Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3515

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
891-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte van de minderjarige: In casu hebben partijen tot aan de zwangerschap samengeleefd met de (aanvankelijke) bedoeling deze bestendig te doen zijn. Het is derhalve redelijk uit te gaan van het gemeenschappelijk inkomen van partijen ter vaststelling van de behoefte. Wél corrigeert het hof het gemeenschappelijk inkomen tijdens de samenleving met het bedrag dat de vrouw na de geboorte minder zou gaan verdienen, krachtens een gemeenschappelijk voornemen daartoe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 maart 2007

Rekestnummer : 891-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-890

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.D. Drok,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. P.E. Lindhout.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 30 juni 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2006.

De moeder heeft op 29 augustus 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 20 september 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 9 augustus 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 19 september 2006, op 11 december 2006 en op 24 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 februari 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel, en de moeder, bijgestaan door haar procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, waarbij de procureur van de moeder tevens pleitnotities heeft overgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 17 november 2005 van de rechtbank Rotterdam. Bij de bestreden beschikking is onder meer een kinderalimentatie bepaald van € 390,- per maand met ingang van 13 februari 2006.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie voor de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in] 2004, verder: [de minderjarige], die bij de moeder verblijft, de behoefte, de draagkracht en de ingangsdatum van de alimentatie.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat hij gehouden is een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van [de minderjarige] van € 150,- per maand, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt in principaal appel het appel van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond, dan wel dit verzoek af te wijzen en in incidenteel appel de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad:

- dat de vader gehouden is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor [de minderjarige] te leveren van € 706,- per maand, althans een door het hof te bepalen bedrag;

- alsmede de ingangsdatum van de bijdrage te bepalen [in] 2004, althans 23 maart 2005, althans met ingang van de datum van indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum.

4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het hof om het incidenteel appel van de moeder af te wijzen als zijnde onjuist en ongegrond.

Ingangsdatum

5. In haar laatste incidentele grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat beide partijen een DNA-onderzoek noodzakelijk vonden en dat de rechtbank het derhalve redelijk acht de ingangsdatum van de thans aan de vader op te leggen kinderbijdrage te stellen op 13 februari 2006, zijnde de datum waarop partijen uitsluitsel hebben verkregen omtrent het vaderschap van de vader.

De moeder benadrukt dat over het vaderschap geen twijfel bij haar bestond, zoals ook blijkt uit de verslaglegging van de bijzonder curator en het proces verbaal ter zitting. Zij blijft bij haar standpunt dat het ingangstijdstip van de onderhoudsbijdrage de geboorte van het kind, te weten [in] 2004, dient te zijn. Subsidiair dient de verplichting op 23 maart 2005 aan te vangen, nu de vader op deze datum door een advocaat is aangeschreven en derhalve vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met de vaststelling van de onderhoudsverplichting.

6. De vader stelt dat het zeer onredelijk zou zijn om de vrij hoge bijdrage met een lange periode van terugwerkende kracht op te leggen. Nu partijen geen overeenstemming hadden over de bijdrage is het niet mogelijk de ingangsdatum vast te stellen op de geboortedatum van [de minderjarige]. De vader heeft vanaf het begin twijfels over zijn vaderschap geuit.

7. Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat voor de moeder vaststond dat de vader de vader van [de minderjarige] is en dat derhalve niet beide partijen een DNA-onderzoek noodzakelijk achtten. Het hof is van oordeel dat de vader, gelet op de brief van de procureur van de moeder van 23 maart 2005 waarin de moeder om een onderhoudsbijdrage verzoekt, er vanaf dat moment rekening mee heeft kunnen houden dat hij (mogelijk) een kinderbijdrage verschuldigd zou zijn. Derhalve acht het hof, gelet op de feiten en omstandigheden en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, 23 maart 2005 als ingangsdatum redelijk en billijk.

