Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6359

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
C05/648
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2005:AS8825, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH2619, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH2619
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: stress door werksituatie veroorzaakt? Zie ook AS8825 en LJN BA0761

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 117
JAR 2007/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 27 april 2007

Rolnummer: 05/648

Rolnummer rechtbank: 04/1876

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[PARTIJ A],

wonende te [X],

appellant,

hierna te noemen: [Partij A],

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

DOW BENELUX B.V.,

gevestigd te Hoek,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dow,

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Bij exploot van 15 april 2005 is [Partij A] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 januari 2005 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen partijen. [Partij A] heeft bij memorie van grieven tevens akte tot wijziging en vermeerdering van eis (met producties) drie grieven opgeworpen, die door Dow bij memorie van antwoord (eveneens met producties) zijn bestreden. [Partij A] heeft een akte uitlating producties tevens overlegging productie genomen en Dow een antwoordakte uitlating producties tevens overlegging productie. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [Partij A] (geboren op [in] 1946) is in 1968 in dienst getreden van Dow en heeft sindsdien verschillende functies bij Dow bekleed.

2.2 Begin jaren negentig van de vorige eeuw was [Partij A] werkzaam als Projectmanager Site Logistics te Terneuzen. Hij kreeg toen een functie aangeboden in het Dow International Service Center te Antwerpen. [Partij A] heeft deze functie, die meebracht dat hij vele internationale reizen moest maken in verband met de uitvoering van projecten, aanvaard.

2.3 In verband met die overplaatsing heeft Dow bij brief van 15 juli 1991 het volgende aan [Partij A] bevestigd:

"As already agreed with [X] and [Y] we hereby confirm you that your assignment in Antwerp as Senior Manufacturing Systems Specialist will be up for formal review after two years.

If necessary we will at that time honour the verbal agreement made with you to repatriate you back into the Dow Terneuzen organisation (…)"

2.4 Toen [Partij A] na twee jaar te kennen gaf terug te willen naar Dow Terneuzen, werd dit verzoek niet gehonoreerd met als argument dat terugkeer niet mogelijk was omdat de situatie was veranderd. Zijn standplaats bleef in België, laatstelijk had hij zijn kantoor in Edegem.

2.5 In de daarop volgende jaren is [Partij A] een aantal malen administratief overgeplaatst. Hij kreeg als gevolg van het werken op projectbasis te maken met frequente wisselingen van leidinggevenden (circa 19 wisselingen in 11 jaar). De leidinggevenden hebben geen functionerings- of beoordelingsgesprekken gevoerd met [Partij A], omdat binnen Dow het systeem geldt dat voor werknemers op het niveau van Functional Specialist/ Functional leader, zoals [Partij A], het systeem geldt dat werknemer en leidinggevende over en weer aan de bel trekken als daartoe aanleiding is.

2.6 Bij diverse leidinggevenden heeft [Partij A] aandacht gevraagd voor zijn frustratie en teleurstelling over zijn carrièreverloop en de waardering en honorering van de kant van Dow.

2.7 Ter gelegenheid van een periodieke keuring op 7 mei 1999 heeft [Partij A] aan de verpleegkundige kenbaar gemaakt dat hij klachten ondervond ten gevolge van hoge werkdruk en veranderingen binnen het werk.

2.8 In 2000 heeft [Partij A] na een interne sollicitatieprocedure de functie van Senior Supply Chain Process & Systems Specialist aanvaard. In het "Job announcement system" is onder het kopje "Job Infomation and working condition" onder meer vermeld: "Periods of high amount of travel are required during implementation of new acquisitions". Als Job Level is genoemd: A2.

2.9 In maart 2002 heeft [Partij A] met zijn leidinggevende, de heer [C], gesproken over zijn wens part-time te werken om een beter evenwicht te krijgen tussen werk en prívé. Hij heeft tevens melding gemaakt van hoge werkdruk.

