Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4284

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
22-002261-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een zeer lange periode op grote schaal bezig gehouden met de verkoop van cocaïne, waarbij de verdachte, als bedrijfsleider van het koffiehuis of ijssalon van waaruit de handel plaatsvond, een leidende rol heeft gespeeld. Voorts heeft de verdachte in dat pand cocaïne aanwezig gehad. (...)

Nu de verdachte, die illegaal in Nederland verblijft, voorts tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk heeft gegeven de strafwaardigheid van zijn handelen in te zien en bovendien daarnaar gevraagd geen enkel (reëel) beeld heeft kunnen schetsen van een toekomstig leven in Nederland buiten de criminaliteit en hij ook niet van plan lijkt te zijn Nederland te verlaten, moet ervoor worden gevreesd dat de verdachte na zijn invrijheidstelling zal vervallen in het bewezen verklaarde of ander (soortgelijk) strafwaardig gedrag.

Naar 's hofs oordeel is ook daarom - ter bescherming van de belangen van de samenleving - een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op haar plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002261-06

Parketnummer: 09-757672-05

Datum uitspraak: 20 april 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 maart 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1960,

[detentie-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 april 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Redelijke termijn

Op 24 maart 2006 is door de meervoudige kamer in de rechtbank te 's-Gravenhage vonnis gewezen, waarna daartegen namens de verdachte op 7 april 2006 hoger beroep is ingesteld. Pas op 25 januari 2007, derhalve ruim 9 maanden na het instellen van hoger beroep, is het dossier bij het hof ingekomen, waarna de zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2007 is behandeld.

Het hof constateert dat de rechtbank de inzendtermijn weliswaar met ruim 3 maanden heeft overschreden, maar is van oordeel dat die overschrijding wordt gecompenseerd door een voortvarende behandeling in hoger beroep, in aanmerking genomen dat de zaak van de (gedetineerde) verdachte in appel binnen drie maanden na ontvangst van het dossier op zitting is gebracht en na iets meer dan één jaar nadat vonnis is gewezen, wordt afgedaan.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3, tweede gedachtestreepje, is ten laste gelegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof is van oordeel dat, ook indien zou worden aangenomen dat de verdachte, ondanks dat hij zulks ontkent, woonde in het perceel [perceelnummer] toen de politie in dat perceel tijdens een doorzoeking op 30 november 2005 een hoeveelheid cocaïne alsmede, in een kast, een revolver en 14 bijbehorende patronen heeft aangetroffen, niet zonder meer is komen vast te staan dat de verdachte die voorwerpen voorhanden heeft gehad. Nu op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat ook één of meer anderen in genoemd perceel hebben verbleven en de gevonden voorwerpen niet op vingerafdrukken zijn onderzocht, kan niet worden uitgesloten dat een ander of anderen dan de verdachte die voorwerpen voorhanden heeft gehad. Daarom dient de verdachte van het hem onder 2 en 3, tweede gedachtestreepje, te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (oud), meermalen gepleegd

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 - met uitzondering van het aanwezig hebben gehad van de hoeveelheid van 49,85 gram cocaïne - ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een zeer lange periode op grote schaal bezig gehouden met de verkoop van cocaïne, waarbij de verdachte, als bedrijfsleider van het koffiehuis of ijssalon van waaruit de handel plaatsvond, een leidende rol heeft gespeeld. Voorts heeft de verdachte in dat pand cocaïne aanwezig gehad.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich kennelijk laten leiden door hun financiële belangen en niet stilgestaan bij de grote gevaren die harddrugs opleveren voor de volksgezondheid. Gebruikers trachten hun verslaving bovendien vaak te bekostigen door het plegen van vermogensdelicten, waardoor aan de samenleving dikwijls ernstige schade en overlast wordt toegebracht. Ook hierbij hebben de verdachte en zijn mededaders kennelijk niet stilgestaan.

In het nadeel van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 februari 2007, vóór en tijdens het begaan van de onderhavige delicten is veroordeeld tot onder meer lange gevangenisstraffen voor het plegen van ernstige strafbare feiten, waaronder meerdere opiumdelicten, verboden wapenbezit, een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling.

Het hof rekent het de verdachte aan dat deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Nu de verdachte, die illegaal in Nederland verblijft, voorts tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk heeft gegeven de strafwaardigheid van zijn handelen in te zien en bovendien daarnaar gevraagd geen enkel (reëel) beeld heeft kunnen schetsen van een toekomstig leven in Nederland buiten de criminaliteit en hij ook niet van plan lijkt te zijn Nederland te verlaten, moet ervoor worden gevreesd dat de verdachte na zijn invrijheidstelling zal vervallen in het bewezen verklaarde of ander (soortgelijk) strafwaardig gedrag.

Naar 's hofs oordeel is ook daarom - ter bescherming van de belangen van de samenleving - een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op haar plaats.

Het hof is, mede vanuit een oogpunt van rechtseenheid en rechtsgelijkheid, van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf ter zake van de door hem bewezen geachte feiten juist en gerechtvaardigd is.

Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 2 en 3, tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde, acht het een gevangenisstraf van na te noemen - gemeten naar de vordering van de advocaat-generaal kortere - duur passend en geboden.

Beslag

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verbeurdverklaring van het blijkens het - in kopie aan dit arrest gehechte - proces-verbaal (met nummer PL1512/2005/42956-69) in beslag genomen geldbedrag van EUR 160,-- en tot onttrekking aan het verkeer van de blijkens het tevens in kopie aan dit arrest gehechte proces-verbaal (met nummer PL1512/2005/42956-54) in beslag genomen revolver en 14 stuks munitie.

Het hof zal het geldbedrag verbeurdverklaren, nu dat geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezen verklaarde is verkregen. Hierbij is rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De revolver en de munitie, die zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 en 3 - eerste gedachtestreepje - ten laste gelegde feiten, welke voorwerpen toebehoren aan een onbekend gebleven dader, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

51 (éénenvijftig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- het blijkens het - in kopie aan dit arrest gehechte -proces-verbaal (met nummer PL1512/2005/42956-69) in beslag genomen geldbedrag van EUR 160,--.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- de blijkens het - in kopie aan dit arrest gehechte -proces-verbaal (met nummer PL1512/2005/42956-54) in beslag genomen revolver en 14 stuks munitie.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. G.J.W. van Oven en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 april 2007.