Behoefte

8. In de eerste grief in principaal hoger beroep stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van [de minderjarige] heeft vastgesteld op € 490,- per maand. De vader stelt dat de inkomens van beide partijen niet zomaar bij elkaar mogen worden opgeteld, nu er geen sprake is geweest van een gezamenlijk gezinsinkomen omdat partijen nimmer als gezin hebben samengeleefd. Bovendien heeft de moeder eerst een verzoekschrift ingediend toen [de minderjarige] een paar maanden oud was; zij was in deze periode gewend te leven met haar inkomen uit haar WW-uitkering. Indien het gemiddelde van de aandelen in de kosten van [de minderjarige] gebaseerd op de afzonderlijke netto-inkomens wordt genomen, resulteert dit in een totaal aandeel van partijen in de kosten van [de minderjarige] van € 255,- per maand.

9. De moeder stelt dat partijen wel degelijk de intentie hebben gehad om in gezinsverband samen te leven; zij hebben tijdens de zwangerschap samengewoond en hebben zich financieel extra verbonden door het sluiten van een hypothecaire lening. Partijen hebben de kosten die verband houden met de gezamenlijke huishouding tot na de geboorte gezamenlijk gedragen. Daarnaast stelt de moeder dat het inkomen van de vader van € 2.000,- netto per maand door de rechtbank verkeerd is vastgesteld, nu de rechtbank ten onrechte geen rekening houdt met de fiscale voordelen op grond van de inkomstenbelasting, zoals de hypotheekrenteaftrek, en met het vermogen uit box 3. De moeder stelt dat aan het wettelijk systeem ten grondslag ligt dat zowel de vader als moeder aan de verzorging van het kind moeten bijdragen.

10. De moeder stelt in haar incidenteel appel ten aanzien van de behoefte van [de minderjarige] dat deze dient te worden vastgesteld aan de hand van het gezamenlijke inkomen ten tijde van de samenleving van partijen, welk inkomen destijds € 4.692,- per maand bedroeg. De moeder stelt voorts dat het huidige gezamenlijke inkomen van partijen in ieder geval € 4.155,- netto per maand bedraagt, aangezien zij inmiddels een parttime baan heeft gevonden waarmee zij netto € 1.455,- per maand verdient, en dat de vader minstens € 2.700,- netto per maand verdient. Vanwege haar baan, moet zij kosten maken voor de opvang van [de minderjarige]. De behoefte van [de minderjarige] dient daarom te worden vermeerderd met een bedrag van € 85,- per maand. In totaal komt zij uit op een behoefte van € 986,- per maand.

11. De vader merkt in zijn verweerschrift ten aanzien van voormeld incidenteel appel op, dat de moeder in haar incidenteel appelschrift bij de behandeling van de draagkracht uitgaat van een netto inkomen van de vader van € 2.515,- per maand. De vader betwist dat hij inkomen uit nevenactiviteiten geniet en verwijst naar zijn verweer ter zake van zijn draagkracht in incidenteel appel. In het onderhavige geval dient geen rekening te worden gehouden met het gezinsinkomen van partijen nu partijen nimmer in gezinsverband hebben samengewoond. Indien het hof hierover anders mocht oordelen, dient volgens de vader te worden uitgegaan van een inkomen dat zou gelden ten tijde van de periode dat partijen samengewoond zouden hebben en mag geen rekening worden gehouden met toekomstige feiten, zoals de kosten voor kinderopvang. Tevens stelt de vader dat met bepaalde kosten geen rekening behoeft te worden gehouden indien aannemelijk is dat deze kosten ook niet gemaakt zouden zijn indien het kind in gezinsverband zou zijn opgegroeid; er dient een globale begroting te worden gemaakt van de kosten en aldus de behoefte van [de minderjarige].

12. Ter terechtzitting heeft de moeder een nadere toelichting gegeven ten aanzien van haar huidige inkomensgegevens. Zij werkt sinds november 2005. Zij is begonnen om een dag per week te werken; thans werkt zij op basis van 30 uur per week en verdient zij een salaris van € 1.455,34 netto per maand, blijkens een overgelegde salarisstrook. De kosten van de kinderopvang kunnen op dit moment worden begroot op € 100,30 netto per maand.

13. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat hij inderdaad in een hogere salarisschaal terecht is gekomen, doch dat dit slechts een salarisvermeerdering van € 50,- netto per maand betekent. Van de zijde van de vader is hierover opgemerkt, dat met deze verhoging geen rekening gehouden dient te worden, omdat deze verhoging in de indexatie van de kinderalimentatie is verdisconteerd. De vader heeft geen recente salarisgegevens aan het hof overgelegd. Tevens is aan de zijde van de vader ter zitting opgemerkt, dat de verhoging van de behoefte met betrekking tot de kosten van de kinderopvang niet wordt betwist.

14. Ten aanzien van de behoefte van [de minderjarige] overweegt het hof als volgt. Nu partijen tot halverwege de zwangerschap hebben samengewoond en zij blijkens de aankoop van een huis die samenleving als bestendig zagen, acht het hof het redelijk om bij de bepaling van de behoefte uit te gaan van het gezamenlijk inkomen van partijen ten tijde van die samenwoning. Het feit dat partijen kort voor de bevalling hebben besloten om de samenleving te verbreken, mag niet ten nadele van het kind strekken. Nu echter de moeder ter zitting heeft aangegeven voornemens te zijn geweest haar werkzaamheden na de geboorte van het kind te verminderen, zal het hof die behoefte bijstellen en uitgaan van een fictief gezinsinkomen van € 3.675,- netto per maand. Het hof gaat daarbij uit van een netto inkomen zijdens de vader van circa € 2.450,- netto per maand, zoals hierna overwogen onder rechtsoverweging 19, en een (fictief) deeltijd inkomen zijdens de moeder van € 1.225,- netto per maand. Rekeninghoudend met dit gezamenlijke inkomen bepaalt het hof de behoefte van [de minderjarige] op € 565,- per maand, te vermeerderen met € 100,- per maand aan kosten van de kinderopvang. Het feit dat de moeder eerst enige maanden na de geboorte van [de minderjarige] een verzoekschrift heeft ingediend, acht het hof van geen betekenis bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige]. Uit het gegeven dat de moeder wellicht in staat is geweest om een korte termijn van enkele maanden na de geboorte van haar kind financieel te overbruggen, kan niet worden afgeleid dat de behoefte van [de minderjarige] kan worden verlaagd naar een inkomensniveau dat slechts is gebaseerd op haar WW-uitkering.

Inkomen vader

15. De moeder stelt in haar eerste grief in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat de vader noemenswaardige inkomsten uit overwerk heeft waarvan de betaling wordt uitgesteld, noch dat hij neveninkomsten heeft. De moeder is van mening dat redelijkerwijs rekening gehouden dient te worden met inkomen uit huidige en opgepotte overuren. Daarnaast stelt de moeder dat uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2004 blijkt dat de vader inkomen heeft gegenereerd bij uitzendbureau “Inzetbaar” en dat haar ter ore is gekomen dat de vader werkzaamheden verricht in de lokale sportschool.

16. De vader stelt dat hij een werkgeversverklaring in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat het de intentie zou zijn dat met ingang van 1 januari 2006 een beleidswijziging zou komen waarin het maken van overuren drastisch teruggedrongen wordt. De stelling van de moeder dat de vader werkzaamheden in een sportschool verricht is met geen enkel bewijsmiddel gestaafd en wordt door de vader betwist. De inkomsten verkregen via een uitzendbureau als oproepkracht op basis van beschikbaarheid bieden geen enkele zekerheid. Ter terechtzitting heeft de vader opgemerkt dat hij inderdaad uren heeft opgepot als appeltje voor de dorst. Hij betwist dat hij dit heeft gedaan om zijn draagkracht te verlagen: de uren zijn immers opgebouwd in een zevental jaren gedurende zijn dienstverband op een moment dat de alimentatie geheel niet aan de orde was.