2.10 Naar aanleiding van een verzoek van [Partij A] om ondersteuning vanwege dreigende overschrijding van gestelde termijnen van het Ascot-project, van welk project [Partij A] projectleider was, is [C] zich meer met dit project gaan bezig houden.

2.11 Op 24 april 2002 heeft [Partij A] zich ziek gemeld in verband met burn-out klachten.

2.12 Bij brief van 6 oktober 2003 rapporteerde de behandelend psychiater als volgt:

"De heer [Partij A] is sinds enige tijd bij mij in behandeling

Er is sprake van een burnoutsituatie, bij een man, die enerzijds door zijn-eigengedrevenheid en ambitie , anderzijds door de bedrijfscultuur van Dow chemicals, de laatste jaren dermate overbelast is geraakt zonder adequate support vanuit het bedrijf, dat een burnout alleen maar het logisch gevolg is.

Hij is steeds meer zijn grenzen gaan verleggen om het vol te houden, gesprekken met leiding voor een andere functie werden niet gehonoreerd terwijl de druk alleen maar toenam. Zijn instelling heeft ervoor gezorgd dat hij zijn stresssignalen dan maar genegeerd heeft, steeds opnieuw en doorgegaan is tot hij compleet instortte (…)"

2.13 Bij beschikking van 15 oktober 2003 is Doom met ingang van 23 april 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

2.14 [Partij A] heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt stellende – onder meer – dat toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 34a, lid 2 en 71a, lid 9 WAO, omdat van een reële verzuimbegeleiding en van inspanning van Dow gericht op re-integratie geen sprake is geweest. Bij beslissing op bezwaar van 29 april 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard. De raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:

"Hoewel UWV heeft vastgesteld dat de reïntegratie-inspanning van uw werkgever Dow Benelux als onvoldoende moeten worden gekwalificeerd, heeft UWV afgezien van het opleggen van een loonbetalingsverplichting ten aanzien van de werkgever. Daarbij is overwogen dat UWV niet adequaat heeft gereageerd op het tijdig toezenden van stukken. Hierdoor is de het einde van de wachttijd overschreden.

Vanwege het uitgangspunt dat de loondoorbetalingsverplichting ex art. 71a van de WAO een reparatoir karakter heeft, hanteert UWV als bestendige beleidslijn dat bij een tijdige indiening van de aanvraag er geen loondoorbetalingsverplichting wordt opgelegd na het einde van de wachttijd. Uw bezwaren tegen het niet vaststellen van een loondoorbetalingstermijn voor de werkgever treft derhalve geen doel. (…)"

2.15 Bij brief van 12 november 2003 heeft Dow het volgende aan [Partij A] geschreven:

"Ondanks herhaalde verzoeken en een opschorting van de betaling van 1000 euro over uw oktobersalaris heeft u nog steeds geen gevolg gegeven aan onze dringende oproep tot het inleveren van de in uw bezit zijnde Dow – eigendommen; te weten een laptop inclusief toebehoren en een GSM.

Dit heeft ons doen besluiten miv de eerstvolgende salarisbetaling maandelijks 1000 euro op uw salaris in te houden totdat u aan het dringende verzoek om bovengenoemde Dow-eigendommen te retourneren heeft voldaan."

2.16 Bij brief van 14 november 2003 heeft de advocaat van [Partij A] aan Dow geschreven:

"(…)Ik zie niet in op welke gronden cliënt gehouden zou zijn om zijn om de laptop en gsm in te leveren. Cliënt is immers nog steeds bij uw onderneming in dienst en is eerstens, indien mogelijk, gehouden om passende werkzaamheden binnen uw onderneming te verrichten, gelijk Dow gehouden is hem eerstens binnen haar onderneming te reïntegreren (…)"

2.17 Nadat Dow over het loon van oktober en november 2003 € 1.000,- had ingehouden, heeft [Partij A] de betreffende spullen ingeleverd. De ingehouden bedragen zijn daarna alsnog uitbetaald.

