Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4837

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
950-H-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC4498, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4498
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van gezamenlijk gezag na echtscheiding. In casu was en is er geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders. Kinderen zijn - mede door de grote tijdspanne dat zij de vader niet meer hebben ontmoet - bang voor hem (geworden). Basis voor gezamenlijke gezagsuitoefening in casu niet langer aanwezig. Het risico dat de kinderen door de situatie bij voortzetting van gezamemlijk gezag klem geraken is aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 april 2007

Rekestnummer : 950-H-04

Rekestnr. rechtbank : 00-6795

[appellante],

wonende te Zoetermeer,

verzoekster, tevens inciden¬teel verweer¬ster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. L.M. Bruins,

tegen

[verweerder],

wonende te Bavel,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. P.A. Kamminga.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP

De moeder is op 12 oktober 2004 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 12 juli 2004. De moeder heeft op 12 oktober 2004 een aanvullend appelschrift ingediend.

De vader heeft op 15 december 2004 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 18 november 2004 aanvullende stukken ingekomen.

Op 28 februari 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. R. Cats, en namens de raad: dhr. J. Ekkels. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De hierna te noemen minderjarige [oudste dochter] is in raadkamer gehoord.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de moeder en de vader, hierna gezamenlijk: de ouders, het volgende vast.

Uit het op 19 januari 2000 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[in ] 1994, verder: [oudste dochter],

[en in] 1997, verder: [jongste dochter, ] hierna te noemen, de kinderen. De ouders hebben na echtscheiding gezamenlijk het gezag over de kinderen die bij de moeder verblijven.

Bij beschikking in een voorlopige voorzieningenprocedure van 1 april 1999, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage een voorlopige omgangsregeling vastgesteld.

Bij echtscheidingsbeschikking van 19 november 1999 is tussen de vader en de kinderen een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en is de zaak mede wat betreft het gezag aangehouden.

Bij beschikking van 23 februari 2000 is een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, die als volgt luidt:

- het eerstkomende half jaar, gedurende eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- met ingang van 1 september 2000, eenmaal per twee weken van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.00 uur;

- de korte vakanties, om en om, te beginnen met de krokusvakantie;

- de kerstvakantie, dit jaar gedurende de eerste week, volgend jaar de tweede week en de daaropvolgende jaren om en om, waarbij de wisseling van de ouder telkens op zondag 10.00 uur zal plaatsvinden;

- in het jaar 2000, de laatste twee weken van de zomervakantie en vanaf het jaar 2001, telkens gedurende de drie laatste weken van de zomervakantie;

- op vaderdag;

- de vader haalt en brengt de kinderen.

Het meer of anders verzochte is door de rechtbank afgewezen.

Bij dagvaarding van 11 oktober 2000 heeft de vader de President van de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht de moeder te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom.

Op 31 oktober 2000 heeft de moeder de rechtbank ‘s-Gravenhage verzocht – met wijziging van de beschikking van 23 februari 2000 en uitvoerbaar bij voorraad – primair te bepalen dat geen omgang plaatsvindt tussen de vader en de kinderen, totdat een onderzoek door een deskundige zal zijn gedaan met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de man ten opzichte van zijn kinderen, in het bijzonder in het bijzijn van zijn moeder en zijn [broer] en de man voor zover geadviseerd zelf professionele hulp en begeleiding heeft gezocht. Subsidiair verzoekt zij dat een omgangsregeling wordt vastgesteld van eenmaal per twee weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zaterdagavond 18.00 uur, waarbij er geen contact zal zijn tussen de broer van de vader en/of zijn moeder en de kinderen. Meer subsidiair verzoekt de moeder dat een omgangsregeling wordt vastgesteld van eenmaal per twee weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij er geen contact zal zijn met de broer van de vader en/of zijn moeder en de kinderen. Ten aanzien van het gezag verzoekt de moeder dat zij alleen wordt belast met het gezag. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft daarbij zelfstandig verzocht dat hij alleen wordt belast met het gezag, dat de moeder omgang met de kinderen voor een periode van drie maanden wordt ontzegd, dat de door hem te betalen bijdrage voor de kinderen op nihil wordt gesteld, alsmede dat de moeder een bijdrage voor de kinderen gaat leveren van ? 500,- per maand per kind.

Bij vonnis van de President van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 9 november 2000, is de moeder veroordeeld mee te werken aan de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 23 februari 2000, op straffe van een dwangsom van fl 100,- per dag dat de moeder in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

Bij beschikking van 14 februari 2001 heeft de rechtbank, in afwachting van het rapport en advies van de raad, een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en de zaak nader aangehouden.

Bij beschikking van 31 juli 2001 heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met de kinderen ontzegd voor een periode van zes maanden en de raad verzocht, nadat een specialistisch onderzoek door FORA heeft plaatsgevonden, nader rapport en advies uit te brengen tot de vraag welke gezagsvoorziening en omgangsregeling in het belang van de kinderen is.

Bij beschikking van 25 juni 2003 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld en heeft de rechtbank de raad verzocht FORA te vragen het door de raad voorgestelde traject te begeleiden en ten uitvoer te brengen, alsmede over het verloop daarvan te rapporteren.

