Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3489

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
1002-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensische mediation bepaald in een gezags- en omgangskwestie, waarbij de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Benoeming van deskundige die onderzoek zal doen onder leiding van een raadsheer-commissaris. Het hof heeft zes vragen geformuleerd. Tijdens het onderzoek zal ook bemiddeld worden. De ouders hebben op voorhand hun medewerking aan onderzoek en aan bemiddeling toegezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 maart 2007

Rekestnummer. : 1002-R-06

Rekestnr. rechtbank : 05-253

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.E. Mielen,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. W.J.J. Trooster.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 21 juli 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Schiedam, van 24 april 2006.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 1 augustus 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 13 februari 2007 een pleitnota ingekomen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 19 februari 2007 een brief met bijlage ingekomen.

Op 21 februari 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. A. Konijnenburg-de Heer en de moeder, bijgestaan door haar procureur, alsmede namens de raad: de heer F. Dekkers. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 11 oktober 2005 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Schiedam. Bij de bestreden beschikking is tussen de vader en de kinderen een omgangsregeling vastgesteld, het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag over en de omgang van de vader met de minderjarige kinderen:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 2000, verder: [de minderjarige sub 1], en

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 2003, verder: [de minderjarige sub 2],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen, die bij de moeder verblijven. De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader, samen met de moeder, belast wordt met het ouderlijk gezag over de kinderen en daarbij de navolgende omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen:

- de ene week de maandag en de woensdag van 17.00 uur tot 08.00 uur, plus het weekend van vrijdag 17.00 uur tot maandag 08.00 uur;

- de andere week de woensdag en de donderdag van 17.00 uur tot 08.00 uur;

- twee weken gedurende de zomervakantie;

- de helft van de feestdagen in onderling overleg vast te stellen.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep.

Gezag

4. In zijn eerste grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de moeder niet akkoord wenst te gaan met het gezamenlijk gezag, de mogelijkheid tot het gezamenlijk gezag is geblokkeerd. De vader meent dat het in het belang van de kinderen is dat beide ouders gelijkwaardige rechten ten opzichte van de kinderen hebben en dat gezamenlijk gezag meer waarborgen in de continuïteit geeft. Bij gehuwde ouders is bij echtscheiding het uitgangspunt dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft, nu dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Dit belang van de kinderen is niet anders in een situatie dat ouders niet gehuwd zijn. Het ontbreken van een goede communicatie hoeft geen reden te zijn om het gezamenlijk gezag niet toe te wijzen. Het niet akkoord gaan van de moeder met het gezamenlijk gezag is ook geen reden om het gezamenlijk gezag niet toe te wijzen. Ter terechtzitting heeft de vader zijn verzoek nader toegelicht. Met het verzoek beoogt de vader te bewerkstelligen dat vader en moeder gelijkwaardige rechten ten opzichte van de kinderen hebben. Daarnaast geeft het hem concrete bevoegdheden, zoals de toegang tot gesprekken op school en gegevens van de huisarts.

5. Aan de zijde van de moeder wordt betoogd, dat het niet in het belang van de kinderen is om ook de vader te belasten met het gezag. De relatie tussen de vader en de moeder is zeer problematisch; zo is er geen enkele vorm van overleg tussen hen mogelijk. De moeder stelt dat de omgangsregeling tot voor kort slechts heeft gefunctioneerd omdat de moeder, belast met het eenhoofdig gezag, de grenzen kan stellen en beslissingen kan nemen zonder daarover eerst met de vader te moeten overleggen.

Omgang

6. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte bij het vaststellen van de omgangsregeling geen regeling voor de vakantie en feestdagen heeft bepaald. Naar aanleiding van de brief van de raad is de omgangsregeling ter zitting aan de orde geweest, waarbij de vader heeft herhaald dat er buiten de wekelijkse omgang ook een regeling zoals door hem verzocht voor de zomervakantie en feestdagen dient te worden vastgelegd. De rechtbank heeft dit over het hoofd gezien, althans niet in de beschikking opgenomen.

7. De moeder stelt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling enige tijd geleden door haar op aanraden van het RIAGG is gewijzigd, omdat de kinderen de uitgebreide omgangsregeling niet aankonden. Thans is de omgangsregeling voorlopig opgeschort. De moeder pleit ervoor om de omgangsregeling voorlopig opgeschort te houden.

8. Ter terechtzitting stelt de vader dat de moeder zich anders is gaan gedragen toen het verzoek tot gezagswijziging werd ingediend. Vanaf eind november 2006 is hij zijn kinderen twee dagen per week minder gaan zien. Hij heeft aangegeven dat hij het hier niet mee eens was. Vanaf eind januari 2007 heeft hij [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] helemaal niet meer gezien.