2.18 Op verzoek van (de gemachtigde van) [Partij A] heeft [F] op 14 april 2004 een psychiatrische expertise uitgebracht. In deze rapportage staat onder meer het volgende:

"IV Overwegingen

Ten eerste blijkt uit het voorafgaande, dat betrokkene jarenlang hard heeft gewerkt voor zijn bedrijf. Hij hield van reizen en kon zijn energie en creativiteit kwijt in het werk. De laatste tien jaar ervoer hij een zeer grote tijdsdruk. Betrokkene zag zijn supervisoren zelden of nooit. Zij boden weinig steun. Ondanks herhaalde vragen om hulp bleef die uit. Toen er wel 'hulp' kwam, verloor betrokkene de controle over zijn laatste project.

Zijn voorstellen om parttime te werken, of op projectbasis, als poging om het rustiger aan te doen, werden afgewezen.

Nu zijn spankracht afneemt door het ouder worden en betrokkene meende bij het bedrijf op enig krediet te kunnen rekenen na zijn jarenlange investeringen, stelt het bedrijf zich formeel op en komt het hem naar zijn mening te weinig tegemoet.

Een recente stressfactor vormen de branden in zijn woningen.

Ten tweede blijken uit het voorafgaande geen aanwijzingen voor een stoornis in de persoonlijkheid. Betrokkene is een man die ver gaat vooraleer hij zijn grenzen aangeeft.

De draagkracht is op normale wijze afgenomen met het vorderen der jaren.

Ten derde meen ik, dat betrokkene op deze surmenage gereageerd heeft met spanningsklachten die de intensiteit van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming aannamen. Nu de belasting is afgenomen, zijn ook de klachten inmiddels gezakt. Er resteert nog wel een, deels met de leeftijd samenhangende, beperkte bestandheid tegen stresserende omstandigheden.

(…)

V Conclusie

Beantwoording vraagstelling

1. Op dit moment zie ik verminderde stressbestendigheid en verminderde concentratie, als restverschijnselen van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming.

2. Naar mijn mening is de heer [Partij A] in de uitvoering van zijn werkzaamheden blootgesteld aan omstandigheden welke een aanpassingsstoornis kunnen hebben veroorzaakt. Met name gaat het om hoge werkdruk met weinig steun.

3. Naar mijn mening had de werkgever adequater moeten reageren op de vragen om hulp van betrokkene en op zijn dringende verzoeken om de werklast aan te passen aan de met het vorderen der jaren verminderde draagkracht.

(…)"

2.19 Dow heeft [Partij A] zijn volledige loon doorbetaald tot 23 april 2004 onder aftrek van de WAO-uitkering. Sedertdien vult zij de uitkering aan tot 70% van het loon. Het salaris van [Partij A] bedroeg laatstelijk € 5.939,- bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering ter hoogte van een bruto maandsalaris. Dow is eigen risicodrager voor de WAO.

2.20 Bij brief van 27 april 2004 schreef Dow het volgende aan [Partij A]:

"Medio 2002 bent u uitgevallen wegens ziekte. Begin 2003 is er vanwege deze ziekte een geschil ontstaan tussen u en Dow. Gedurende 2003 hebben wij enkele malen contact gehad om te komen tot een oplossing van bovengenoemd geschil. Helaas is dit tot op heden niet mogelijk geweest.

Dow gaat momenteel door een fase van herstructurering. Onderdeel van deze herstructurering is dat alle functies opnieuw tegen het licht worden gehouden. Ook uw functie is onderwerp van studie geweest. Conclusie van dit alles is dat uw functie in de nieuwe organisatie komt te vervallen.

