelt dat de rechtank ten onrechte bij de berekening van het gezinsinkomen het inkomen van de vrouw heeft meegerekend. Hij voert hiertoe onder meer aan dat de vrouw tijdens het huwelijk slechts relatief korte tijd heeft gewerkt, en dat haar inkomen niet mede bepalend is geweest voor de huwelijkse welstand van partijen. Voorts stelt de man dat hij wegens tegenvallende bedrijfsresultaten met de fiscus afspraken heeft gemaakt over verlaging van zijn inkomen. Zijn inkomen is in overleg met de belastingdienst in 2005 en 2006 vastgesteld op een bedrag van € 31.000,- bruto per jaar. In 2006 is dit inkomen hetzelfde gebleven.

10. De vrouw stelt dat ingevolge de Tremanormen bij de berekening van het gezinsinkomen het inkomen van de vrouw mee dient te worden gerekend. Zij meent dat de rechtbank derhalve terecht het netto gezinsinkomen heeft bepaald op € 3.350,- per maand.

11. Ter zitting heeft de vrouw een tweetal bankafschriften ten name van I.S.E. Papendrecht B.V., beide uit april 2004, overgelegd, waaruit blijkt dat het loon van de man destijds € 3.240,-netto - naar het hof aanneemt per maand - bedroeg. Voor zover de vrouw hieraan de conclusie wil verbinden dat van dat netto inkomen van de man uitgegaan dient te worden voor het vaststellen van het netto gezinsinkomen, oordeelt het hof dat deze stelling faalt. Immers, de man heeft, door middel van het overleggen van een briefwisseling met de fiscus, de jaarstukken en de belastingaangiften en belastingaanslagen, genoegzaam aangetoond dat hij medio 2004 wegens tegenvallende bedrijfsresultaten zijn inkomen heeft moeten verlagen tot een bedrag van - in 2005 en 2006 - € 31.000,- bruto per jaar of € 1.871,- netto per maand. Uit de jaarstukken blijkt dat de verliezen ten laste van het eigen vermogen en de overige reserves zijn gebracht. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich geen hoger inkomen kan toedelen. Het hof neemt derhalve een inkomen van € 31.000,- bruto per jaar of € 1.871,- netto per maand in aanmerking.

12. De vrouw heeft verder gesteld dat zij tijdens het huwelijk inkomsten als zangeres ontving, zodat volgens de vrouw het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk door de rechtbank terecht op € 3.350,- is gesteld. De man heeft gemotiveerd betwist dat de optredens van de vrouw als zangeres een substantieel inkomen opleverden. Volgens de man was de opbrengst van de optredens gelijk aan de kosten.

13. Het hof is - mede gelet op het gemotiveerde verweer van de man - van oordeel dat de vrouw haar stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, om te kunnen oordelen dat haar inkomsten uit haar optredens als zangeres een verhoging van de huwelijkse welstand opleverde. De vrouw heeft geen administratie in het geding gebracht waaruit haar inkomsten kunnen worden afgeleid, noch heeft de vrouw een specifiek aanbod gedaan ter zake haar inkomen uit optredens.

14. Het hof overweegt voorts dat uit de overgelegde jaaropgaven van de vrouw over 2004 volgt dat de vrouw in dat jaar aantoonbaar enige inkomsten heeft genoten. Overige substantiële inkomsten van de vrouw gedurende het huwelijk zijn het hof niet gebleken. Het hof is van oordeel dat de inkomsten over de huwelijkse periode die wel bekend zijn, te gering zijn om een positieve invloed te hebben op de huwelijkse welstand van partijen. Derhalve laat het hof het inkomen van de vrouw – voor zover zij dat tijdens het huwelijk heeft genoten – buiten beschouwing.

15. Uitgaande van een netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van € 1.781,- per maand, volgt uit de in het rapport Kosten van Kinderen opgenomen tabel dat de kosten van het kind € 250,- per maand bedragen. De man heeft evenwel ter zitting te kennen gegeven dat hij bereid is een bedrag van € 300,- per maand voor [de minderjarige] te betalen. Nu deze kinderalimentatie overeenkomt met hetgeen de vrouw heeft verzocht en de rechtbank in de beschikking waarvan beroep heeft beslist, bekrachtigt het hof de bestreden beschikking op dit punt.

De behoefte van de vrouw

16. De man heeft ter zitting zijn stellingen ten aanzien van de behoefte van de vrouw nader aangevuld, in die zin dat hij thans tevens stelt dat de vrouw in eigen levensonderhoud kan voorzien.

17. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat zij veelvuldig solliciteert, maar dat het voor haar gelet op haar lage opleidingsniveau en gebrek aan werkervaring moeilijk is een baan te vinden. Bovendien, zo stelt de vrouw, is het hervatten van het optreden als zangeres niet mogelijk mede doordat zij geen rijbewijs heeft en zij en aldus niet of zeer moeilijk in staat is plaatsen te bereiken waar zij zou moeten optreden en heeft zij de zorg voor [de minderjarige].

18. Het hof acht het - gelet op alle feiten en omstandigheden - aannemelijk dat de vrouw voldoende pogingen heeft ondernomen een baan te vinden, maar dat dat door de door haar gestelde omstandigheden vooralsnog niet is gelukt. Het hof passeert derhalve de stelling van de man dat de vrouw geacht kan worden in eigen levensonderhoud te voorzien.

19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ligt thans de beoordeling van de hoogte van de behoefte van de vrouw voor. Ter zitting hebben beide partijen, daar naar gevraagd zijnde, verklaard dat wat betreft de vaststelling van de behoefte van de vrouw als uitgangspunt de zogenaamde 60%-regel gehanteerd dient te worden. Derhalve zal het hof conform die regel uitgaan van 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, onder aftrek van de kosten van [de minderjarige].

20. Zoals hiervoor reeds is overwogen bedroeg het netto gezinsinkomen in 2006 € 1.781,- per maand. De kosten van [de minderjarige] bedragen € 300,- per maand. Hieruit volgt dat de behoefte van de vrouw becijferd kan worden als hierna weergegeven:

€ 1.781,- -/- € 300,- x 60% = € 890,- per maand (afgerond)

Gebruteerd berekent het hof de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 1.350,- per maand.

De draagkracht van de man

21. Nu de man bereid is een kinderalimentatie van € 300,- per maand te betalen, heeft hij naar het oordeel van het hof, gelet op zijn inkomen en rekening houdend met de door hem opgevoerde lasten, onvoldoende draagkracht voor het betalen van partneralimentatie.

22. Het hof laat alle overige stellingen en weren van partijen onbesproken, aangezien deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

23. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige], alsmede ten aanzien van de kinderalimentatie;

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het zelfstandig verzoek van de vrouw in eerste aanleg ten aanzien van de partneralimentatie alsnog af;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Mulder, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2007.