Bij de bestreden beschikking is de bij beschikking van 25 juni 2003 vastgestelde voorlopige omgangsregeling gehandhaafd, heeft de rechtbank de verzoeken van de vader en de moeder wat betreft het gezag afgewezen, is het verzoek van de vader wat betreft wijziging van de gewone verblijfplaats van de kinderen afgewezen en is de zaak voor mediation naar mr. C.R.A.M. van Leuven verwezen. In afwachting van de resultaten van de bemiddeling is de zaak aangehouden.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

De bestreden beschikking moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een deelbeschikking. Ten aanzien van deelbeschikkingen geldt dat het appel tegen de eindbeschikkingscomponent uit een deelbeschikking de tussenbeschikkingscomponent meetrekt, zodat dit ook in het appel kan worden betrokken.

De bestreden beschikking is een eindbeschikking wat betreft het gezag. In haar daartegen ingestelde hoger beroep kon de moeder ook de (daarmee samenhangende) omgangsregeling betrekken, ook al was de bestreden beschikking in zoverre nog slechts een tussenbeschikking. De moeder is op die grond ontvankelijk in haar hoger beroep.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vader zijn incidenteel appel, voor zover het de gewone verblijfplaats van de kinderen betreft, ingetrokken. Gelet hierop behoeft de gewone verblijfplaats van de kinderen geen bespreking meer.

2. In geschil zijn de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, het gezag ten aanzien van de kinderen en de (spoed)verwijzing naar een mediator.

3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en haar verzoeken alsnog toe te wijzen, althans een zodanige regeling te treffen dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen plaatsvindt zolang geen onderzoek is gedaan naar de beschuldigingen en er geen garantie is dat de kinderen geen gevaar lopen en zolang hun zwaarwegende belangen niet worden beschermd. Tevens verzoekt de moeder aan haar het eenhoofdig gezag te verlenen over de kinderen.

4. De vader bestrijdt haar beroep.

5. De moeder heeft vier grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder haar tweede en derde grief ingetrokken. Deze behoeven derhalve geen bespreking meer. Het hof zal allereerst de vierde grief van de moeder behandelen.

Gezag

6. In haar vierde grief stelt de moeder ten aanzien van het gezag dat, gezien de communicatiestoornis tussen haar en de vader, zij alleen met het gezag had moeten worden belast.

7. De vader stelt dat er geen grond voor wijziging van het gezag is en indien er gronden zijn om het gezag te wijzigen, niet de moeder, maar juist hij belast dient te worden met het gezag.

8. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, oordeelt het hof als volgt. Het hof is gebleken dat er al ruim 4 jaar geen communicatie meer plaats vindt tussen de vader en de moeder. Nu er geen communicatie tussen de vader en de moeder plaatsvindt, is het hof van oordeel dat de basis voor gezamenlijk overleg van de vader en de moeder ten aanzien van de verzorging en opvoeding van de kinderen ontbreekt. De kinderen hebben dientengevolge een zeer negatief beeld van de vader opgebouwd en zijn eveneens angstig voor hem geworden. Het hof acht het ook voor de toekomst niet waarschijnlijk dat er binnen afzienbare termijn voldoende verbetering in de communicatie tussen de ouders zal optreden. Onder deze omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Ook uit praktisch oogpunt acht het hof het van belang om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Er dient rust en zekerheid gecreëerd te worden in het belang van de kinderen. Het hof neemt mede in overweging dat [oudste dochter] tijdens haar verhoor bij het hof duidelijk heeft verklaard dat zij haar vader nog steeds niet wil zien.

Op deze gronden zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij het verzoek om eenhoofdig gezag is afgewezen. De moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.

Omgangsregeling

9. In haar eerste grief stelt de moeder - kort samengevat - dat zij zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank om de zaak voor forensische mediation naar een mediator te verwijzen. Zij meent dat forensisch mediation een wettelijke basis ontbeert en dat de beslissing in strijd is met de wet. Voor zover wel een wettelijke grondslag aanwezig wordt geacht, stelt de moeder dat de werkzaamheden van een forensisch mediator niets met deskundigheid hebben te maken zoals in artikel 194 Rv bedoeld.

10. Ten aanzien van de door de rechtbank bevolen forensische mediation stelt de vader dat de bezwaren hiertegen van de moeder ongegrond zijn. De vader meent dat mediation tegenwoordig algemeen in de rechtspraktijk is aanvaard en acht de heer Van Leuven uitermate deskundig.

11. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft haar beslissing op het omgangsverzoek aangehouden en de zaak doorverwezen naar een mediator ten einde te trachten te bereiken dat de omgang tussen de vader en de kinderen wordt geëffectueerd. Het hof acht deze doorverwijzing naar een mediator een tussenbeschikking, echter nu het appel tegen de eindbeschikking uit een deelbeschikking ook de tussenbeschikking appelabel maakt, kan het verzoek tot omgang ook in het appel worden betrokken. Het hof is van oordeel dat de omgangsregeling daarmee in volle omvang aan het hof is voorgelegd. Het hof is voorts van oordeel dat de benoeming van een deskundige door de rechtbank niet heeft plaatsgevonden conform de in artikel 194 Rv gestelde vereisten. Het hof is op basis van het vorenstaande dan ook van oordeel dat de eerste grief van de moeder slaagt. Alvorens het hof kan oordelen over de omgangsregeling, heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen omtrent de stand van zaken over de procedure in eerste aanleg. Het hof stelt partijen in de gelegenheid om zich nader uit te laten omtrent deze procedure.

12. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het de afwijzing van het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de moeder toe komt;

alvorens nader te beslissen:

bepaalt dat partijen binnen drie weken na de datum van deze beschikking het hof schriftelijk zal rapporteren over het verloop en de resultaten van de procedure in eerste aanleg;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en van Wijk, bijgestaan door mr. Steenks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2007.