Om deze reden willen wij u dan ook een aanbieding doen om te komen tot beëindiging van het dienstverband met ingang van 1 mei 2004. Voor de details van deze aanbieding verwijzen wij naar bijgevoegde brief (…)"

In de bijgevoegde brief was een afvloeiingsregeling opgenomen die binnen Dow gebruikelijk was voor oudere werknemers die ten gevolge van een reorganisatie afvloeien. Het voorstel bevatte voorts de volgende verklaring:

"Tot slot verklaart u door ondertekening van dit document niets meer van Dow Benelux BV te vorderen te hebben in verband met de dienstbetrekking, anders dan hetgeen uit dit document voortvloeit. "

2.21 [Partij A] heeft dit aanbod niet geaccepteerd. Partijen zijn niet tot overeenstemming kunnen komen over een afvloeiingsregeling. De arbeidsovereenkomst van [Partij A] is niet beëindigd.

2.22 Bij inleidende dagvaarding vorderde [Partij A] – kort gezegd – een verklaring voor recht dat Dow aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden c.q. zal lijden als gevolg van een onjuiste functieclassificatie en structureel tekortschieten van Dow in haar zorgplicht ingevolge (primair) artikel 7:658 BW en (subsidiair) artikel 7:611 BW, de veroordeling van Dow tot voldoening van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente, de betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 350.000,-- en de veroordeling van Dow in de proceskosten.

2.23 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [Partij A] afgewezen en de kosten gecompenseerd.

3.1 In hoger beroep heeft [Partij A] zijn eis vermeerderd / gewijzigd. Hij vordert thans – zakelijk weergegeven -:

vordering I:

1. een verklaring voor recht dat Dow aansprakelijk is op grond van primair artikel 7:658 BW en subsidiair artikel 7:611 BW voor de schade die hij heeft geleden c.q. zal lijden uit hoofde van de door hem in de uitvoering van zijn werkzaamheden opgelopen schade;

2. de veroordeling van Dow tot voldoening van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede een voorschotbetaling op deze schadevergoeding van € 150.000,-;

vordering II:

3. de veroordeling van Dow tot betaling aan hem van het laatst bedongen salaris vermeerderd met emolumenten, wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 23 april 2004, subsidiair vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag dat Dow op basis van een deugdelijk onderzoek aantoont dat zij geen passende werkzaamheden voor hem heeft, en uiterlijk tot het moment dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd.

vordering III:

4. een verklaring voor recht dat Dow vanaf 1991, althans nadien in verzuim verkeert terzake van de nakoming van haar verplichting tot het uitvoeren van een functiewaardering en functieclassificering van de werkzaamheden van [Partij A] in de periode 1991 tot 24 april 2002 en dat Dow deswege jegens [Partij A] gehouden is primair haar verplichtingen terzake na te komen en subsidiair de hierdoor veroorzaakte schade te vergoeden;

voorts primair:

5. een verklaring voor recht dat Dow jegens [Partij A] verplicht is tot het uitvoeren van een functiewaardering en functieclassificering van de werkzaamheden van [Partij A] in de periode 1991 tot 24 april 2002 rekening houdende met de functiewaarderingen en – classificeringen van de collega's van [Partij A] en het overige personeel en gericht op functieniveau L1;

6. een verklaring voor recht dat Dow de verplichting als bedoeld onder 5 uiterlijk bij wijze van memorie van antwoord in deze procedure behoort na te komen, bij gebreke waarvan Dow in verzuim verkeert;

7. indien Dow de verplichting als bedoeld onder 5 nakomt: de benoeming van een deskundige voor rekening van Dow die de door Dow uitgevoerde functiewaardering en functieclassificering controleert;

subsidiair:

8. voor het geval Dow niet heeft voldaan aan haar verplichting als bedoeld onder 5, dan wel de onder 7 bedoelde deskundige vaststelt dat de door Dow uitgevoerde functiewaardering incorrect is: een verklaring voor recht dat Dow in dit verband toerekenbaar tekort is geschoten en vanaf het moment van de memorie van antwoord in verzuim verkeert en deswege jegens [Partij A] gehouden is zijn hierdoor veroorzaakte schade te vergoeden;

