Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4753

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
2200316706
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF3161, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BF3161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van rijden onder invloed: een uitdrukkelijke dan wel specifieke aanwijzing van de bedienaar van de ademanalyseapparatuur door de korpschef als bedoeld in artikel 7 BAO ontbreekt. Uit de stukken blijkt immers niet door wie een opsporingsambtenaar bij Politie Hollands Midden wordt aangewezen om de ademanalyse te verrichten. Het aanmaken en toekennen van een unieke username en een password door een kerninstructeur is daartoe onvoldoende. In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 206
Module Verkeer 2007/284
JWR 2007/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003167-06

Parketnummer(s): 09-935006-06 en 09-611450-06

TUL: 09-937009-04

datum uitspraak: 9 mei 2007

tegenspraak

GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 31 mei 2006 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 april 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, ter zake van het onder 3 tenlastegelegde tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde tot een geldboete van €.350,-- subsidiair zeven dagen hechtenis, met toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging zoals nader bepaald in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 29 januari, 6 maart en 25 april 2007 is de zaak ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer voor strafzaken in dit hof behandeld en op laatstgenoemde datum verwezen naar de meervoudige kamer.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg onder 2 gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat niet blijkt dat de verbalisant [B] voldeed aan de vereisten die in artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken worden gesteld aan bedienaars van ademanalyseapparaten, zodat - zo begrijpt het hof deze stelling - geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 en verdachte mitsdien van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

Het hof stelt voorop dat artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken noch de wetsgeschiedenis iets inhouden waaruit kan of moet worden afgeleid op welke wijze (door middel van een geschrift dan wel met gebruikmaking van een geautomatiseerd werk) een aanwijzing door de korpschef dient te geschieden. Uit artikel 7 van het Besluit en de wetsgeschiedenis blijkt evenmin dat het de korpschef niet vrij zou staan alle opsporingsambtenaren die het certificaat behaald hebben aan te wijzen, dat wil zeggen zonder aanzien des persoons.

De strikte waarborgen aangaande de “kwaliteit” van degene die de ademanalyse zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 afneemt, neergelegd in artikel 7 van het Besluit, houden in, cumulatief:

1. de bedienaar dient een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering te zijn;

2. de bedienaar dient getoond te hebben de voor het bedienen van ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te hebben;

3. de bedienaar dient daartoe door de korpschef te zijn aangewezen.

De door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegde brief van 26 januari 2007, gericht aan de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag, van Politie Hollands Midden, Divisie Operationele Ondersteuning, Leiderdorp, opgemaakt door L.A. Wiltenburg, Hoofd divisie operationele ondersteuning en portefeuillehouder verkeer namens de korpschef van politie, houdt onder meer in –zakelijk weergegeven-:

In het korps Holland Midden wordt per team basispolitiezorg een aantal functionarissen aangewezen om de ademanalyse te verrichten. Een medewerker/verbalisant wordt slechts bedienaar als hij een instructie heeft gekregen van een aangewezen kerninstructeur. De instructie wordt afgesloten met een proeve van bekwaamheid. Pas daarna wordt een unieke username en password voor de bedienaar in het ademanalyse-apparaat aangemaakt en toegekend.

Voorts is door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegd een faxbericht d.d. 19 april 2007 van A. van Driel, brigadier van Politie Hollands Midden waarbij een kopie van een verklaring is gevoegd, onder meer inhoudende:

Ondergetekende verklaart hierbij dat [de desbetreffende verbalisant], heeft gevolgd Bedienaar Honac Intox Adem Analyse Apparaat; georganiseerd door Politie Hollands Midden; Gouda 24 november 2003; de korpschef, namens deze, de kerninstructeur A. van Driel.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit bovenvermelde voorhanden zijnde stukken genoegzaam dat verbalisant [B] - hoofdagent van politie Hollands Midden - aan de vermelde vereisten onder 1 en 2 voldoet, doch ontbreekt een uitdrukkelijke dan wel specifieke aanwijzing van deze bedienaar door de korpschef als bedoeld in artikel 7 van meergenoemd Besluit. Immers uit de brief van 26 januari 2007 blijkt niet door wie een medewerker wordt aangewezen om de ademanalyse te verrichten. Het aanmaken en toekennen van een unieke username en een password door een kerninstructeur is daartoe onvoldoende.

In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 3: Overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 4: Overtreding van artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte ten aanzien van feit 1 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, ten aanzien van feit 1 tevens tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden met aftrek van de duur dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, ten aanzien van feit 4 tot een geldboete van €.350,-- subsidiair zeven dagen hechtenis en tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage d.d. 16 februari 2005 voorwaardelijk opgelegde straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen voor feit 3 respectievelijk 4.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 16 februari 2005 onder parketnummer 09-937009-04 is de verdachte veroordeeld tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden, met bevel dat die ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging van deze straf gevorderd op de grond dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten, zoals ten laste gelegd in de dagvaarding met parketnummer 935006-06.

Nu de verdachte terzake van het onder dat parketnummer tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken, zijn er naar het oordeel van het hof geen termen aanwezig de vordering toe te wijzen.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 19 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 9, 22c, 22d, 23(oud), 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 176 (oud) en 177 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 3 tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 30 (dertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 4 tot het betalen van een geldboete van EUR 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 7 (zeven) dagen.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage d.d. 16 februari 2005 opgelegde voorwaardelijk opgelegde straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Stoker-Klein, C.M.P. Flint-Van Noort en C.M. le Clercq-Meijer,

in bijzijn van de griffier T. van Pelt.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 mei 2007.