17. In haar tweede grief in incidenteel appel stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat uitgaande van een fiscaal jaarloon van € 33.797,- en een loonheffing van € 9.709,- de vader een netto maandinkomen heeft van ongeveer € 2.000,-. Volgens moeder is het netto inkomen veel hoger.

18. De vader betwist dat zijn netto maandinkomen meer zou bedragen dan € 2.000,- per maand. Hij bestrijdt dat hij bewust minder is gaan werken.

19. De vader heeft geen recente stukken overgelegd. Uit de wel overgelegde aangifte voor de inkomstenbelasting 2004 blijkt een bruto jaarinkomen uit arbeid bij [zijn werkgever] van € 32.980,-, en uit de salarisspecificatie van december 2005 blijkt een bruto jaarinkomen van € 33.797,-. Het hof houdt daarnaast rekening met neveninkomsten van circa € 2.400,- bruto zoals blijkt uit de aangifte voor de inkomstenbelasting 2004, nu de vader niet heeft aangetoond die thans niet meer te hebben. Het hof houdt geen rekening met extra overuren aangezien uit de salarisspecificatie blijkt dat wel degelijk overuren aan de vader zijn uitbetaald en een eventueel overschot uit het verleden niet tot extra regelmatige inkomsten leidt. De brutoberekening door de vader overgelegd als productie II bij het appelschrift volgend, komt het voorgaande neer op een netto inkomen van circa € 2.450,- per maand. Het hof zal dit inkomen in aanmerking nemen, zowel in verband met de behoefte van [de minderjarige] als voor de beoordeling van zijn draagkracht.

Draagkracht vader

20. De vader stelt in zijn tweede grief in principaal appel dat de rechtbank ten onrechte bij het vaststellen van zijn draagkracht geen rekening heeft gehouden met de schuld aan zijn ouders, waarop hij een bedrag van € 150,- per maand aflost. De vader stelt dat deze schuld ter grootte van € 48.000,- is ontstaan door de aflossing van de hypotheekschuld in verband met het blijven bewonen van de gezamenlijk bewoonde woning. De vader stelt dat, hoewel de moeder de vader verwijt dat hij de geldleningsovereenkomst kort voorafgaand aan het ingediende verzoekschrift heeft overgelegd, de moeder wel degelijk hiervan op de hoogte was.

21. De moeder stelt dat zij nooit ermee heeft ingestemd dat de vader alle middelen zou aanwenden om in de woning te kunnen blijven wonen. De moeder stelt dat zij pas laat een niet officieel en volgens haar naderhand opgesteld en bewerkt overzicht heeft ontvangen en betwist dat de vader maandelijks in contanten een bedrag van € 150,- aan zijn ouders betaalde; zij had begrepen dat dit bedrag aan hem kosteloos ter beschikking was gesteld. Bovendien merkt de moeder op dat een aantal maanden in het overzicht ontbreekt en is deze schuld niet in de inkomstenbelastingaangifte van de vader opgenomen.

22. Het hof zal met deze schuld geen rekening houden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het bestaan van de schuld van de vader aan zijn ouders en de gestelde aflossingen daarop, onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Daarbij overweegt het hof, dat niet is gebleken dat de vader voormelde schuld heeft opgenomen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting, terwijl hij volgens zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2004 ultimo 2004 wel een vermogen bezat van € 29.974,- en dat de vader ter terechtzitting voor een en ander geen verklaring heeft kunnen geven.

23. In haar incidenteel appel stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat er bij de vader geen sprake is van een onredelijk hoge woonlast. Volgens de moeder is een totale woonlast van € 930,- per maand onredelijk hoog, aangezien dit bijna 50% van het totale netto inkomen van de vader bedraagt. Zij stelt gemotiveerd dat een bedrag van € 541,- per maand als redelijke woonlast kan worden beschouwd.