9. Dow te veroordelen tot vergoeding van voornoemde schade bestaande uit de door [Partij A] gemiste inkomsten vanaf 1991 tot datum van de rechtsgeldige beëindiging van zijn dienstbetrekking, vermeerderd met wettelijke rente en veroordeling van Dow tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 200.000,--;

zowel primair als subsidiair:

10. voor het geval de toewijzing van 4 tot en met 8 leidt tot een hogere functieclassificering dan wel veroordeling tot schadevergoeding: een verklaring voor recht dat deze toewijzing tot een rechtevenredige verhoging leidt van de overige vorderingen en een veroordeling van Dow tot het opmaken van de hiermee gemoeide verhoging binnen een door het hof te bepalen redelijke termijn;

vordering IV:

primair:

11. een verklaring voor recht dat Dow haar onder rechtsoverweging 2.20 gedane aanbod gestand doet zonder finale kwijting en dat Dow verplicht is haar onderhandelingen met [Partij A] over vergoeding van zijn schade voort te zetten, zo mogelijk onder leiding van een raadsheer van dit hof;

subsidiair:

12. de veroordeling van Dow tot vergoeding van de schade door het niet gestand doen van het onder rechtsoverweging 2.20 gedane aanbod en het afbreken van de onderhandelingen hierover, nader op te maken bij staat;

vordering V:

13. de veroordeling van Dow in de kosten van zowel de eerste aanleg als de kosten van dit appel, welke tot aan de memorie van grieven € 50.000,-- bedragen.

3.2 De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor.

Dow aansprakelijk ingevolge artikel 7:658 of 7:611 BW?

3.3 Grief I richt zich blijkens de toelichting tegen de afwijzing van aansprakelijkheid van Dow voor de arbeidsongeschiktheid van [Partij A] en de daaruit voor hem voortvloeiende schade.

3.4 Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ook psychisch letsel – zoals in het onderhavige geval: een burn out syndroom – valt onder de reikwijdte van artikel 7:658 BW. Voor de toepassing van dit artikel is vereist dat het gaat om schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat de werkgever heeft nagelaten die maatregelen te treffen of aanwijzingen te verstrekken die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer die schade lijdt. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de werkzaamheden en de psychische schade.

3.5 Vaststaat dat de klachten van [Partij A] zijn veroorzaakt door stress. Zoals het hof reeds eerder heeft overwogen in zijn arrest van 16 februari j.l. (LJN: BA0761), kan stress door vele omstandigheden ontstaan en is stress sterk individueel bepaald. Onder gelijke omstandigheden zal de ene persoon geen stressklachten krijgen en de andere wel. Voorts kan stress ook worden veroorzaakt door persoonlijke omstandigheden en kan bijvoorbeeld een minder goede conditie maken dat iemand minder goed bestand is dan normaal tegen de eisen die zijn werkzaamheden aan hem stellen, zodat de werkdruk als te zwaar – als stress – worden ervaren. Dit betekent dat de werknemer die stelt dat hij door zijn werk stressklachten heeft gekregen, feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie zal moeten stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat, c.q. in hoeverre, zijn klachten door zijn werk en niet door iets anders zijn ontstaan. Immers, wanneer sprake is van een volstrekt normale werksituatie en een werknemer niettemin niet tegen de werkdruk is bestand, kan niet gezegd worden dat zijn stress door zijn werkzaamheden is veroorzaakt. Ook kan in een dergelijke situatie van de werkgever niet worden verwacht dat hij maatregelen neemt ter voorkoming van stress. Maatregelen zijn pas dan geïndiceerd, wanneer voor de werkgever duidelijk is (gemaakt) dat een bepaalde (wijziging in de) werksituatie het risico van stressklachten met zich brengt.

