Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6119

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
2200104706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders aan een zeer gewelddadige overval in een woning schuldig gemaakt. Het slachtoffer, een bejaarde dame, is daarbij op buitengewoon brute wijze mishandeld ten gevolge waarvan zij ernstige verwondingen heeft opgelopen.

Hoewel de verdachte ten tijde van de overval niet zelf in de woning aanwezig was heeft hij een actieve rol gespeeld in het bedenken en organiseren daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001047-06

Parketnummers: 09-753288-05 en 09-530134-05

Datum uitspraak: 7 februari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 februari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring “De IJssel” te

Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 januari 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, subsidiar en meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meest subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Waar in de tenlastelegging de woorden en/of een van zijn mededader(s) ontbreken in de zinsnede voorafgaand aan het eerste liggende streepje, alsmede overigens daarmee samenhangende werkwoordsvormen als zijn en hebben is naar het oordeel van het hof sprake van een omissie die als kennelijke verschrijving kan worden aangemerkt. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen van diefstal met geweld omdat de rol van de verdachte in het geheel van te onbeduidende aard zou zijn geweest om van een bewuste en volledige samenwerking te kunnen spreken. De verdachte zou slechts ondersteunende handelingen hebben verricht.

Het hof overweegt het volgende.

Naar het oordeel van het hof moet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders zodanig is geweest dat van medeplegen van diefstal met geweld dient te worden gesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 meest subsidiair en onder 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders aan een zeer gewelddadige overval in een woning schuldig gemaakt. Het slachtoffer, een bejaarde dame, is daarbij op buitengewoon brute wijze mishandeld ten gevolge waarvan zij ernstige verwondingen heeft opgelopen.

Hoewel de verdachte ten tijde van de overval niet zelf in de woning aanwezig was heeft hij een actieve rol gespeeld in het bedenken en organiseren daarvan.

Verdachtes mededader is de woning van het slachtoffer binnengedrongen door haar een pakketje voor te houden en het te doen voorkomen alsof dit een voor de buren bestemd pakketje betrof dat hij aan haar wilde afgeven. Na binnenkomst heeft de mededader van de verdachte zich, zoals tevoren reeds in algemene zin besproken, bijzonder gewelddadig gedragen. Hij heeft het slachtoffer aan haar haren de trap op gesleept, in het gezicht en tegen de borst geslagen en geschopt ofschoon het slachtoffer nog wist uit te brengen dat zij in haar borst een pace-maker had. Hij heeft het slachtoffer vervolgens aan haar haren naar boven, de trap opgesleept. Voorts heeft de mededader van de verdachte meermaals met zijn hand in de mond van het slachtoffer haar tong omgedraaid en in haar keel geduwd gehouden en daarbij gezegd dat zij ging stikken.

Door het toegepaste geweld is aan het slachtoffer lichamelijk letsel toegebracht. Voorts heeft het slachtoffer psychische klachten ten gevolge van de gewelddadige beroving ondervonden. De verdachte heeft door zijn betrokkenheid bij deze handelwijze een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling door een geldbedrag in ontvangst te nemen waarvan hij wist dat het afkomstig was van diefstal. Hij had immers gezien dat een derde door geweld tot afgifte van het geldbedrag was gedwongen.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde en de – het hof aannemelijk geworden - initiërende rol daarbij van de verdachte, het bewezenverklaarde - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- een hogere straf rechtvaardigt dan in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 310, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Oosterhof, mr. H.M.A. de Groot en mr. L. Verheij,

in bijzijn van de griffier mr. M.C. Zuidweg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2007.