9. De moeder meldt ter terechtzitting dat zij bij de politie aangifte heeft gedaan van verdenking van kindermisbruik. Zolang het politieonderzoek loopt, zo stelt zij, zal zij erop toezien dat de omgangsregeling geen doorgang vindt, omdat dit niet verantwoord is. Wat haar betreft is het wel mogelijk dat de vader [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2] een paar uur per week komt opzoeken.

10. Aan de zijde van de vader wordt gesteld dat het van belang is dat de omgang doorgang blijft vinden. De moeder heeft zelf aangifte van kindermisbruik gedaan en dit als beweegreden gehanteerd voor het stopzetten van de omgangsregeling. De vader stelt dat het erop lijkt dat de moeder op deze wijze de omgang probeert te frustreren. De vader is uit eigen beweging naar de politie gegaan om zijn kant van het verhaal te belichten.

11. De raad licht ter terechtzitting toe, dat, hoewel op dit moment geen communicatie tussen de partijen mogelijk lijkt, zij allebei van goede wil zijn om de gerezen problemen op te lossen. De raad vermoedt dat een oorzaak voor de onmogelijkheid voor partijen om in overleg te treden, ligt in de gevoeligheden die er tussen partijen spelen, zoals de reden waarom de relatie is verbroken.

12. Het hof oordeelt als volgt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verhouding tussen de ouders zodanig verstoord is – en dit al gedurende een lange periode – dat deze verstoring gevolgen heeft voor het gezag en/of een omgangsregeling over de kinderen.

13. Gelet op het specifieke karakter van de problematiek en de ernst daarvan overweegt het hof dat partijen het meest gebaat zouden zijn bij het opleggen van een forensische bemiddeling: het deskundigenonderzoek waarbij mediation(technieken) wordt (worden) ingezet. Het hof zal als deskundige benoemen mevrouw drs. ir. W. Boom-Pelle, orthopedagoog, Schoolstraat 42, 4841 XE Prinsenbeek, bereikbaar op telefoonnummer 076-5420722, met de opdracht tussen de ouders onderzoek te verrichten en gelijktijdig te bemiddelen. De ouders hebben toegezegd aan onderzoek en bemiddeling te willen meewerken. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek.

14. Alvorens op het beroep te beslissen zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot 30 juni 2007 pro forma, teneinde het onderzoek en de bemiddeling door mevrouw Boom-Pelle te laten plaatsvinden, die tevens de opdracht krijgt bemiddelingsgesprekken te voeren, met het doel de verhouding tussen partijen te verbeteren en tot afspraken te komen omtrent het gezag en de omgang. De deskundige heeft zich bereid verklaard deze opdracht te aanvaarden.

15. Nu vast is komen te staan dat de ouders, die beiden op basis van een toevoeging procederen, de kosten van het deskundigenbericht niet zelf kunnen dragen en het hof het noodzakelijk acht dat er inzicht komt in de relatie van partijen en hun beider relatie met de kinderen, en de mogelijke gevolgen daarvan voor het gezag, zullen de kosten van de deskundige voorlopig ten laste worden gebracht van het rijk. Het hof gaat er daarbij voorshands vanuit dat de kosten een bedrag van € 3.500,- exclusief BTW niet te boven zullen gaan. Mocht tijdens de behandeling aan de deskundige blijken dat het bedrag dreigt te worden overschreden, dan gaat het hof er van uit dat de deskundige tijdig hierover met het hof in overleg zal treden.

16. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek.

17. Voor het geval de ouders er niet in slagen om tot afspraken te komen over het gezag en de omgang, wenst het hof dat de deskundige de volgende vragen beantwoordt:

a. Wat voor een relatie hebben partijen met elkaar in het verleden onderhouden en wat betekent dit voor (het herstel van) de minimaal noodzakelijke communicatie inzake de contacten die zij met elkaar dienen te onderhouden rond [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2]?

b. Hoe is de relatie van de kinderen met respectievelijk de moeder, de vader en elkaar (met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. In hoeverre is de moeder respectievelijk de vader in staat de kinderen ruimte te bieden voor een relatie dan wel een omgangsregeling met de andere ouder?

d. Zijn er vanuit het onderzoek aspecten naar voren gekomen die meegenomen moeten worden bij de afweging hoe een eventuele omgangsregeling met de niet-verzorgende ouder het beste vastgesteld kan worden?

e. Welke gevolgen voorziet de deskundige bij het vestigen van gezamenlijk gezag over de kinderen?

f. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen?

18. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

houdt de behandeling aan tot zaterdag 30 juni 2007 pro forma, ter fine als hiervoor vermeld;

benoemt tot deskundige mevrouw drs. ir. W. Boom-Pelle, voornoemd;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige ten laste komen van ’s rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 15 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. C.A.R.M. van Leuven;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de ouders binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig vóór 30 juni 2007 het hof schriftelijk zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Reinking, Van Leuven en Pieters, bijgestaan door mr. Schaaij als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2007.