3.6 Het vorenstaande brengt met zich dat enkel op grond van de onder 2.2 tot en met 2.10 genoemde omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat de stress door de werksituatie is veroorzaakt. Door Dow is immers onweersproken gesteld dat bij haar talloze werknemers in vergelijkbare functies en onder vergelijkbare omstandigheden werkzaam zijn, terwijl [Partij A] de enige is die de door hem gestelde gezondheidsklachten heeft ontwikkeld en daarmee de WAO is ingestroomd. Dow heeft er voorts op gewezen dat haar ziekteverzuimcijfers en WAO-instroomcijfers laag zijn, lager dan de cijfers in de sector. Zij heeft dan ook niet voor niets in 2002 voor haar Nederlandse stresspreventiebeleid van zowel het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als het European Agency for Safety and Health at Work een prijs gewonnen, aldus Dow. [Partij A] heeft dit niet weersproken.

3.7 [Partij A] heeft voorts zijn stelling dat hij geregeld bij zijn leidinggevenden aan de bel heeft getrokken en heeft geklaagd over de hoge werkdruk, na de gemotiveerde weerspreking daarvan door Dows, onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd. Weliswaar staat vast dat [Partij A] in 1999 ter gelegenheid van een periodieke keuring aan de verpleegkundige kenbaar heeft gemaakt dat hij klachten ondervond ten gevolge van hoge werkdruk, maar dit enkele feit acht het hof onvoldoende. Zelfs indien de bedrijfsarts aan deze melding geen gevolg heeft gegeven (zoals door [Partij A] gesteld en door Dows gemotiveerd weersproken) kan uit dat enkele feit niet de conclusie worden getrokken dat Dows tekort is geschoten met het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 7:658 BW, nu niet is gebleken dat [Partij A] zelf nadien, tot kort voor zijn uitval, opnieuw melding heeft gemaakt van deze klachten, terwijl hij wel geregeld bij zijn leidinggevenden aandacht heeft gevraagd voor zijn teleurstelling over zijn carrièreverloop en gebrek aan waardering aan de kant van Dow. Hij wist zijn leidinggevenden dus wel te vinden. In die contacten met zijn leidinggevenden heeft [Partij A] de indruk gewekt eerder meer te willen (namelijk een functie en beloning op L-level in plaats van op A-level) dan minder. Ook de sollicitatie naar en de aanvaarding van de functie van Senior Supply Chain Process & Systeem Specialist in 2000 wijst (gelet op de daarbij behorende job information) niet op een streven van [Partij A] om het rustiger aan te doen. Het ziekteverzuim van [Partij A] voorafgaande aan zijn uitval gaf evenmin aanleiding tot zorg.

3.8 De onder 2.12 bedoelde rapportage van zijn behandelend psychiater, noch de onder 2.18 genoemde expertise van [F] werpen een ander licht op de zaak. Weliswaar wordt in beide rapportages een verband gelegd tussen de bedrijfscultuur en het gebrek aan support vanuit Dow, maar uit bedoelde rapportages blijkt niet dat door de artsen enig onderzoek is gedaan naar de feitelijke werksituatie. Beide rapporten lijken op dit punt slechts gebaseerd op uitlatingen van [Partij A] en gaan ervan uit dat hij veelvuldig heeft geklaagd.

3.9 In grief II stelt [Partij A] dat de rechtbank het nalaten van Dow een functiewaardering en functieclassificatie uit te voeren ten onrechte niet heeft gezien als medeoorzaak voor zijn uitval, en een zelfstandig tekortschieten in haar verplichtingen ex artikel 7:611 BW.

3.10 Het hof overweegt dat voor deze oorzaak van zijn uitval geen medische onderbouwing is te vinden in eerdergenoemde rapporten van zijn behandelend psychiater en van [F]. Het hof verwerpt daarom deze stelling.

