Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3358

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
22-001084-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake van mishandeling. Verwerping verweren m.b.t. niet-ontvankelijkheid openbaar minsterie in de vervolging en noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001084-06

Parketnummer: 09-665047-05

Datum uitspraak: 12 februari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van

7 februari 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1965,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 januari 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd en in hoger beroep door de advocaat-generaal op de voet van artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering mondeling aangevuld.

Van de dagvaarding, van de vordering wijziging tenlastelegging alsmede van de door de advocaat-generaal aan het papier toevertrouwde mondelinge vordering zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 tenlastegelegde schuldig verklaard zonder oplegging van straf, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Verweer

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat bewijsuitsluiting of strafvermindering dient plaats te vinden, een en ander zoals weergegeven op bladzijde 6 van zijn in hoger beroep overgelegde pleitnotities.

Nu de raadsman in zijn pleitnotities volstaat met de opsomming van consequenties die op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering aan vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek kunnen worden verbonden zonder een standpunt te verwoorden, zal het hof dit verweer op dit punt passeren. Het hof volstaat met daarbij te verwijzen naar HR 30 maart 2004, NJ 2004,376.

Voor het geval de raadsman voorts heeft willen betogen dat sprake zou zijn van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overweegt het hof dat dit betoog niet kan slagen nu het hof tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat er sprake zou zijn van enige overschrijding van die termijn, laat staan dat dit het door de raadsman beoogde gevolg zou moeten hebben.

Derhalve verwerpt het hof dit verweer.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 04 november 2004 te Zoetermeer opzettelijk een persoon (te weten [aangever]), met een stoffer op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Strafbaarheid van het feit en de verdachte

Voor het geval de verdediging heeft willen betogen dat er wat betreft het bewezenverklaarde sprake zou zijn van zelfverdediging, in de zin dat verdachte ter verdediging met de onderhavige stoffer heeft gezwaaid en verdachte daarbij wellicht heeft geraakt, overweegt het hof dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging niet aannemelijk is gemaakt noch aannemelijk is geworden dat wat betreft het bewezenverklaarde feit die handeling geboden was ter noodzakelijke verdediging van haar ‘eigen lijf’ en een handeling betrof tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke handeling.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit. Het feit en de verdachte zijn derhalve strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde tot een geldboete van EUR 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar buurvrouw, het slachtoffer. Een feit als het onderhavige wordt door het slachtoffer en ook door de omgeving als bedreigend en beangstigend ervaren. Het hof houdt er daarbij rekening mee dat de onderhavige gebeurtenis gezien moet worden tegen de achtergrond van een al langer spelende, hardnekkige burenruzie tussen verdachte en haar buurvrouw. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat ook verdachte gewond is geraakt bij de onderhavige gebeurtenis.

Het hof is - alles overwegende -, mede gelet op de generale en speciale preventie, van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormt, teneinde verdachte in te scherpen dat een daad als de onderhavige afkeuring verdient.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 21.793,87.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van EUR 1.728,60.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 1.593,60.

Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Voor zover de vordering ziet op vergoeding van het eigen risico van de autoverzekering heeft de benadeelde partij - naar het oordeel van het hof - niet aangetoond dat de schade met betrekking tot de autoverzekering rechtstreeks is geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde.

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van het eigen risico van de rechtsbijstand overweegt het hof dat die

kosten evenmin als rechtstreekse schade uit het bewezenverklaarde feit zijn aan te merken.

Voor zover de vordering tenslotte ziet op vergoeding van de aanschaf van de medicijnen en op vergoeding van de immateriële schade is deze - naar het oordeel van het hof - in zoverre niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24, 24c en 300 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 (vier) dagen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, nu zij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. D.J.C. van den Broek en mr. A.G. Korvinus, in bijzijn van de griffier mr. I. Appel.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 februari 2007.

Mr. A.G. Korvinus is buiten staat dit arrest te ondertekenen.