24. In zijn verweerschrift in incidenteel appel stelt de vader dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met zijn huidige woonlast, gelet op zijn besteedbaar inkomen. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat hij gedwongen was een deel van zijn spaargeld bij de overname van de woning na de beëindiging van de relatie in de woning te investeren, zulks in verband met de overname van de hypothecaire geldlening. Tevens merkt de vader op dat indien hij het onverdeelde aandeel van de woning van de moeder niet zou hebben overgenomen, partijen de woning zouden hebben moeten verkopen hetgeen gezien de hoogte van de hypothecaire geldlening tot een restschuld zou hebben geleid. Een dergelijke schuld zou zijn draagkracht hebben verminderd.

25. Het hof overweegt als volgt. Uitgaande van een netto inkomen van de vader van € 2.430,- per maand acht het hof een woonlast van € 930,- per maand aan de hoge kant, maar niet zodanig hoog dat een korting dient te worden toegepast. Het incidenteel appel faalt derhalve.

26. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van de draagkracht geen rekening heeft gehouden met zijn reiskosten woon-werk verkeer. De vader stelt dat hij per maand een bedrag van € 177,25 kwijt is aan reiskosten en dat hij van zijn werkgever slechts een vergoeding van € 58,- per maand ontvangt. Er resteert derhalve een bedrag van € 119,25 en met dit bedrag dient volgens de vader tevens rekening bij de bepaling van de draagkracht rekening te worden gehouden.

27. Ten aanzien van de reiskosten betoogt de moeder dat deze grief dient te worden verworpen, nu de vader slechts stelt en niets aantoont. Daarenboven rijdt de vader in een dieselbus en betoogt de moeder dat uit haar productie 2 blijkt dat de vader een bedrag van € 2,26 aan dieselkosten per rit heeft zodat alle kosten door zijn werkgever ruimschoots worden vergoed.

28. Het hof overweegt ten aanzien van deze grief dat de vader zijn grief onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze grief niet kan slagen.

29. Uit het voorgaande volgt, dat de draagkracht van de vader rekening houdend met het fiscale voordeel een bijdrage voor [de minderjarige] toelaat van € 390,-.

Inkomen van de moeder

30. Het door de rechtbank in achtgenomen inkomen van de moeder tot 1 november 2005 wordt door de vader niet betwist, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Omtrent het huidige inkomen verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 12 is opgenomen.

Lasten van de moeder

31. De door de rechtbank in aanmerking genomen lasten zijn door partijen niet betwist. Derhalve zal het hof van deze lasten bij haar oordeel uitgaan.

32. Ten aanzien van de verdeling van de behoefte over de ouders overweegt het hof nog het navolgende. Naar het oordeel van het hof dienen beide ouders naar rato van hun draagkracht in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Het hof is van oordeel dat in dit verband twee periodes dienen te worden onderscheiden. Voor wat betreft de eerste periode, te weten tot 1 november 2005, heeft de rechtbank overwogen dat de moeder een negatieve draagkrachtruimte heeft. Dit uitgangspunt is door partijen in hoger beroep niet betwist. Het hof gaat derhalve er vanuit, dat de moeder in deze periode niet in staat is (deels) in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Ten aanzien van de tweede periode, te weten vanaf 1 november 2005, overweegt het hof als volgt. Vanaf november 2005 werkt de moeder parttime. Eerst één dag, thans drie dagen per week. Uit de door de moeder oevergelegde overeenkomst met de Stichting Kinderopvang maakt het hof op dat de moeder vanaf 16 januari 2006 drie dagen per week werkte, immers voor [de minderjarige] is drie dagen kinderopvang ingekocht. Het hof houdt derhalve rekening met een netto inkomen van de moeder van € 1.455,- per maand met ingang van 16 januari 2006. Noch in de periode voor 16 januari 2006, noch in de periode daarna is de draagkracht van de moeder zodanig ruim dat dit ertoe zou moeten leiden dat de bijdrage van de vader, gezien de verhouding tussen beider draagkracht, op een lager bedrag dan € 390,- per maand zou moeten worden gesteld.

33. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 maart 2005 op € 390,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Kamminga en Van Wijk, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2007.