3.11 Daarmee komt het hof toe aan de vraag of Dow na de uitval van [Partij A] al het nodige heeft gedaan met het oog op de re-integratie van [Partij A]. [Partij A] stelt dat dit niet het geval is, en dat het optreden van Dow zelfs heeft geleid tot verergering van zijn klachten. Door Dow is dit gemotiveerd weersproken.

3.12 Het hof overweegt dat [Partij A] onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om het oordeel op te baseren dat door toedoen van Dow zijn klachten zijn verergerd. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [Partij A] zelf heeft aangegeven afstand te willen nemen van Dow, re-integratie bij Dow – in welke functie dan ook – heeft uitgesloten en heeft aangegeven te opteren voor een afvloeiingsregeling. Bovendien achtte de verzekeringsgeneeskundige een van het UWV hervatting in aangepast werk contra geïndiceerd. Het verwijt van [Partij A] dat Dow hem na zijn arbeidsongeschiktheid heeft laten bungelen, is gelet op het vorenstaande niet terecht. Het feit dat Dow te laat was met het opstellen van een plan van aanpak en re-integratieverslag maakt dit niet anders.

3.13 Voor de stelling dat het herstel van [Partij A] door de onheuse behandeling en op hem uitgeoefende pressie door Dow na zijn uitval is vertraagd, ontbreekt iedere medische onderbouwing. Uit de eerder genoemde rapporten van zijn behandelend psychiater en van [F] blijkt niet van dit gestelde oorzakelijk verband, zodat het hof ook deze stelling zal passeren.

3.14 Hoewel het hof zich kan voorstellen dat de onder 2.15 genoemde brief het gevoel van [Partij A] door Dow afgeschreven te zijn heeft versterkt, is dit niet voldoende om aansprakelijkheid van Dow te vestigen.

3.15 Dat de arbeidsongeschiktheid van [Partij A] voortkomt uit enige schending van Dow van een norm gericht op het voorkomen van uitval door overbelasting is ook overigens niet gebleken. Een tekortschieten in de zin van artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW is dan ook niet komen vast te staan. Grief I en II falen en vordering I zal worden afgewezen.

Gehoudenheid tot doorbetaling van het salaris vanaf 23 april 2004?

3.16 [Partij A] vordert doorbetaling van zijn volledige loon na 23 april 2004, stellende dat hij bereid en in staat was – met inachtneming van zijn klachten en beperkingen – passende arbeid te verrichten, maar deze niet heeft kunnen verrichten omdat Dow zijn mogelijkheden daartoe binnen of buiten Dow niet verder heeft onderzocht.

3.17 Het hof overweegt dat [Partij A] volstrekt onvoldoende feitelijk en concreet heeft onderbouwd dat hij zich vanaf 24 april 2004 bereid heeft verklaard passende arbeid te verrichten en ook dat het aan de onwilligheid van Dow is te wijten, dat hij deze arbeid niet heeft kunnen verrichten. Zeker in het licht van hetgeen onder 3.12. is overwogen, valt ook in de brief van 14 november 2003 geen aanbod te lezen passende arbeid te verrichten. Dit betekent dat ook vordering II voor afwijzing gereed ligt.

Gehoudenheid tot functiewaardering en -classificering?

3.18 [Partij A] meent dat Dow uit hoofde van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW gehouden is op zijn verzoek zijn functie te herwaarderen en herclassificeren. Hij meent dat Dow hiertoe gehouden is, omdat hij in vergelijking met zijn collega's en met name in vergelijking met zijn collega-projectmanager M. Vandeurzen werd onderbetaald en ondergewaardeerd. Genoemde collega die de facto dezelfde werkzaamheden verrichtte als [Partij A] is wel van functieniveau A2 naar L1 gepromoveerd, terwijl Dow niets heeft gedaan met zijn verzoeken terzake, aldus [Partij A].

