Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3669

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
R06/1401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Misbruik van bevoegdheid. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Bij gebreke daarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker geen rechtsvordering tegen de Staat op de door hem aangevoerde gronden toekomt en dat verzoeker geen belang heeft bij het onderhavige verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 15 maart 2007

Rekestnummer: R06/1401

Zaak/rekestnummer rechtbank: 253290/05.910

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van

[VERZOEKER],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker],

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. C.M. Bitter.

Het geding

Bij beroepschrift (met producties), ingekomen bij het hof op 9 oktober 2006, heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank

's-Gravenhage van 13 juli 2006, waarbij de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen. In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] één grief tegen de bestreden beschikking opgeworpen. De Staat heeft bij verweerschrift (met producties) de grief bestreden. Ter zitting van dit hof van 22 januari 2007 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten doen toelichten, [verzoeker] door mr. H.M. Punt, advocaat te Amsterdam, en de Staat door mr. R.W. Veldhuis, advocaat te 's-Gravenhage. De raadslieden hebben de pleitnotities waarvan zij zich bediend hebben aan het hof overgelegd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Uit het beroepschrift en de overige processtukken blijkt dat het in deze zaak gaat om het volgende.

1.1 [verzoeker] is wegens het medeplegen van invoer van cocaïne onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en het betalen van een geldboete van € 8.670,-. Voorts is hem de verplichting opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 634.986,-. Deze laatste beslissing is niet onherroepelijk.

1.2 [verzoeker] is van mening dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, door jegens hem opsporings- en dwangmiddelen aan te wenden voordat hij verdachte was (inbreuk op zijn privacy) en door in de tegen hem ingestelde straf- en ontnemingsprocedure gebruik te maken van een gemanipuleerd procesdossier en van getuigenverklaringen en processen-verbaal die in strijd met de waarheid zijn opgesteld. [verzoeker] is voornemens een procedure tegen de Staat aanhangig te maken waarin hij een verklaring voor recht zal vorderen dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en voorts vergoeding zal vorderen van de door hem ten gevolge van dit onrechtmatig handelen geleden schade. [verzoeker] wenst door middel van een voorlopig getuigenverhoor bewijs te verkrijgen van het onrechtmatig handelen van de Staat.

1.3 De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor met betrekking tot de rechtmatigheid van het optreden van de Staat in strijd met een goede procesorde is, omdat, voor zover het de strafprocedure betreft, bij gebreke van een gegrond verklaard herzieningsverzoek ex artikel 457 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (Sv) er geen sprake is van een geschil dat door de burgerlijke rechter dient te worden beslist en, voor zover het de ontnemingsprocedure betreft, [verzoeker] de mogelijkheid ter beschikking staat om de door hem geformuleerde bezwaren tegen het optreden van de Staat in hoger beroep aan de strafrechter voor te leggen.

2. Met de grief bestrijdt [verzoeker] het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een geschil tussen [verzoeker] en de Staat dat door de civiele rechter dient te worden beslecht. [verzoeker] voert daartoe (samengevat) het volgende aan.

Het is denkbaar dat de Staat in een strafprocedure op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op het privacyrecht van een verdachte, zonder dat dit handelen gevolgen hoeft te hebben voor de uitkomst van de strafprocedure. De verdachte kan in die strafprocedure uiteindelijk worden veroordeeld op basis van voldoende voorhanden zijnde overige bewijsmiddelen. Maar die strafrechtelijke veroordeling sluit de civiele onrechtmatigheid van het handelen van de Staat niet uit. De rechtmatigheid van dat handelen moet altijd en onafhankelijk van de uitkomst van de strafprocedure civielrechtelijk kunnen worden getoetst. De verwevenheid van de strafzaak met de civielrechtelijke verwijten is een logisch gegeven dat aan de rechtmatigheid van het onderhavige verzoek niet afdoet. De voorgenomen vordering is niet gericht tegen de beslissing in de straf- en ontnemingszaak, maar tegen de aantasting in zijn persoon door de opsporingsdiensten van de Staat.

Voorts voert [verzoeker] als tweede grondslag voor zijn voorgenomen vordering aan recht op vergoeding van (immateriële) schade uit hoofde van de Wet politieregisters juncto de Wet bescherming persoonsgegevens. [verzoeker] voegt daaraan toe dat ook dit recht op schadevergoeding geheel los staat van een inzageprocedure in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens, van een strafrechtelijke veroordeling en zelfs van een strafzaak.

3. Het hof overweegt als volgt.

3.1 Het hof leidt uit de stellingen van [verzoeker] in hoger beroep af dat hij in het tegen de Staat te voeren geding geen andere schade zal vorderen dan de immateriële schade die hij stelt geleden te hebben doordat in het strafrechtelijk onderzoek onrechtmatige inbreuk op zijn privacy zou zijn gemaakt en doordat het strafdossier zou zijn gemanipuleerd. De feiten die [verzoeker] in het gevraagde voorlopige getuigenverhoor wil bewijzen heeft hij in hoger beroep beperkt tot feiten waarop die vorderingen stoelen. Tegen de juistheid van de strafrechtelijke veroordeling komt [verzoeker] in de te voeren civielrechtelijke procedure niet meer op.

3.2 De aldus beperkte vordering kan in beginsel aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. In zoverre is de grief van [verzoeker] gegrond.

3.3 De Staat heeft aangevoerd dat het verzoek van [verzoeker] (ook) moet worden afgewezen omdat [verzoeker] daarmee misbruik van zijn bevoegdheid maakt. Het hof volgt de Staat daarin.

3.4 Zowel de schade die [verzoeker] (al dan niet met een beroep op de Wet politieregisters en de Wet bescherming persoonsgegevens) stelt te hebben geleden door de inbreuk op zijn privacy als de schade ten gevolge van de gestelde manipulatie van het strafdossier zijn, naar hij ter zitting van 22 januari 2007 desgevraagd heeft gespecificeerd, immateriële schade. Hij stelt niet dat hij vermogensschade heeft geleden.

3.5 Geestelijk letsel kan, mits genoeg ernstig, worden aangemerkt als een aantasting in de persoon die recht geeft op schadevergoeding. Een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen is daarvoor echter niet voldoende. Daarenboven is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inbreuk op zijn privacy van dien aard is en dat zijn vertrouwen in de rechtstaat zodanig ernstig is geschokt dat sprake is van een aantasting van zijn persoon die recht geeft op schadevergoeding. Aldus is niet aannemelijk dat [verzoeker] enige schade heeft gelden. Bij gebreke daarvan moet worden geoordeeld dat [verzoeker] geen rechtsvordering tegen de Staat op de door hem aangevoerde gronden toekomt en dat [verzoeker] geen belang heeft bij het onderhavige verzoek. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient derhalve op de grond dat van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verlangen misbruik wordt gemaakt, te worden afgewezen. Dit betekent dat hetgeen [verzoeker] overigens heeft aangevoerd onbesproken kan blijven en dat [verzoeker] uiteindelijk geen succes heeft met zijn grief.

4. De slotsom is dat de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beschikking;

- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 296,- voor griffierecht en € 1.788,- voor salaris procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en

D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2007 in aanwezigheid van de griffier.