3.19 Het hof overweegt dat, nu vaststaat dat Dow een uitgebreid functiewaarderings- en functieclassificeringssysteem hanteert, volgens welk systeem ook de functie van [Partij A] is geclassificeerd en gewaardeerd, Dow alleen gehouden is op verzoek van [Partij A] zijn functie tussentijds te herclassificeren en herwaarderen, indien ofwel de functie-eisen tussentijds zijn gewijzigd, ofwel er serieuze aanwijzingen bestaan dat bij de functieclassificering en –waardering fouten zijn gemaakt. [Partij A] heeft te weinig gesteld om tot dat oordeel te komen. De enkele omstandigheid dat één dan wel meerdere collega's van [Partij A] wel de door [Partij A] geambieerde promotie van het binnen Dows gehanteerde applying-level (A-level) naar het leveraging-level (L-level) hebben gemaakt, en [Partij A] niet, is daartoe onvoldoende. Een promotie naar het L-niveau is immers niet alleen gekoppeld aan de functie, maar tevens aan de ontwikkelingsfase waarin de medewerker zich bevindt c.q. de wijze waarop de medewerker functioneert. Een medewerker functioneert blijkens productie 26 bij dupliek op op L-niveau als zijn kennis en competenties zich uitstrekt over een toenemend aantal businesses, functies en/of geografische gebieden, wanneer hij de vaardigheden bezit om anderen te leiden, te sturen en te helpen en om te werken in een omgeving die meerdere functies, businesses en/of geografische gebieden omvat. Het is niet uit te sluiten, dat het functioneren van de betrokken collega's die wel de promotie naar het L-niveau hebben gemaakt – zoals door Dow gesteld – het bij de door hen vervulde functie behorende niveau duidelijk zijn ontgroeid, terwijl dit voor [Partij A] niet gold. Daarbij geldt dat door Dow – onbestreden – is gesteld dat de spoeling op L1-niveau dun is: slechts 4% van de Dow-werknemers in Europa is op dit niveau werkzaam.

Een en ander brengt mee dat ook vordering III dient te worden afgewezen.

Gehoudenheid aanbod van 27 april 2004 gestand te doen?

3.20 Met grief III betoogt [Partij A] dat Dow op grond van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW is gehouden het onder 2.20 bedoelde aanbod gestand te doen en de onderhandelingen voort te zetten.

3.21 Het hof ziet niet in op grond waarvan Dow gehouden zou zijn het door haar gedane aanbod gestand te doen. De omstandigheid dat de functie van [Partij A] is komen te vervallen als gevolg van een reorganisatie, noopte haar niet tot het doen van een aanbod zoals ook aan de andere 89 werknemers is gedaan van wie de functie is komen te vervallen. [Partij A] vervulde de functie immers al niet meer als gevolg van arbeidsongeschiktheid. [Partij A] verkeerde dus niet in dezelfde omstandigheid als de andere werknemers van wie de functie is komen te vervallen (en wier dienstverband inmiddels – anders dan dat van [Partij A] – is beëindigd). Het door [Partij A] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat daarom niet op.

Nu Dow wel aan [Partij A] een aanbod heeft gedaan, stond het haar vrij hieraan de voorwaarde van finale kwijting te verbinden, zo goed als het [Partij A] vrij stond het aanbod te verwerpen, zoals hij heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid is ontstaan na een langdurig dienstverband maakt dit niet anders. Dit betekent dat ook vordering IV dient te worden afgewezen.

Slotsom

3.22 Het vorenstaande leidt tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [Partij A] (inclusief vordering V, die het lot volgt van de overige vorderingen). [Partij A] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 19 januari 2005 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen partijen;

- wijst de vorderingen van [Partij A] af;

- veroordeelt [Partij A] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dow begroot op € 1.585,- (waarvan € 244, - voor griffierecht en € 1.341,- voor salaris procureur).

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, M.J. van der Ven en T.L. Tan en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2007 in bijzijn van de griffier.